Wat ik ook nog niet wist (ik was nog maar vijf) was dat Amsterdam, gebouwd op water, tal van grote branden heeft gekend. Dat begon al in de 15de eeuw, toen achtereenvolgens in 1413, 1421 en 1452 grote delen van de groeiende stad, opgebouwd uit houten huizen met rieten daken, in de as werden gelegd. In 1452 werden maar liefst veertien kloosters door het vuur verteerd.

In 1645 werd de Nieuwe Kerk door brand getroffen. In 1652 het oude stadhuis (waarna extra haast werd gemaakt het al ontworpen nieuwe, dat we nu kennen als koninklijk paleis). In 1732 het Pesthuis, voorloper van het Wilhelminagasthuis. De Stadsschouwburg ging zelfs tot tweemaal toe in vlammen op (in 1772 en in 1890). De beroemdste brand in de geschiedenis velde het trotse Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein op 17 april 1929. Toegesnelde Amsterdammers troffen de volgende morgen slechts een rokende en smeulende puinhoop aan. "Een luguber samenspel van ijzeren balken en ingestorte muren."

Tijdens mijn burgemeestersperiode, toen ik dan eindelijk vooraan mocht staan, was het aantal grote branden, mede dankzij een alerte en goed uitgeruste brandweer, beperkt. Maar de branden die er waren hebben voorgoed mijn jongensdroom uitgewist. Zo stond ik op 16 december 1983 inderdaad urenlang vooraan op de Oudezijds Achterburgwal, toen er een felle, aangestoken, brand woedde in het vermaarde seksbedrijf Casa Rosso. Ik deelde het verdriet van de van de vermaarde "klerenkasten" van Jopie de Vries, alias de Wallenkoning. Als ik om half vijf in de ochtend, na het teken "brand meester" huiswaarts ga word ik enkele minuten later al gebeld door de brandweercommandant met de mededeling dat er dertien doden zijn gevonden in een versperde vluchtgang.

Maar het meest heugt mij nog de immense vuurzee nadat zich op de avond van 4 oktober 1992 een Boeing 747 was neergestort op twee flatgebouwen in de Bijlmermeer. De Bijlmerramp was een feit. Een jongensdroom had plaatsgemaakt voor een nachtmerrie. Sindsdien is het water mij liever dan het vuur.

Ed van Thijn
Juli/Augustus 2005

Ed van Thijn
Foto: Han Singels