Hoewel ze dezelfde functie hadden als hun mannelijke collega’s, kregen ze niet dezelfde taken of materiaal. Vrouwelijke politieagenten mochten lange tijd geen nachtdienst draaien of een vuurwapen dragen. Volgens de leidinggevende, mannelijke collega’s en sommige vrouwelijke collega’s, was het niet gepast om voor een vrouw en (getrouwde) man ’s nachts samen veel tijd door te brengen. Vaak werd gezegd dat het dragen van een vuurwapen voor vrouwen geen noodzaak was. Zoals hoofdagent J. Bruijn zei in een onderzoek naar het functioneren van de vrouw bij de politie in 1973: “Hierop zou ik willen antwoorden dat de noodzaak nergens uit gebleken is, aangezien hun charme het sterkste wapen is wat een vrouw bezit”.

Uit hetzelfde onderzoek – dat ingesteld werd door de Amsterdamse politie – bleek dat de negatieve verwachtingen rondom vrouwen bij de politie, niet uitkwamen. Het tegenovergestelde bleek zelfs waar te zijn. Een vrouw zorgde voor een betere werksfeer bij de politie en daarnaast was een vrouw beter in het sussen van ruzies en opstandjes dan haar mannelijke collega’s. Na hun intrede in 1955 heeft het nog een lange tijd geduurd om dezelfde mogelijkheden te krijgen als de mannelijke politieagent. Een van de personen die hier zich hard voor maakte en zorgde voor meer vrouwen bij de politie, was Tetje de Jong.

Lees in het artikel 'Tante agent, 50 jaar vrouwen bij de Amsterdamse politie' meer over het verhaal van de eerste vrouwelijke politiecommissaris Tetje de Jong.

Beeld: Agentes in opleiding tijdens een sportles. Wim van Rossem, 16 mei 1955. Nationaal archief

Beeld Header: Politieagente op Stationsplein in actie, 17 januari 1955. Stadsarchief