Iedere keer als ik in Paradiso een concert bijwoon, moet ik denken aan mijn ouders. Zij lieten in 1941 hun huwelijk inhuldigen in dit kerkgebouw door de voorganger van de Vrije Gemeente. Niet dat mijn ouders religieus waren. Maar de vader van de bruid was een selfmade man, die zich van zoon van een KNIL-sergeant had opgewerkt tot een deftige bankier. Hij wilde niet dat de huwelijksdag van zijn enige kind een volledig areligieus karakter zou dragen. Wie 'niets' was op kerkelijk gebied werd in zijn kringen met argwaan bekeken - dan was je een vrijdenker of een 'rooje'. Hij maakte een goede keus: de Vrije Gemeente was een non-kerk voor nette mensen, die de gemeenteleden tot niets anders verplichtte dan de verenigingscontributie.
Sporen van de oorspronkelijke functie van het uit 1880 daterende gebouw zijn in Paradiso nog volop aanwezig: het in steen gebeitelde 'De Vrije Gemeente' boven de ingang, achter in de grote zaal de gedenksteen voor de eerste voorganger, Petrus Hermannus (Herman) Hugenholtz jr. en achter de bar de gedenksteen voor H.G. van Wijngaarden, voorganger na de Eerste Wereldoorlog. Het leuke uitstulpinkje aan het eerste balkon - begeerde plaats bij concerten - was de plek van de koordirigent.
Boven het podium staat nog in steen: Soli deo gloria - God alleen de eer. Maar die spreuk is pas uit 1906, toen het streven van de Vrije Gemeente naar een radicaal nieuw religieus leven in Nederland niet geslaagd leek en het raadzaam leek deels terug te keren naar meer traditionele vormen van protestantisme. De oprichting destijds in 1877 als een vrijzinnige afsplitsing van de Nederlandse Hervormde Kerk was een sensatie geweest in het toen grotendeels nog kerkelijke Amsterdam. Maar de moderne tijd, waarin dominees in de grote stad veel van hun maatschappelijk prestige verloren, haalde de Vrije Gemeente razendsnel in.

Breuk

De twee Amsterdamse predikanten Reinhard (1821-1889) en zijn jongere broer Herman Hugenholtz (1834-1911) hadden de Nederlandse Hervormde Kerk verlaten, omdat zij de sfeer niet langer te harden vonden. Hun nieuwe Vrije Gemeente brak met kerkelijke conventies als belijdenis, avondmaal en geloof in wonderen. De moderne religie zou voortaan op zondagochtend behalve voor de protestants-christelijke traditie ook open staan voor de schoonheid van kunst en literatuur, ja zelfs voor niet-christelijke religieuze elementen, zoals het boeddhisme. Er kwamen ook lezingen en discussies over maatschappelijk onderwerpen - de Vrije Gemeente wilde midden in de snel veranderende wereld staan.
De eerste zondagbijeenkomsten waren in 1878 in een gehuurde feestzaal, Concordia aan de Leidsekade. De knechts moesten voor aanvang de wufte sporen van het bal van de vorige avond opruimen en een zwart doek voor het buffet hangen. De welgestelde aanhang van de gebroeders Hugenholtz ging op zoek naar een eigen gebouw dat - zó vrijzinnig waren ze - geen kerk mocht heten, maar 'gebouw voor samenkomsten'. Hun oog viel op de Weteringschans. Tussen de Leidse- en de Weteringpoort waren de oude, 17de-eeuwse stadswallen afgegraven en de geplande groentemarkt was niet chic genoeg met het oog op het Rijksmuseum, dan in aanbouw. Er moesten villa's komen, maar niemand wilde pal naast de gevangenis wonen. Het gemeentebestuur bood de Vrije Gemeente de drie onverkochte kavels aan tegen de gereduceerde grondprijs voor kerken: f 25,- in plaats van f 46,- per vierkante meter. Een win-winsituatie voor iedereen, ook voor de villabewoners verderop aan de Weteringschans, nu verlost van het zicht op de bajes. Architect Gerlof Salm (hij legde ook eer in met zijn gebouwen voor Artis) kreeg de opdracht.

Geloofsstrijd

Anders dan nu speelden christelijke kerken en religie in het Amsterdam van rond 1870 een grote rol. Godsdienstige meningsverschillen konden heftige debatten teweegbrengen, soms zelfs bittere strijd. Elke zondag gingen honderdduizenden Amsterdammers naar de kerk. Meestal een van de hervormde kerken, waar een heel korps van dominees bij toerbeurt de kansels beklom. Ook arbeiders waren veelal nog kerkelijk. Ze moesten ook wel, want sociale voorzieningen bestonden niet en de staat had de armenzorg bijna geheel aan de kerken uitbesteed. Zonder een diaconie om op terig te vallen, kon ontslag uitlopen op de bedelstaf.
De gebroeders Hugenholtz golden als 'moderne' dominees. De zich stormachtig ontwikkelende wetenschap ging niet aan hen voorbij - vooral de evolutieleer van Darwin maakte diepe indruk. In heel het land kregen predikanten als zij het binnen de Hervormde Kerk aan de stok met orthodoxe dominees, de 'confessionelen'. Die wilden de geloofswaarheden uit de Schrift - "het geloof der vaderen" - tot elke prijs tegen nieuwlichterij verdedigen, terwijl de modernen bovennatuurlijke verschijnselen uit de bijbel, zoals de Schepping in zes dagen of de lichamelijke opstanding van Christus uit de dood, als een stichtelijk verhaal zagen, niet als een 'waarheid'.
In Amsterdam nam deze strijd de vorm aan van een kleine oorlog, nadat in 1870 de ambitieuze jonge predikant Abraham Kuyper was aangetreden. Later zou hij veel hervormden meenemen naar zijn eigen Gereformeerde Kerken in Nederland (en stichtte hij de politieke partij ARP en de Vrije Universiteit), maar toen deed hij nog vooral zijn best om nieuwlichters als de gebroeders Hugenholtz de hervormde kerk uit te pesten. Hij wist zich gesteund door een meerderheid van de gemeenteleden. Arbeiders en andere 'kleine luyden' zagen weinig in moderne dominees, al was het maar omdat die geen waarde hechtten aan Jezus' bloedoffer: de gedachte dat de Heiland door zijn lijden aan het kruis de gelovige, na een moeilijk leven op aarde, kans bood op de eeuwige zaligheid.

