Bezorgde plantage-eigenaren en voormalige slavenhouders verenigden zich in 1876 in Amsterdam in een ‘Vereeniging voor Suriname’, gericht op ‘de bevordering der zedelijke en stoffelijke belangen van de Kolonie’. Ze richten zich in de kranten tot het publiek over ‘het diep verval der kolonie Suriname, de dringende behoefte aan haar opbeuring en herstel’.

De oprichters zagen de zaken heel somber in. De toestand in Suriname is ‘hopeloos’, schrijven zij, ‘de Joden-savanne is goeddeels verlaten, slechts een 600tal Indianen bevindt zich nog in de kolonie; ze zijn door oorlogen en jenever tot het laagste peil der verdierlijking gedaald. (...) Thans is alles dood en stil…’ De regering moet ingrijpen: ‘Helpt ons, of wij verdrinken, de kolonie gaat verloren.’

Strijdbare lobby

In het Koninkrijk der Nederlanden was slavernij in Oost en West tot ver in de 19de eeuw een ‘dynamisch bestanddeel’ van de economie geweest, maar het werd duidelijk dat het systeem op den duur onhoudbaar was. De slavenhandel was in 1814 al verboden; in Britse koloniën was de slavernij afgeschaft in 1834, in de Franse in 1848. Vanaf de jaren veertig debatteerde het parlement geregeld over de afschaffing en de manier waarop dat kon gebeuren.

De volksvertegenwoordigers konden het echter niet eens worden over de schadevergoeding die de eigenaren zouden moeten krijgen voor het verlies van hun eigendom. De overheidsfinanciën waren bovendien in zo’n slechte staat, dat de afschaffing feitelijk onmogelijk was: er was domweg te weinig geld in kas.

Amsterdamse plantagehouders en investeerders vormden een strijdbare lobby voor compensatie, met de plantage-eigenaar Gijsbert Bosch Reitz als een van de meest prominente stemmen. Hij was al in 1848 een van de opstellers van een brief gericht tegen de voorgenomen afschaffing. De ondertekenaars wezen de regering er op dat zij niet zelf ‘op roof en moord tegen de negerbevolkingen van Afrika uitgetooge’ waren, maar dat dat nou eenmaal een door de staat gesanctioneerde praktijk was geweest. De huidige eigenaren hadden gewoon betaald voor het bezit van hun slaven. De tot slaaf gemaakte was een persoon en er waren regels gesteld aan zijn behandeling, maar hij bleef wettelijk gezien ‘eene zaak, eene bezitting’.

In 1853 kreeg Bosch Reitz een stoel in de ‘Staatscommissie voor de Slavenemancipatie’. De Amsterdammers hadden daardoor een grote stem in het wetsvoorstel over de afschaffing, dat uiteindelijk zou worden aangenomen. In 1862 werd dat voorstel wet: de compensatie werd toegezegd, er werd bepaald dat vrijgemaakte slaven nog tien jaar verplicht een arbeidscontract zouden moeten aangaan – het ‘Staatstoezicht’ – en er werd geld gereserveerd voor het aantrekken van contractarbeiders.

9.864.360 gulden

Op 1 juli 1863 kregen 34,8 duizend tot slaaf gemaakten in Suriname en 11,8 duizend slaven op de Caribische eilanden hun vrijheid. De eigenaren ontvingen 300 gulden compensatie ‘per stuks slaven’ in Suriname, en 200 op de Antillen. Toen de Rekenkamer een jaar later de balans opmaakte bleek het totaalbedrag aan compensatie te zijn uitgekomen op 9.864.360 gulden, zo’n tien procent van de nationale begroting. Gijsbert Bosch Reitz en zijn vrouw Geertruida Kuvel streken 185.000 gulden op voor een bezit van 628 slaven op vijf plantages. De bankier Insinger & Co kreeg compensatie voor 1200 slaven op drie plantages.

Omdat de afschaffing zo lang ‘boven de markt’ had gehangen zat de plantage-economie en de handel in de plantageaandelen al jaren in het slop. In Suriname verslechterden de omstandigheden snel, maar de grotere investeerders en fondsen hadden de afschaffing afgewacht, om door de compensatie toch een positief resultaat te kunnen boeken.

