Wit pleisterwerk, blank hout en een zinken dak dat blinkt in de zon: aan de buitenkant doen de nieuwbouwappartementen van Plantage Muidergracht 107 weinig aan Amsterdam denken. Niets herinnert aan het feit dat Hildo Krop, stadsbeeldhouwer van Amsterdam, hier zijn atelier had. Zelfs niet in dit Hildo Krop-jubileumjaar.

Maar wie tussen de spijlen van de lage poort door tuurt, kijkt recht de geschiedenis in: de binnenplaats uit Krops tijd is er nog altijd, net als de uit 1875 stammende houten loods voor de trampaarden van de voormalige Amsterdamsche Omnibus Maatschappij (AOM) – een tikje verwaarloosd, dat wel. Rechts staat óók nog de stenen loods waar ooit zieke paarden werden verzorgd en een ijshandel gevestigd zat, en waar Krop vanaf midden jaren twintig van de vorige eeuw zijn beelden stond uit te bikken.

Het atelier is tijdig tot gemeentelijk monument verklaard en zo gered van de sloop, in tegenstelling tot zijn vroegere woonhuis op deze plek en de kleine aanbouw die hij aanvankelijk als werkplaats gebruikte. Het atelier is nu in gebruik door schilder/beeldhouwer Mieke Kleinendorst. In de documentaire Hildo Krop – beeld van een kunstenaar (2018) haalt ze ter plekke herinneringen op met Henk Oddens, de laatste assistent van Krop: daar en daar stond-ie te werken, bij de ramen, duidelijk te zien op een oude foto. Ook toont ze het reliëf van een gezicht dat Krop ogenschijnlijk terloops, tussen de bedrijven door, in een bakstenen muur bijtelde: “Hij was echt een geweldige hakker, die Krop.”

Jopiehol

Vijftig jaar geleden overleed Krop (1884) op 20 augustus aan een hartaanval, in het atelier op de binnenplaats. Hij bleef werken tot het einde, ook al mocht hij vanaf zijn 75ste eigenlijk niet meer van zijn huisarts. Zijn productie was onwaarschijnlijk groot: vanaf 1914 tot aan zijn dood maakte hij ruim vierhonderd beelden en reliëfs op bruggen, scholen en openbare gebouwen in Amsterdam, waarmee hij een flinke stempel heeft gedrukt op het aangezicht van de stad.

Zijn beelden vind je overal. Bij kleuterschool De Boterbloem in Noord, op de spoorbrug bij de Spaarndammerstraat, aan de zijkant van het Marnixbad, midden in het AMC en boven op een urinoir aan de Oudezijds Voorburgwal, om maar iets te noemen. Ze staan vooral in de nieuwe stadswijken uit de jaren twintig en dertig, Amsterdam Zuid en de Rivierenbuurt – het bekende Plan Zuid van Berlage. Diens standbeeld op het Victorieplein is, hoe kan het ook anders, van de hand van Krop. Zoveel werk van één kunstenaar in de stad, hoe is dat zo gekomen?

Bakkerszoon Krop, geboren in Steenwijk, vestigde zich na tal van omzwervingen en baantjes in 1912 voorgoed in Amsterdam als meubelontwerper en -maker. Opdrachten bleven in het begin uit, dus ging hij aan de slag bij de meubelfabriek van Willem Gieben, waar hij leerde houtsnijden. Hij kwam in die tijd regelmatig in het zogeheten Jopiehol, het huis van bohémien-dichter Jopie Breemer aan de Leidsegracht, een ontmoetingsplaats van kunstenaars, wetenschappers en schrijvers. Ook architect Piet Kramer kwam daar dikwijls. Kramer vroeg hem een gevelsteen te ontwerpen voor zijn gebouw van de Bond voor Minder Marine-Personeel (de ‘Matrozenbond’) in Den Helder: een keerpunt in Krops leven.