Toekomst

Op aanwijzing van Kuyper weigerden ouderlingen moderne dominees te assisteren bij de dienst. Het regende klachten over hun preken bij de synode. Menigmaal bleef de kerk leeg als zij de beurt hadden en soms werd hen op zondag met geweld het woord ontnomen. Na zeven jaar chicanes hadden Reinhard en Herman Hugenholtz er schoon genoeg van. Zij stichtten hun eigen religieuze organisatie, geen kerk ook meer, maar een vereniging. Zij verwachtten dat veel hervormden zouden meekomen, vooral de wat meer welgestelden en hoger opgeleiden, die weinig op hadden met Kuyper en de als benepen ervaren orthodoxie.
De Vrije Gemeente wilde niet zomaar de zoveelste kerkscheuring binnen het Nederlandse calvinisme zijn: de godsdienst van de toekomst was het hogere doel. Een streven dat helemaal paste in de dynamische tijd die Amsterdam net als de rest van Nederland beleefde. De moderne industrie kwam op, de wereldhandel trok aan, nieuwe stadswijken verrezen, techniek en wetenschap schreden voort, prestigeobjecten als het Rijksmuseum en het Concertgebouw stonden stapel. Het was tijd voor een vooruitstrevend geloofsleven, zonder dogma's of leerdwang en open voor alles wat naast de bijbel nog meer aan een innige geloof kon bijdragen: de schoonheid van kunst en literatuur, Oosterse en andere godsdienstige tradities van heinde en ver.
De domper kwam vlug. Slechts zo'n 300 Amsterdamse hervormden gingen in 1877 over naar de Vrije Gemeente. De duizenden uit heel het land waarop men gerekend had, bleken voor de non-kerk van de toekomst nauwelijks warm te lopen. Die bleven plichtmatig hervormd of verruilden de Hervormde Kerk voor de Remonstrantse Broederschap, waar het al sinds 1619 vrijzinniger toeging. De Vrije Gemeente bleef een Amsterdams fenomeen en relatief klein. Het ledental kroop ieder jaar met enkele tientallen omhoog, tot ongeveer 1000 rond 1900. Omdat de Vrije Gemeente zich principieel - de scheiding van kerk en staat! - niet met armenzorg bezighield, bleef zij ook goeddeels een gezelschap van welgestelden.

Modes

Reinhard Hugenholtz kon het niet verkroppen: hij keerde de Vrije Gemeente nog vóór de opening van het eigen gebouw in 1880 de rug toe. Zijn broer Herman Hugenholtz heeft vrijwel tot aan zijn dood in 1911 de geloofsgemeenschap geleid. Hij was een alom bewonderd redenaar en een handige popularisator bovendien, wiens bundels met religieuze teksten uit alle windstreken en eeuwen goed verkochten. Toch moest ook hij met lede ogen aanzien hoe het religieuze leven zich heel anders ontwikkelde dan de hemelbestormers van 1877 zich dat hadden voorgesteld. Het gewone volk nestelde zich massaal in de orthodoxie van Kuyper of in het rijke roomse leven, trouw aan de paus. In de ogen van de Vrije Gemeente kwam dat zo'n beetje neer op vrijwillige gevangenschap.
De samenleving moderniseerde, maar op een manier waar de liberaal ingestelde heren aan de Weteringschans, met hun geloof in harmonieuze vooruitgang, geen affiniteit mee voelden. De arbeidersbeweging lanceerde de klassenstrijd, de beweging van Tachtig zette de literatuur op zijn kop en onder vrijzinnigen volgden religieuze modes en bewegingen elkaar in snel tempo op: vrijdenkerij, spiritisme, theosofie, christensocialisme, Rein Leven, Christian Science enz. enz. "De tijd van kerkje spelen is voorbij", verzuchtte Herman Hugenholtz op het eind van zijn leven. Eén vooruitstrevend wapenfeit moeten we de Vrije Gemeente nageven: vanaf 1897 traden op zondag af en toe vrouwen op als voorganger, lang voordat in 1911 de eerste echte vrouwelijke dominee een Nederlandse kansel beklom.

Beatsociëteit

De Vrije Gemeente verkocht het gebouw in de jaren zestig aan projectontwikkelaars, die hun plannen voor een hotel in 1967 zagen gedwarsboomd door een kraakactie van hippies en provo's. Zij eisten dat er een beatsociëteit in kwam. Het stadsbestuur had daar wel oren naar - zo'n club hield de opstandige jeugd van de straat - en begin 1968 ging de nieuwe gemeentelijke stichting Amsterdamse Vrijetijdscentra het gebouw als Paradiso exploiteren. Intussen liet de Vrije Gemeente van de opbrengst een nieuw onderkomen neerzetten in Buitenveldert, naar een ontwerp van Gerrit Rietveld, dat al na drie jaar moest worden verkocht wegens hoge exploitatiekosten en gering bezoek. De vereniging bestaat nog steeds onder de naam VG Amsterdam en telt zo'n vijftig leden, sinds een jaar weer zonder eigen gebouw.

Beeld: Wim Ruigrok

Maart 2018