Wilhem Baerdesen (1528-1601) beroemde zich graag op zijn afkomst uit een oeroud Amsterdams regentengeslacht. Op zijn grafzerk in de Oude Kerk stond te lezen dat zijn familie al sinds 1426 in het stadsbestuur zat. Vader Willem Dirck Baerdesen (1496–vóór 1575) was zeepzieder aan de Nieuwendijk, maar verkocht zijn bedrijf toen hij werd aangesteld als schout. In die functie was hij verantwoordelijk voor de vervolging van niet-katholieken. Vooral de dopers golden als een bedreiging van de openbare orde, vanwege hun aanslag op het stadhuis in 1535. Maar halverwege de 16de eeuw draaide vader Baerdesen als een blad aan de boom om. Van een ketterjager veranderde hij in een zachtmoedige wetshandhaver, omdat hij inzag dat dopers geen staatsvijandige plannen meer hadden. Net als anderen in zijn naaste omgeving ging hij over tot de gereformeerde religie. Willem Baerdesen begon het nu op te nemen tegen de 'sincere katholieken' op het stadhuis, die zijn deftige familie bovendien buiten de regentenambten hielden.

Dopersen

Zoon Wilhem groeide op in een intellectueel en welgesteld milieu. In het buurtje rond zijn geboortehuis aan de Nieuwendijk wemelde het van de mennonieten. Als jong ventje was Wilhem getuige van hun wrede lot en dat van hun medeplichtigen: twee van zijn buren werden opgehangen aan hun gevel, omdat zij onderdak hadden verleend aan een doperse leider. De zomers bracht hij door op de buitenplaats het Schoutenhof in het voormalige Reguliersklooster aan de Amstel.
In 1545 studeerde hij aan de universiteit van Leuven, waar hij mogelijk de meestertitel behaalde. Midden jaren vijftig werd zijn zuster verdacht van doopsgezindheid. Zijn latere vrouw Aechgen Admiraels gebeurde hetzelfde. Zij was de dochter van Claudius Justiaen van Dongen, admiraal van Holland en verbonden aan het Bredase hof van de Nassaus, en kleindochter van een Italiaanse edelman. Na hun trouwen gingen ze wonen in haar riante huis aan de Deventer Houtmarkt (nu: Nieuwezijds Voorburgwal 284-288).
Als een van de rijkere Amsterdammers was Wilhem Baerdesen ongetwijfeld lid van de schutterij, de stedelijke militie. In 1562 werd hij afgebeeld als de centrale figuur op het groepsportret van de schutters van 'rot G' in de Voetboogdoelen. Twee jaar later roerde Baerdesen zich op politiek gebied. Hij was een van de ondertekenaars van de Doleantie. Met dit klaagschrift protesteerden zeventig Amsterdammers, grotendeels kooplieden, bij landvoogdes Margaretha van Parma – halfzus van keizer Filips II – over de misstanden op het stadhuis. Behalve de geslotenheid van de familieregering hekelden zij praktische zaken, zoals de slome afhandeling van rechtszaken en het slechte bouwbeleid in de buitengebieden. Ook vader Baerdesen – inmiddels als schout afgezet – was erbij betrokken.

Tijbokkingen

In 1566 brachten de Beeldenstorm en de onlusten daarna Amsterdam op de rand van een burgeroorlog. Wilhem Baerdesen trad op als voorman van de gereformeerden en sloot namens hen een overeenkomst met het stadsbestuur. Reden genoeg voor de nieuwe landvoogd Alva om hem in 1567 te dagen voor de Raad van Beroerten, de bijzondere rechtbank belast met de vervolging van de opstandige burgers. Maar Baerdesen wist uit handen te blijven van justitie. Hij nam de benen, zijn bezit werd verbeurdverklaard en zijn vrouw bleef thuis alleen achter met hun vijfjarige zoontje.
Stad voor stad kwam Holland vanaf 1572 in handen van de geuzen, de opstandelingen onder leiding van de gevluchte stadhouder Willem van Oranje. Amsterdam bleef koningsgezind, maar raakte steeds verder geïsoleerd door de oprukkende geuzentroepen. Baerdesen sloot zich bij hen aan in het Noorderkwartier, zoals Holland boven het IJ indertijd heette. In Alkmaar was hij de 'stedehouder' (plaatsvervanger) van de gouverneur, de onbesuisde edelman Diederik Sonoy.
In augustus 1572 stelde Baerdesen voor om de omgeving van Amsterdam onder water te zetten. Afsnijden van alle toevoer was de manier om het stadsbestuur op de knieën te dwingen. Vanwege de hoge kosten zagen de Staten van Holland ervan af. Baerdesen koos nu het diplomatieke pad. Zo probeerde hij vergeefs de koningsgezinde luitenant-admiraal van de Habsburgse vloot aan de kant van de Opstand te krijgen. In 1573 verbleef hij in Enkhuizen, waar Oranje hem benoemde tot zegelbewaarder van de paspoorten voor schippers en kooplieden. Baerdesen hield zich ook bezig met de toestand van de dijken en de heffing van invoerrechten. En hij stuurde verse tijbokkingen (steurharingen) en Duitse hammen aan Oranje.