Volgens onderzoekster Dineke Hondius werden de aandelen in plantages soms ‘gedumpt’, of cadeau gedaan en daardoor waren aandelen en stukjes van aandelen ‘gaan zwerven door de samenleving’. Zo ontving onderwijzer Daniel Coronel in de Kerkstraat compensatie voor een aandeel in elf slaven. Susanne Lingaeman, Keizersgracht 425, bezat 5/24ste aandeel in de plantage Adrichem, en Pauline Berg van Middelburgh kreeg compensatie voor 3/270ste aandeel in de plantage Meerzorg.

Dit waren heel gewone Amsterdammers; als zij een klontje suiker in hun koffie deden zullen ze zich wellicht niet direct betrokken hebben gevoeld bij de slavenarbeid waar die producten direct op terug te voeren waren.

Waarschuwende stem

In de aanloop naar de Emancipatie maakten veel ondernemers en politici zich zorgen over wat er daarna zou gebeuren. Na de afschaffing van de slavernij in de Britse koloniën hadden veel vrijgemaakte slaven de plantages verlaten, en de economie had er zware schade opgelopen. In Suriname was de spanning voelbaar. Guillaume Bosch Reitz, de zoon van Gijsbert, richtte zich in 1862 in een open brief aan de politici in Den Haag, onder de titel ‘Een waarschuwende stem uit Suriname'.

Emancipatie ‘zonder voorbereiding of toezicht’ zou aanleiding kunnen geven tot ‘de verschrikkelijkste tonelen van brandstichting, moord en brand, evenals in de Franse West-Indische koloniën plaatsheeft gehad, bij de overhaaste emancipatie in 1848’. In 1862 berichtte een anonieme schrijver over een noodlottig verlopen expeditie van Nederlandse militairen om ‘wegloopers’ op te sporen. Er waren doden gevallen. ‘Nu heeft de vrees aller harten bekroopen. (…) wat zal van de emancipatie der slaven worden, nu de goede geest, die algemeen geheerscht heeft, verflaauwd is, en, hier en daar een dreigend aanzien heeft verkregen?’

De Emancipatie liep echter niet uit op de gewelddadig chaos waar Bosch Reitz c.s. zo bang voor waren geweest. De kalmte werd vooral toegeschreven aan de kerkgenootschappen die onder de slaven actief waren, de Rooms-Katholieken en de Evangelische Broedergemeente. In 1873 zette de laatste met trots in de krant: ‘Dat in het zoo moeielijk tijdsgewricht van 1863 nergens in Suriname de rust verstoord werd, is te danken aan de volhardende pogingen der Zendelingen van de Evangelische Broedergemeente, aan liefderijke zielszorg dier trouwe herders over een talrijke, nog weinig ontwikkelde kudde.’

Karige lonen

In de tienjarige periode van het Staatstoezicht waren vrijgelaten slaven formeel vrije burgers geworden, maar iedereen tussen de vijftien en zestig jaar moest tien jaar lang een arbeidscontract met de planters aangaan. Zo zou de plantage-economie op peil blijven. Een jaar na de afschaffing was echter maar de helft van de vrijgemaakten als plantagearbeider geregistreerd. Ze stonden huiverig tegenover de af te sluiten contracten; ze zagen die terecht als een vorm van dwang. De lonen waren bovendien laag, terwijl ze nu zelf voor voedsel en kleding moesten zorgen, en ook huisvesting en medische voorzieningen waren voortaan voor eigen rekening.

De stagnatie leidde tot toenemende armoede en hogere sterfte. Anton de Kom zette dat later in zijn boek Wij slaven van Suriname in perspectief: ‘De ondergang der kolonie is niet aan de luiheid der slaven, maar aan de hebzucht hunner meesters te wijten! De meeste eigenaars en beheerders vreesden dat met de emancipatie hun hooge winsten en dividenden zouden verdwijnen. Zij begonnen zich te ontdoen van hun bezittingen, die voor ieder redelijk bod aan sloopers verkocht werden. Op de suikerplantages b.v. werd al het aanwezige suikerriet, rijp of onrijp, uit den grond gehaald en afgemalen. Op de koffieplantages rukte men de struiken met wortel en al uit den bodem. Het kapitaal verdween naar het buitenland, zoodat zelfs de karige loonen herhaaldelijk niet uitbetaald konden worden. De eene plantage na de andere werd in een wildernis herschapen en waar nog gewerkt werd, gebeurde dit onder zoodanige voorwaarden, dat dadelijk na het beëindigen van het staatstoezicht de arbeiders in massa's deserteerden.’

