Waar de waterstromen van de Oudezijds Voorburgwal en Oudezijds Achterburgwal samenkomen staat een fascinerend middeleeuws ogend gebouw dat beide kades abrupt afsluit. Dat is het huis Vredenburgh. Een van die mooie gebouwen die tijdens de Open Monumentendagen even open gaan voor het publiek. Ooit was het een brouwerij, in de 19de en 20ste eeuw een oudevrouwenhuis en nu wonen er gelegaliseerde krakers, die er onder meer een dans- en theaterstudio hebben ingericht.

De roerige geschiedenis van Vredenburgh begint al meteen met een kleine ‘onregelmatigheid’. Het huis werd gebouwd in 1499 in opdracht van Jacob Andriesz Boelens, pater familias van een van de machtigste regentengeslachten in de stad. In 21 jaar tijd werd hij vijftien keer voor een jaar tot een van de vier regerende burgemeesters gekozen. Toen hij tijdens zijn derde burgemeesterschap dit huis liet neerzetten, werd hij op de vingers getikt: het stond te dicht aan de gracht, niemand kon er meer langs. Hij kwam ervan af met een boete, die voor de helft werd besteed aan de bouw van twee bruggen voor de ‘burgerij’ aansluitend op de Vredenburgersteeg evenwijdig aan de zuidkant van het huis: de huidige Armbrug en Vredenburgerbrug.
Boelens verkocht de brouwerij aan Sybrant Buyck, die haar doorverkocht aan Wessel Lantsinck. Diens dochter Neel trouwde met Cornelis Jacobszoon Bam, aankomend lid van de stadselite, die zo rond 1540 de derde eigenaar werd. Hij werd ook wel Cornelis Jacobsz Brouwer genoemd, want als je brouwer werd, ging je ook al gauw zo heten. Buurman Jan Pietersz Brouwer was dan ook geen familie van hem – maar wel een concurrent.
Deze buurman begon in 1546 te brouwen aan de zuidkant van de Vredenburgersteeg, nu Oudezijds Achterburgwal 4. Maar zijn bier was niet best: keer op keer “verkeerde het in een leelike witte materie.” Raadselachtig, want Cornelis Jacobsz was wél succesvol met hetzelfde graan en water. Er werd een Vlaamse waarzegger bijgehaald, die tegen betaling best de oorzaak wilde uitzoeken. Hij kwam met een conclusie die Jan Pietersz niets verbaasde: zijn brouwketels waren betoverd. En wel door Marie Holleslooten, de irritante peettante van zijn eigen vrouw maar bovendien de moeder van Cornelis Bam! Een rel was geboren. De ziener inde snel zijn geld en ontvluchtte wijselijk de stad, want Marie Holleslooten was nauw verwant aan ongeveer alle families die het op dat moment in Amsterdam voor het zeggen hadden.

Nieuwe schuilkerk?

Maar ook de voorspoed van Cornelis Bam alias Brouwer duurde niet eeuwig. Hij werd weliswaar stinkend rijk en drong door tot de bestuurselite van de stad. Een groep die lang streng katholiek bleef en trouw aan hun landsheer de Spaanse koning Willem II. Maar in 1578 namen de protestantse opstandelingen ook in Amsterdam de macht over en werden de belangrijkste katholieke regenten, onder wie Bam, de stad uitgezet. Hij week met zijn gezin uit naar het Duitse Kalkar. Van daaruit machtigde hij zijn Haarlemse schoondochter om zijn huizen in Amsterdam te verkopen. Een Antwerpse koopman nam de brouwerij over. Maar Jacob werd niet snel vergeten. De huidige Vredenburgersteeg heeft lang Cornelis Jacobsz Brouwerssteeg geheten.
De brouwerij was in feite een complex van vier of vijf onderling verbonden huizen. Nadat het bedrijf ter ziele ging, kwam er onder meer een herberg. En die kreeg eind 17de eeuw de naam Vredenburgh. De herbergier zal niet blij zijn geweest met de internationale faam van het etablissement pal aan de overkant van de Vredenburgsteeg (nu Oudezijds Voorburgwal 1) naast de voormalige brouwerij van Jan Pietersz. Daar zat in de 17de en 18de eeuw herberg Het Grote Wijnvat. In het krap vier meter smalle pand lag een kolossaal wijnvat (doorsnee drie meter) op z’n kant. Als je daar inkroop, vond je in het midden een lange tafel met banken. Een beetje inschikken en er konden 32 drinkers zitten!
Terug naar Vredenburgh. Intussen geen herberg meer, werd het huis in 1725 verkocht aan Ludovicus Reyniers, pastoor van de katholieke schuilkerk Het Hert aan de overkant van de Voorburgwal, beter bekend als Ons’ Lieve Heer op Solder. Die wilde daar een grotere, nieuwe schuilkerk inrichten. Op instigatie van alerte dominees stak het stadsbestuur daar een stokje voor. Maar in 1797 kwam er een eind aan de officiële achterstelling van de katholieken en zo kon in 1829 Vredenburgh alsnog een rooms bolwerkje worden.