Brief

Eind 1574 verhuisde Baerdesen weer naar Alkmaar, waar hij zich liet inschrijven als lidmaat van de gereformeerde kerk. Terugkeer naar het koningsgezinde Amsterdam was onmogelijk. Het 'generaal pardon' eerder dat jaar aan opstandelingen gold niet voor hem en andere vertrouwelingen van Willem van Oranje. Met een lijvige brief probeerde hij de stadsbestuurders tot andere gedachten te brengen. Dankzij informanten was Baerdesen goed op de hoogte van de desolate toestand achter de gesloten poorten. Zijn pleidooi – doorspekt met religieuze verwijzingen en trots gepoch over zijn patricische afkomst – had geen effect. Ingesloten door de geuzen voegde Amsterdam zich uiteindelijk toch bij de Opstand en in december 1577 zette hij voor het eerst sinds tien jaar weer voet in zijn geboortestad om de voorwaarden te bespreken. Na een vruchteloos eerste gesprek sloot het stadsbestuur op 8 februari een verdrag met het opstandige Holland.
Het verdrag (de beroemde Satisfactie) bood gunstige voorwaarden aan de Amsterdamse bestuurders, maar tegelijkertijd verloren zij hun machtsgreep op de stad. Teruggekeerde ballingen mochten dienen in de heropgerichte schutterij en al snel rees er onenigheid over het leiderschap van deze militie. Heimelijk begon Baerdesen een coup voor te bereiden om de regenten aan de kant te zetten. Op 24 mei vroeg hij aan Sonoy om de troepen in Waterland in gereedheid te brengen, mocht zijn plan mislukken. Voor zijn eigen veiligheid liet hij een "schootsvryen helm" en een schild bezorgen. Twee dagen later was het zover: zonder bloedvergieten zetten Baerdesen en de andere geuzen een groot deel van het Spaansgezinde stadsbestuur en een aantal katholieke geestelijken letterlijk aan de (Diemer)dijk. Oranje had geen bemoeienis gehad met deze coup, die bekend is geworden als de Alteratie (verandering) – hij kon alles met een gerust hart overlaten aan zijn vertrouweling Baerdesen.

Gedogen

Amsterdam zat nu wel zonder bestuur. Maar niet voor lang. Een eenmalig kiescollege van schutters koos vier nieuwe burgemeesters, uiteraard was Baerdesen een van hen. Hij ontpopte zich als een libertijnse regent, die de geloofsdwang afwees waartoe de scherpslijpers onder de gereformeerde predikanten opriepen. Andere 'oude geuzen', zoals de graanhandelaar Cornelis Pietersz Hooft en de buskruithandelaar Reijnier Cant, deelden zijn opvattingen. Onder hun regime werden andersdenkenden gedoogd, zolang zij hun religie maar niet in het openbaar uitten.
Te ver ging bijvoorbeeld de Gelderse fluweelwerker Goossen Vogelsangh. Hij publiceerde zijn godsdienstige opvattingen en werd daarom in 1598 verbannen. (En was weer welkom na een berouwvolle geloofsommekeer.) Ook katholieke Amsterdammers bleven nog enige tijd verdacht, als mogelijke vijfde colonne van de Spanjaarden, maar stelselmatige vervolging was niet aan de orde. Een antikatholiek plakkaat van de gewestelijke overheid liet het burgemeesterscollege slechts afkondigen onder de voorwaarde dat Amsterdamse rechters de straffen naar eigen inzicht zouden mogen verlagen.
Niet alle geuzen deelden de politieke lijn van burgemeester Baerdesen. Zijn voormalige chef Sonoy liet bijvoorbeeld een groep katholieke boeren in het Noorderkwartier meedogenloos vervolgen. Op vage gronden werden zij vastgehouden en gefolterd. Oranje beloonde een van de grootste beulen, Willem Martsz Calff, met het schoutambt van Amsterdam. Toen de man zich ook hier misdroeg, liet Baerdesen hem vervangen. Omdat hij niet zo gauw een vervanger kon vinden, moest hij in 1582 zelf het lastige schoutambt waarnemen.