Koelietractaat

De heren die de Vereeniging voor Suriname oprichtten riepen de regering op verstandig te investeren en niet zomaar subsidie te verstrekken. Er zou een ‘centraalfabriek van Staatswege’ moeten komen, er moest een immigratiefonds worden geformeerd en nieuwe immigranten moesten worden toegelaten. Het gebrek aan werkkrachten was immers de bottleneck bij het herstel.

Al in 1853 hadden Surinaamse plantagehouders Chinese contractarbeiders naar Suriname laten komen, maar de Nederlandse regering zag weinig in het werven van emigranten als 'indentured labour', een vorm van arbeid die geen slavernij was, maar er wel veel op leek. De immigranten kregen een salaris, maar de eigenaren mochten nog steeds straffen uitdelen aan werknemers die hun productie niet haalden. Wanneer een emigrant meer dan 48 uur van de plantage wegbleef werd hij bestempeld als een ‘deserteur’, en kon hij gevangenisstraf met of zonder gedwongen tewerkstelling krijgen. Bovendien verloor hij het recht op vrije terugreis naar zijn geboorteland.

Toch kwam immigratie van contractarbeiders op gang. Vanaf 1865 regelde de ‘Surinaamsche Immigratie-Maatschappij’ in Amsterdam, dat een kantoor had in Hongkong, de werving en het transport van Chinese werknemers. Op verzoek van de Surinaamse planters besloot de Nederlandse regering om Engeland toestemming te vragen voor de werving van werkkrachten in India. In 1870 kwam het zogenaamde Koelietractaat tot stand: tussen 1873 en 1916 zouden bijna 35.000 emigranten uit India en Java naar Suriname worden verscheept.

Nog was dat niet voldoende, schreef De West-Indiër in augustus 1877. Er waren nog steeds grote tekorten in de suikerindustrie, maar ook in de ‘goudwasscherijen’. ‘Britsch-Indiërs zijn geschikte mijnwerkers; maar die mogen en kunnen wij niet tewerkstellen. (…) Wellicht zouden de duizenden arbeiders, die thans bij de doorgraving van de landengte van Panama gebezigd worden, na het klaar komen van het kanaal, gedeeltelijk voor Suriname kunnen worden aangeworven.’

Goud en bauxiet

Het zou nog decennia duren voor de kolonie weer enigszins tot bloei kwam. De Vereeniging voor Suriname werd kort voor de Eerste Wereldoorlog opgeheven, door ‘gebrek aan belangstelling in verband met den treurigen economischen toestand’. Men vreesde dat de kolonie ten prooi zou vallen aan ‘de kapitalisten van de Vereenigde Staten van Noord- Amerika’, die zich begaven in de winning van goud en bauxiet en de aanplant van katoen.

Bij het opheffen van de Vereeniging sprak het bestuur zich daar nog eenmaal tegen uit: ‘Het is echter voor Nederland van belang dat Nederlandsch Guyana met een Nederlandsch sprekende en naar Nederland georienteerde bevolking, met Nederlandsche wetgeving en Nederlandsch bestuur, ook Nederlandsch blijve. Dat blijft voor Nederland niet alleen eene eerezaak, maar zal, mits in goede banen geleid, op den duur (…) zelfs een voordeel voor Nederland's schatkist worden, hoe zonderling dit op 't oogenblik velen in de ooren zal klinken.’

Header: Uitgaan van de Grote Stadskerk van de Evangelische Broedergemeente aan de Steenbakkerijstraat in Paramaribo rond 1900. Julius Muller / Rijksmuseum Amsterdam