Rooms oudevrouwenhuis

Want in dat jaar komt de vrome Theresia Spijker ten tonele. Zij was opgevoed door haar al even godvruchtige oom en tante. Oom Johannes Loohuys was een welvarende winkelier in de Warmoesstraat en wilde een deel van zijn vermogen graag gebruiken voor hulp aan onfortuinlijk geloofsgenoten. Pleegkind Theresia, op haar 35ste nog steeds ongetrouwd, was graag bereid dat project te leiden. Loohuys kocht Vredenburgh. Theresia ging er wonen en nam vier arme en bejaarde katholieke vrouwen in huis om voor te zorgen. Dat experiment ging goed, dus besloot zij de opvang uit te breiden en een formeler karakter te geven. Geld had ze genoeg, want haar eind 1835 gestorven oom had bijna heel zijn kapitaal aan haar nagelaten. Op 22 mei 1836 (Eerste Pinksterdag) ging de instelling officieel open onder de naam Roomsch-Catholyk Burger Oudevrouwenhuis Vredenburgh.
Hoe kleinschalig ook, het tehuis voorzag in een behoefte. Wie te oud was om nog geld te verdienen, niet kon worden opgevangen door de eigen kinderen en ondanks hulp van de ‘bedeling’ evenmin zelfstandig kon blijven wonen, belandde doorgaans in een ‘gesticht’. Wie nergens anders terecht kon, eindigde in het tamelijk beruchte stedelijke Armenhuis alias Werkhuis in de Roetersstraat. Maar de hervormden en lutheranen hadden eigen ‘besjeshuizen’ aan de Amstel en op de Herenmarkt.
Voor katholieke mannen op leeftijd kwam in 1821 het zeer nette tehuis Brentano’ Steun des Ouderdoms tot stand. Maar arme katholieke vrouwen die in eigen sfeer hun laatste jaren wilde slijten moesten het zonder zo’n voorziening doen. Theresia Spijker vulde dus een ‘gat in de markt’. Zij verdiende er niets aan, behalve dan het maatschappelijk aanzien dat aan openlijke liefdadigheid verbonden was en de hoop op een mooi plaatsje in de hemel. Lang heeft Spijker haar werk niet mogen doen. Al in 1839 overleed zij 45 jaar oud. Per testament bepaalde zij dat de door haar benoemde regenten het werk in haar geest moesten voortzetten én uitbreiden. Dat deden zij. Op het hoogtepunt, rond 1870, woonden er 40 vrouwen in het pand.