Gemeentebaan

Ook zijn tweede opdracht dankte Krop aan Kramer. Als assistent van architect Hendrik van den Eijnde, die met het beeldhouwwerk aan het Scheepvaarthuis (nu Amrâth Hotel) was belast, mocht hij onder meer een aantal portretten van grote zeevaarders uitbeitelen. Ondertussen ontmoette hij zijn vrouw, Mien Sleef, op een liederenavond van een amateurzanggezelschap. Mien was de dochter van de vooraanstaande SDAP’er Jan Willem Sleef, typograaf bij de drukkerij van Het Volk. Zij was zo socialistisch als een tomaat, fel en fanatiek ook, veel meer dan Krop, die zachter en goedaardiger was, al kon hij zeer boos worden. Zijn werk kwam sterk in het teken te staan van het socialistische gedachtegoed. Vanaf 1920 woonde het stel, met hun twee kinderen (een derde stierf op zeer jonge leeftijd), naast de werkplaats aan de Plantage Muidergracht.

Nu hij de zorg voor een gezin had, ging Krop op zoek naar een vaste bron van inkomen. Op advies van Kramer vroeg hij de directeur van Publieke Werken Andries Bos om een gesprek. Bos was een voorstander van de nieuwe bouwstijl – zie het Scheepvaarthuis – die een eenheid van architectuur en beeldende kunst nastreefde. Hij mocht van het gemeentebestuur in 1916 Krop voor een bescheiden salaris parttime in dienst nemen. Zo werd Krop voor de rest van zijn leven stadsbeeldhouwer van Amsterdam, al kreeg hij deze (ere)titel pas officieel in 1956.

Zeedieren

Nadat Kramer een vaste aanstelling had gekregen bij de afdeling Bruggen van de gemeente, zou Krop vele sculpturen maken voor de bruggen die Kramer ontwierp. Hij werkte graag samen met Krop, omdat die zijn beelden afstemde op het grotere geheel van de brug. Dankzij de Woningwet van 1901 hadden gemeenten en woningbouwverenigingen voldoende geld om wat ze bouwden ook kunstzinnig te verfraaien – een sterke wens van de socialisten, die op veel plekken voor het eerst aan de macht waren en vonden dat arbeiders ook trots moesten kunnen zijn op hun huis en buurt. De bruggen in de Leidsestraat uit 1916 zijn er een goed voorbeeld van. Krop ontwierp twaalf fabeldieren voor de afdekplaten van de drie bruggen, waarvoor Johan Polet het hakwerk deed. Net zo’n liggend fabeldier is te zien op de brug over het Amstelkanaal aan de Amsteldijk.

Krop beeldde voor de bruggen graag zeedieren uit, zoals robben, zeeleeuwen en vissen of vogels, een zeearend bijvoorbeeld. Hij keek daarvoor graag naar de levende voorbeelden in Artis, waar hij immers om de hoek woonde. In de eerste jaren maakte hij ook opvallend veel faunen en andere mythologische wezens, geïnspireerd door het epische gedicht Pan (1912) van medesocialist Herman Gorter. De dichter schetste daarin zijn utopische visie op een wereld na de revolutie: de eenwording van de gehele mensheid met de natuur, een kosmische eenheid die verbroken was door het kapitalisme. Later kregen zijn beelden meer trekjes van het Russisch realisme, met veel heroïsch ogende figuren met kaalgeschoren koppen (zoals Krop zelf ook had). Wat hij maakte, was nooit zomaar decoratief, maar diende als geestelijk voedsel voor de arbeiders: het individu dienstbaar aan de gemeenschap en het vrijheidsstreven van de arbeiders herkenbaar in symbolen.