Sollicitatie

Tijdens het kortstondige bewind van de graaf van Leicester (1585-1587; zie kader], gold Baerdesen als een van diens grootste tegenstanders. Officieel stond hij de Engelse landvoogd in de Raad van State terzijde, maar hij moest niets hebben van zijn economische beleid en de bestuurlijke invloed van 'vreemdelingen'. Net als stadhouder Maurits en de Staten van Holland zag hij de graaf het liefst weer naar Engeland vertrekken. Dat gebeurde ook in 1587, na een mislukte coup van Leicester met hulp van zijn aanhang in de schutterijen. Opnieuw wisten Baerdesen en de andere burgemeesters Amsterdam zonder bloedvergieten door een crisis heen te slepen.
Baerdesen vertegenwoordigde zijn thuisstad ook in de Staten van Holland. Namens dit gewestelijke regeringscollege heeft hij in Weesp en Friesland de orde hersteld. Maar zijn sollicitatie bij de Hoge Raad – het hoogste gerechtshof – mislukte. In Amsterdam was hij zes jaar nog bestuurslid van de Weeskamer, een beetje suffe, maar eervolle functie. Pendelend tussen Amsterdam en Den Haag zal hij weinig tijd voor een privéleven gehad hebben. Baerdesen was wel lid van rederijkerskamer de Egelantier, maar lijkt buiten zijn werk vooral de rust van het platteland te hebben opgezocht. Hij bezat land en een versterkte hofstede onder Heiloo en kocht aan de Amstel een buitenplaats (Welna, naast Meerhuizen). Enkele van zijn vader geërfde stukken land – het Schouten- en Lijnbaanspad in de huidige Jordaan – deed hij tegen gunstige voorwaarden van de hand, met het oog op de naderende stadsuitbreiding.
In 1591 kocht Baerdesen het voormalige Hof van Sonoy in Alkmaar, waar zijn gelijknamige zoon kwam te wonen. Die verleende er later onderdak aan remonstrantse predikanten. Vader Wilhem maakte dat niet meer mee: op 21 maart 1601 was de legendarische oude geus overleden, minder dan een jaar na zijn vrouw.

Leicester in de Nederlanden (1585-1587)

Na de geslaagde moordaanslag op Oranje zochten de opstandige gewesten militaire en financiële hulp van een buitenlandse vorst. Ze vonden die bij Elizabeth van Engeland. De koningin stuurde een leger en leende de opstandelingen geld, in ruil voor drie 'pandsteden' in Holland en Zeeland. Haar vriend en vertrouweling Robert Dudley, graaf van Leicester, ging als 'gouverneur-generaal' naar de Nederlanden. Zeeuwse en Hollandse regenten stelden hun belangen veilig door Oranjes zoon Maurits tot stadhouder te verheffen en Johan van Oldenbarnevelt tot landsadvocaat te benoemen. Onder hun leiding ontstond een oppositie tegen Leicester en in 1586 wisten zij hun machtsoverwicht te herstellen. Na zijn mislukte machtsovernames in Amsterdam en Leiden vertrok Leicester in december 1587. De opstandige gewesten gingen verder zonder vorst, als Republiek.

Header: D'afbeelding hoe men de Magistraet en geestelykheyt der stadt Amsterdam heeft uytgeleydt, en 't scheep gebraght den 26 May. 1578 door Jan Luyken eind 17de eeuw. Stadsarchief Amsterdam