Vanaf het moment dat Suriname in 1667 werd veroverd reisden er Surinamers naar Amsterdam. De meeste daarvan kwamen onvrijwillig, als eigendom van Amsterdamse ondernemers, maar er waren uitzonderingen. Op 4 december 1682 bijvoorbeeld tekende Uquerika, ‘generael van de Indianen’ – leider van de Surinaamse Arawakken – twee akten bij een Amsterdamse notaris. Hij was een van de eerste vrije inheemse Surinamers in de stad.

Serieuze immigratie uit het land begon pas in de jaren dertig van de 20ste eeuw. Toen kwamen Surinaamse en Antilliaanse zeelieden, muzikanten, schrijvers, activisten en kunstenaars en studenten in wat grotere getale naar Amsterdam, met Anton de Kom als meest prominente vertegenwoordiger.

In de jaren vijftig namen de aantallen verder toe. Door het Koninkrijkstatuut van 1954 konden inwoners van Suriname en de Antillen voor het eerst vrij naar Nederland reizen. In eerste instantie ging het om studenten die aangetrokken werden door Nederlandse universiteiten en hogescholen. Daarnaast vertrokken honderden jonge vrouwen naar Nederland, waar een groot tekort was aan verpleegsters. Het Wilhelmina Gasthuis en het Luthers Diakonessenhuis ontvingen Surinaamse vrouwen, die er een opleiding tot (kraam)verpleegster volgden.

Vanaf het midden van de jaren vijftig kwamen ook Surinaamse arbeiders naar Nederland, na wervingsacties van bedrijven zoals scheepsbouwer NDSM. Volgens de volkstelling van 1960 woonden er zo’n 2500 Surinamers in de hoofdstad. Deze zeer diverse groep zou in de jaren daarna snel uitgroeien tot een aanzienlijk deel van de stadsbevolking.

Integratieoptimisme

Voor de meeste Nederlanders waren deze gekleurde rijksgenoten een nieuwe ervaring. Veel Amsterdammers bleken nieuwsgierig naar de nieuwkomers, en omgekeerd. Over het geheel genomen lijken de nieuwsgierigheid en gastvrijheid het in de jaren vijftig te winnen van vijandigheid en discriminatie. Vooral in de jaren zestig overheerste wat we ‘integratieoptimisme’ kunnen noemen. Dat zou in de loop van het decennium langzaam maar zeker veranderen, waarbij mannen meer last hadden van racistische opmerkingen en behandeling dan vrouwen.

In 1970 woonden er ruim 42.000 Surinamers en Antillianen in Nederland, van wie een groot deel in Amsterdam. De overheid zag dat als een probleem. Tijdelijke arbeidsmigratie was prima, maar Nederland moest vooral geen immigratieland worden. Het in 1973 aangetreden progressieve kabinet-Den Uyl streefde daarom naar een zo snel mogelijke onafhankelijkheid van Suriname, deels uit een antikoloniale overtuiging maar ook om een exodus voor te zijn.

Veel Surinamers wilden echter niet wachten tot de deur in het slot viel en het gevolg was, enigszins voorspelbaar, precies het omgekeerde van wat het kabinet wilde: een massale uittocht van zo’n 140.000 mensen, bijna de helft van de Surinaamse bevolking.

Doorzonflat in Zuidoost

Waar moesten al deze mensen wonen? Aanvankelijk belandden ze in pensions, met alle uitwassen van dien. Bovendien werden Surinamers gediscrimineerd op de reguliere woningmarkt, waardoor de woningnood van de nieuwkomers nog nijpender werd. Al gauw trokken veel Surinamers naar de flats in de net opgeleverde Bijlmermeer. Die nieuwe stadswijk was eigenlijk bedoeld voor de middenklasse uit het overvolle centrum, maar die bleek honkvaster dan gedacht. Veel Amsterdammers vonden de huren in de Bijlmer te hoog en verkozen een rijtjeshuis in Almere, Purmerend of Lelystad boven een ruime doorzonflat in Zuidoost.

