Maar die uitstraling had meer symbolisch dan praktisch nut. Van hieruit werd de stad immers niet verdedigd tegen ridders met stormrammen, maar tegen de ‘Rode Haan’. We zien hier de huisstijl van de Amsterdamse brandweer van ruim een eeuw geleden, ook herkenbaar in de nog bestaande kazerne-Honthorststraat en de voormalige brandweerburcht op de De Ruijterkade. Deze hier op de Prinsengracht, uit 1873, behoort tot de drie oudste ‘hoofdwachten’ van de kersverse Beroepsbrandweer.

Vóór die tijd (sinds 1831) kende Amsterdam een brandweerdienstplicht. Wie werd ingeloot, moest tien jaar klaarstaan voor de stad als pomper of fakkeldrager. Rijke heren kochten hun brandweercorvee af. Ratelwachten gingen bij nacht en ontij de straat op om de brandspuitgasten uit bed te krijgen, maar vaak schitterde de helft door afwezigheid. Het werk was zwaar en gevaarlijk. Alleen het blussen van de ernstigste branden werd beloond met een premie – van maximaal negen cent.

Professionalisering was hoognodig, besloot de gemeenteraad in 1871. Enkele jaren later telde het bezoldigde brandweercorps 144 man, in negen kazernes. De drie hoofdwachten stonden op de Nieuwmarkt (de Waag), het Weesperplein (hoek Achtergracht) én op de Prinsengracht bij de Leliegracht.

Hier op nummer 237 was vanaf 1649 het Nieuwezijds Huiszittenhuis gevestigd, het hoofdkwartier van de stedelijke armenzorg ten westen van de Amstel. Ernaast, in het nog intacte lage pand op nummer 235, vonden de voedseluitdelingen plaats. Van het hoofdgebouw bleven de oude indeling en het 17de-eeuwse houtskelet bewaard toen het ingrijpend werd verbouwd tot brandweerkazerne. Desondanks kreeg het gebouw tijdens de inventarisatie in 1960 geen monumentenstatus, omdat panden met gevels uit de 19de eeuw werden genegeerd.

Wegens slechte bereikbaarheid werd in 1979 de brandweerpost op de Prinsengracht opgeheven; de spuitgasten verhuisden naar de Rozengracht. Krakers, georganiseerd in de vereniging Woongenot redden de kazerne van de sloophamer. Zij werden gedoogd en bereikten met de gemenete overeenstemming over verbouwing tot HAT-eenheden. Maar vlak voodat die in 1987 zou beginnen, werd huiszwam geconstaterd. Sloop was nog de enige optie, vonden gemeente en woningbouwvereniging Lieven de Key.

‘Geen Gezwam’, vonden de krakers, die een kort geding aanspanden. Tevergeefs. Bijna alles moest tegen de vlakte, inclusief het oude hoge brandslangenhuis. Maar de karakteristieke gevel mocht uiteindelijk gelukkig blijven staan, en ook de tuinmuur en de scheepshouten plafondbalken hebben het overleefd. En ook de (tijdelijk uitgeplaatste) krakers mochten terugkomen: weer onder dak en uit de brand.

Tekst: Rachida Azough
Foto: Martin Alberts/Stadsarchief
April 2005