Monopolie

De eerste echt grote opdracht van de gemeente was het ontwerpen van versieringen voor het gebouw van de gemeentelijke telefoondienst op Herengracht 295, waarvan nu alleen nog de achterkant aan het Singel intact is. Hij beeldde boeren, mijnwerkers en bouwvakkers uit, die staan voor moderne handel, scheepvaart, landbouw en industrie. Springende gazelles geven de snelheid van de telefoon weer en wapenschilden symboliseren steden die door telefoonkabels met elkaar verbonden zijn.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Krops dienstverband bij de gemeente stopgezet (hij weigerde lid te worden van de Kultuurkamer en was actief in het verzet), maar de rest van zijn carrière had hij in feite het monopolie op beelden in de openbare ruimte. Dat zorgde voor veel onvrede onder jonge, pas afgestudeerde beeldhouwers, die zelf onmogelijk aan opdrachten konden komen. Krop wist zijn positie te handhaven door hen te betrekken in opdrachten. Zo werkten John Rädecker en Joseph Mendes da Costa mee aan de beelden voor de nieuwe stadhuisvleugel en werden zij, samen met Lambertus Zijl, ingeschakeld voor de Wereldtentoonstelling van 1925 in Parijs.

Aan de Kinderbrug over de Boerenwetering tussen het Muzenplein en de Churchilllaan werkten zelfs negen collega’s mee. Rondom staan granieten sculpturen, waarvan onder meer de belangrijkste van Krops hand is: een steigerend paard met tussen de poten een meisje, getiteld De onbevangenheid der mensen tegenover het leven– zijn populairste beeld op Instagram.

Miljonair

Honderden beelden maakte Krop voor de stad. Het blijft een raadsel waarom hij niet bekender is bij het grote publiek. En ook waarom Amsterdam zich niet veel meer profileert als Hildo Krop-stad. Hij is immers “de Gaudi van Amsterdam”, zoals Mieke Kleinendorst hem noemt. Weinig scholieren van het Amsterdams Lyceum zullen weten wie hij is, ook al fietsen ze iedere dag langs vier grote beelden van Krop op de brug voor de school.

Hoe komt dat? Is het omdat hij ‘slechts’ ambtenaar was, met een parttime inkomen, geen duurbetaalde kunstenaar? Zijn het de vernietigende woorden van Gerard Reve die nog altijd na-ebben? In Moeder en zoon (1980) haalt hij herinneringen op aan zijn schooltijd in Betondorp: “De school heette Rozenburgschool, was gelegen aan het Zuivelplein, en was de rechts buitenste van een zeer dreigend, in de art deco stijl van de twintiger jaren opgetrokken, vestingachtig kompleks van drie scholen, versierd, indien men het zo mag noemen, met de verschrikkelijke beelden van de communistische banketbakker, later ‘stadsbeeldhouwer’, Hildo Krop.”

Wat Krop precies verdiende met al zijn gemeenteopdrachten is overigens een beetje een mysterie, een dat hijzelf graag in stand hield. Zo kwam ooit de beeldhouwer Ossip Zadkine bij hem op bezoek. Na een urenlange rondleiding langs zijn beelden in de stad zou die uitgeroepen hebben: “Nom de Dieu, tu dois être millionaire!” (Lieve hemel, jij moet miljonair zijn!) Waarop Krop antwoordde: “Niets is minder waar.”

Kleinzoon Hildo Krop jr. kan er wel om lachen in Hildo Krop – beeld van een kunstenaar. In de tuin van zijn opa’s vroegere zomerhuis in Schoorl vertelt hij: “Volgens mij was hij best wel miljonair. Maar als rechtgeaarde socialist heeft hij zijn geld grotendeels aan goede doelen nagelaten, voornamelijk aan de Nederlandse Hartstichting, want hij was hartpatiënt.” De socialist Krop was uiteindelijk dus ook wel grootverdiener, zij het altijd in dienst van de gemeenschap.

ARJAN REINDERS IS JOURNALIST EN TEKENAAR.

VOOR EEN OVERZICHT VAN KROPS WERK: TIMSWINGS.NL/HILDOKROP/OEUVRE-CATALOGUS. IN STEENWIJK IS HET HILDO KROP MUSEUM.

HILDO KROP – BEELD VAN EEN KUNSTENAAR, REGIE: RICARDO ALVAREZ, PRODUCTIE: JOOST SCHRICKX / STICHTING PELICULA.

Septembernummer 2020

​​​