Paarse jurk en grijze omslagdoek

Eigenlijk bedoelde Spijker haar instituut voor de allerarmsten. Maar haar opvolgers gingen toch inschrijfgeld vragen. Bovendien haalden ze liever geen ziekelijke kandidaat-bewoonsters binnen. Hoewel er veel bespreekbaar was als die extra geld inbrachten, zoals ex-dienstboden van roomse notabelen soms deden. Dat blijkt onder meer uit hun adressen, vaak in de Jordaan of een smalle steeg in de oude binnenstad. Velen waren een leven lang naaister of dienstbode geweest.
Net als in andere liefdadigheidsinstellingen droegen de bewoonsters uniforme gestichtskleding: dat was goedkoop en praktisch, en als bewoonsters zich buiten het tehuis misdroegen, konden ze meteen worden geïdentificeerd. De Vredenburghsters gingen gekleed in een paarse jurk, met een donkergrijze omslagdoek en een wit mutsje bekroond door een zwart hoedje.
Zeker vergeleken met het gemeentelijke Armenhuis hadden ze het niet slecht in Vredenburgh. Twee keer per week kwam er zelfs vlees op tafel. En de knusse kleinschaligheid was veel aangenamer dan de toestand in ‘de Roetersstraat’, waar men zonder enig comfort met honderden tegelijk in grote zalen tegelijk moest werken, eten en slapen. Strikte regels waren er natuurlijk ook in Vredenburgh – dagelijks naar de mis en verplicht huishoudelijk werk, naaien en breien – maar dat gold voor alle gestichten. Boeiend is de bepaling dat de bewoonsters deze mis in de nabije Sint-Nicolaaskerk moesten bijwonen. Die band was kennelijk nauw.
Het zal geen toeval zijn geweest dat architect A.C. Bleys van de Nicolaaskerk in 1890 ook Vredenburgh mocht verbouwen, althans de zijde langs de steeg. De stijl is moeilijk te benoemen. Het doet enigszins denken aan een deftig stadshuis uit de 16de eeuw, maar door de kleine ramen en het torentje opzij heeft het ook iets van een middeleeuwse burcht.
De buurt was er intussen niet op vooruit gegaan. Eind 19de eeuw werd steeds vaker geklaagd over dronken en vechtlustige zeelui, gauwdieven en opdringerige hoeren met namen als Matje Scheefduym en Stien de Strottebijtster. En ook over de ratten. De naam Rottenest (rattennest), eerst bijnaam van het huis Oudezijds Achterburgwal 14, ging al snel over op het hele buurtje. Rond 1900 schreef Justus van Maurik in het Algemeen Handelsblad: “Het geheele Rattenest is als het ware doortrokken van jenever en drank, een vieze rommel, waarvoor de fatsoenlijke werkman den neus ophaalt en waaraan de vrouwen uit het volk ‘de pest’ hebben, omdat het meermalen gebeurt dat een derlui ‘lievertjes’ erin verdwaalt en dan berooid en bestolen thuiskomt.”

Veilig binnen de muren

De verloedering van de buurt (rond 1970 kwam er de drugsellende bij) en het ouderwetse labyrintische interieur maakten in de 20ste eeuw Vredenburgh steeds minder aantrekkelijk, zeker toen na 1960 het ene moderne bejaardenhuis na het andere openging. Na jaren van besluiteloosheid kozen de regenten voor nieuwbouw in De Baarsjes, waar in 1977 Nieuw Vredenburgh werd geopend. Het oude tehuis sloot op Oudejaarsdag 1976 en kwam in handen van de beruchte speculant Ronald van der Putte.
Het complex stond inmiddels bijna drie jaar leeg toen het in 1979 werd gekraakt door studenten en artistiekelingen. Zij knapten het met beperkte middelen grondig op, zodat het geschikt werd voor twee woongroepen en oefenruimte voor dans- en theatergezelschappen. De omwonenden en de buurtagent sympathiseerden. Uiteindelijk wist wethouder Jan Schaefer Vredenburgh samen met een reeks andere panden los te troggelen van de huisjesmelker. Na een ingrijpende nieuwe verbouwing door het Gemeentelijk Woningbedrijf (later opgegaan in corporatie Ymere) mochten de ex-krakers en de studio’s er terugkomen.
Schrijver/vertaler Piet Meeuse (1947) woont er al sinds de kraak in 1979. Vooral de eerste jaren (eindeloos klussen, eindeloos vergaderen) waren slopend en romantisch tegelijk, vertelt hij. Minder aangenaam waren de nachtelijke schreeuwpartijen en angstkreten in de steeg in de jaren tachtig. Ook de ratten waren er toen nog. Uiteindelijk werd de steeg afgesloten. Dat die nu overdag weer open is, vindt hij eigenlijk wel goed, mits ’s avonds de hekken dicht blijven gaan. Want al zijn de junks vrijwel verdwenen, nu zorgen lallende en pissende jonge toeristen voor veel overlast. “Iedere bezoeker denkt: op de Wallen kan je de beest uithangen! Maar in een suffe buitenwijk zou ik niet willen wonen. Het blijft mijn buurtje. En binnen de muren hier ben ik veilig. Het is toch een soort burcht. De muren zijn dik. Binnen hebben we de deuren nooit op slot. We vertrouwen elkaar.”

Literatuur:
Catharina Th. Bakker, Om de erfenis van Theresia Spijker. Een geschiedenis van het roomsch-catholyk burger oudevrouwenhuis Vredenburgh te Amsterdam, uitgave Stichting Vredenburgh, Amsterdam 1998.