Dat is wel eens anders geweest. In 1989 omschreef Willem Ellenbroek in de Volkskrant het etablissement nog als “een wegschimmelend prinsessenpaleis dat wachtte om wakker gekust te worden.” Dat wakker kussen is gelukt, gezien de drukte op het terras, al weet daar bijna niemand dat ‘het Filmmuseum’ eigenlijk ‘Het Vondelparkpaviljoen’ heet.

Nadat het Vondelpark in 1865 werd geopend verrees binnen een jaar bij de ingang nabij de kerk van het Heilige Hart van Jezus een houten uitspanning in Zwitserse chaletstijl. Al in 1876 eiste het bestuur van het Vondelpark dat het werd vervangen door een stenen exemplaar, het Vondelpark waardig.

Architect W. Hamer (1841-1913) legde in 1881 de laatste hand aan het Vondelparkpaviljoen, met een on-Hollandse allure. Boven op de gevel, die doet denken aan de Italiaanse renaissance, houden de vrucht- en tuingodin Pomona, en Flora, de godin van de bloemen en de lente, het schild Vondelpark met het stadswapen van Amsterdam vast.

De handwerklieden die het houten paviljoen bezochten, kwamen allengs minder. Het hoge terras werd ingenomen door de gegoede burgerij die toekeek hoe het gepeupel beneden in de modder door het park trok. In 1924 liet de uitbater de middelste terrastrap slopen en de entree liet hij verplaatsen van het terras naar het souterrain.

Nadat de Duitse bezetters het pand naar de mallemoer hadden geholpen, kwam in september 1945 apotheker, uitgever en toneelschrijver Herman van den Eerenbeemt met het voorstel er een centrum te vestigen van “intellectueel vertier”. Met de komst van dat Internationaal Cultureel Centrum (ICC) was er eindelijk weer wat te doen. Op het terras werden modeshows gehouden van de Parijse modekoningin Nina Ricci, Thomas Mann werd geïnterviewd in de Fransche Zaal, in de caveau lachte het publiek om politieke poppenkast De Lachende Spinnekop.

Sociëteiten als De Koepel en De Kring beschouwden het ICC in het begin als een concurrent, maar veel kunstenaars vonden het ICC te keurig. Er kwamen voornamelijk zakenlieden en politici, zodat uiteindelijk de zakenpartijtjes de kunst verdrongen en het ICC in 1971 werd opgeheven. Daarna vestigde het Filmmuseum zich er stukje bij beetje. Van 1975 tot 1982 werd het café en terras gebruikt door kunstenaarssociëteit Kiekeboe, dat vaak overhoop lag met de Filmmuseum-directeur.

De onmin verdween toen in 1989 uitgever Bas Lubberhuizen (eigenaar van café Welling) aantrad als uitbater van het café/restaurant, dat sindsdien Vertigo is gedoopt. Op eerste paasdag opende Lubberhuizen het terras, waar daarna geregeld nieuwe elementen aan zijn toegevoegd. Zo kreeg het benedenterras onder de kastanje grote kroonluchters, die als oorbellen in de boom hangen.

Tekst: Rachida Azough
Foto: Stadsarchief Amsterdam
Juli-Augustus 2006