Sommige woningbouwverenigingen zagen de komst van de rijksgenoten als een kans om de leegstand te bestrijden – ze adverteerden zelfs met de leuze ‘Wij discrimineren niet’ – met als gevolg dat de Bijlmer binnen de kortste keren uitgroeide tot een Surinaamse wijk. Het vervolg in de jaren tachtig is bekend: een mix van overbewoning, slecht onderhoud, drugshandel, criminaliteit, aanpassingsproblemen en ontbrekende sociale controle – en dat in een tijd dat de werkloosheid in heel Nederland pijlsnel opliep. De onvermijdelijke sociale problemen werden nog verergerd door het ruimtelijk isolement van de Bijlmer.

Achteraf is het opmerkelijk hoezeer de onverwachte immigratie van Surinamers destijds bij sommigen het schrikbeeld opriep van een niet te integreren groep die een gevaar vormde voor de etnische homogeniteit van het Nederlandse volk. Het negatieve beeld kwam vooral voort uit de grootschalige rellen in Amerikaanse binnensteden midden jaren zestig en werd daarnaast gevoed door koloniale stereotypen.

Ongelukkige timing

De sociale problemen die gepaard gingen met de vestiging van Surinamers hingen vooral samen met de ongelukkige timing, aan het begin van een economische recessie. Maar het schrikbeeld van gettovorming bleek al snel voorbarig. Veel Surinamers wisten de weg omhoog te vinden en vormen nu een niet meer weg te denken onderdeel van de Nederlandse bevolking.

De bevolking van Amsterdam ziet er in 2021 heel anders uit dan in 1980. Meest in het oog springend is de vestiging van nieuwe groepen van buiten de landsgrenzen en de instituties (kerken, moskeeën, verenigingen), winkels en restaurants die zij aan het stedelijke landschap hebben toegevoegd.

In de publieke perceptie en discussie over migratie draait het vooral om Amsterdammers met Marokkaanse, Turkse en Surinaamse en Antilliaanse wortels. Hun aantallen zijn vanaf de jaren zestig spectaculair gegroeid. Met respectievelijk 77.000, 44.000, 64.000 en 12.000 inwoners zijn ze tegenwoordig samen goed voor een kleine kwart van de bevolking. Tellen we daarbij alle andere Amsterdammers met een migratieachtergrond op (degenen die zelf of van wie minimaal één ouder in het buitenland is geboren), dan vormen zij in 2020 met 56 procent een krappe meerderheid in de stad.

Integratie

Onder de Surinamers is integratie in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, maar ook in de politiek, sinds de jaren zeventig alleen maar verder voortgeschreden. Ondanks het racisme, sociale problemen en een sterke segregatie in Zuidoost, slaagden veel Surinamers er in de loop van de jaren negentig in om een betere positie te verwerven. Kinderen doen het beter op school en steeds meer ouders verhuizen naar aantrekkelijker delen van de stad of naar betere wijken in randgemeenten zoals Almere. Hoewel we dit proces ook zien bij Turkse en Marokkaanse Amsterdammers, hadden Surinamers het voordeel dat ze bij aankomst al Nederlands spraken, Nederlands onderwijs hadden genoten en gemiddeld hoger waren opgeleid.

Terwijl het beeld van Turkse en Marokkaanse immigranten en hun kinderen in de afgelopen veertig jaar negatiever is geworden en vanwege de islam sterk religieus gekleurd is, zien we bij nieuwkomers uit Suriname en in iets mindere mate Antillianen eerder het omgekeerde. Waar de kranten in de jaren zeventig en tachtig vol stonden met verhalen over Surinaamse junks, criminaliteit en verloedering van de Bijlmer, worden zij in de loop der tijd meer als Nederlander gezien dan kinderen van voormalige gastarbeiders.

Niet dat racisme op grond van huidskleur is verdwenen, verre van dat, maar daar is een vooralsnog minstens zo hardnekkig stigma bij gekomen, namelijk dat van moslims als de ultieme ander die zich niet zouden willen en kunnen aanpassen aan ‘onze waarden’. Dat ook hun integratie in de praktijk veel sneller verloopt dan verwacht, krijgt daardoor veel minder aandacht.