Aan leerling-vroedvrouwen werden aan het einde van de 19de eeuw stevige eisen gesteld. Ze moesten tussen de twintig en dertig jaar oud zijn, ‘behoorlijk lager onderwijs hebben genoten’, beschikken over een goede gezondheid en niet lijden aan een voor de uitoefening van het beroep van vroedvrouw hinderlijk lichaamsgebrek.

Maar bovenal moesten ze ‘van onbesproken zedelijk gedrag’ zijn. Bij het toelatingsexamen moest de kandidate daarvan aan de geneeskundige inspecteur een bewijs overleggen, afgegeven door de burgemeester van haar woonplaats. Voor Louisa Cramer was dat geen probleem. Zij was sinds 9 augustus 1888 keurig getrouwd met de kleermaker Abraham Filarski, met wie ze drie dochters kreeg.

Werd Louisa beoordeeld op het gedrag van haar moeder? Jacoba Margaretha van Dijk, ook vroedvrouw en getrouwd met Arnold Cramer, was op 15 februari 1891 voorgeleid bij de Arrondissementsrechtbank van Amsterdam. De beschuldiging luidde dat zij in de woning van ‘kaartlegster’ Aaltje Nooteboom op 9 februari bij de 31-jarige ongehuwde dienstbode Cornelia Bouman ‘opzettelijk de afdrijving der vrucht heeft veroorzaakt, door (…) een bougie of katheter in den uterus van genoemde vrouw in te brengen (…) ten gevolge van welke handeling Cornelia Bouman (…) enige dagen later is bevallen van een vrucht van enige maanden’.

Een abortus dus. De officier eiste een veroordeling tot een celstraf van drie jaar, en ontzegging van het recht om het beroep van vroedvrouw uit te oefenen. Haar compagnon Aaltje Nooteboom had haar woning beschikbaar gesteld en zag een eis van twee jaar gevangenisstraf geformuleerd.

Op de zitting bleek echter dat de getuigen-deskundigen, G.H. van der Mey, hoogleraar in Amsterdam en W. Hesselink, huisarts, het niet met elkaar eens waren en dat het onderzoek niet volledig was uitgevoerd. Op de tweede zitting was de conclusie dat ‘bewijs van schuld’ niet kon worden vastgesteld. Zowel de vroedvrouw als haar handlangster werden vrijgesproken en de in beslag genomen bougie moest worden teruggegeven.

De vreugde over de vrijspraak was van korte duur, want het Openbaar Ministerie ging in hoger beroep. Door het Gerechtshof werd Jacoba van Dijk in juli 1897 alsnog veroordeeld, niet voor de abortus, want die kon niet bewezen worden, maar wel wegens ‘het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’. Ze kreeg voor haar ‘kwade praktijken’ acht maanden cel en werd voor vijf jaar uit haar beroep gezet. Jacoba ging nog in cassatie, maar dat werd verworpen.

Voor de heren van de Beheerscommissie van de Rijksweekschool had de zaak tegen de moeder consequenties voor de dochter: zij vonden dat Louisa niet meer van onbesproken gedrag was en dus niet geschikt voor het ambt van vroedvrouw. Mogelijk was vrees voor de reputatie van de Kweekschool reden om haar te schorsen.

In die periode zat ook de doopsgezinde boerendochter Fokje Pasma op de Kweekschool in Amsterdam. Zij was de grote liefde van Pieter Jelles Troelstra, die ze in 1881 had leren kennen. Troelstra was toen nog een gymnasiast die graag gedichten schreef, nog niet de strijdbare advocaat en socialistenleider. Zijn familie had bezwaar tegen hun verkering; ze wilden een echtgenote met meer standing en geld. 

Fokje Pasma raakte daarop zwanger van de vervenerszoon Hendrik van Dam en trouwde met hem op 9 april 1885. Ze kregen twee dochters, Anna en Aukje, en een zoon, Uilke. Het huwelijk was een drama. Hendrik bleek een alcoholist die zijn vrouw opsloot en bedreigde. Hij vertrok naar de Verenigde Staten; Troelstra hielp Fokje met de echtscheiding.

Fokje moest nu zelf voor haar inkomen zorgen. Voortvarend besloot ze vroedvrouw te worden. Ze ging een professionele opleiding volgen op de Gemeentelijke Kweekschool voor Vroedvrouwen in Groningen. In 1892 zakte ze voor het landelijk examen. Ze had twee jaar lessen gevolgd in Groningen, maar realiseerde zich dat die opleiding tekortschoot; er waren amper Groningse kandidaten die voor het examen slaagden.

Fokje verhuisde daarop naar Amsterdam. Daar was de verloskundeopleiding juist flink verzwaard. Ten opzichte van de Groninger opleiding moest Fokje een enorme inhaalslag maken. Na een jaar zakte ze opnieuw. Het was niet vanzelfsprekend dat ze nog een keer examen mocht doen.

Geïnspireerd door Troelstra verzamelde ze medeleerlingen die ook afgewezen waren. Troelstra wees haar de weg naar een pleitnota: mede namens haar medeleerlingen schreef Fokje een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken – toen verantwoordelijk voor het hoger onderwijs. Dat blijkt uit de notulen van de Beheerscommissie van de Kweekschool, onder voorzitterschap van hoogleraar heelkunde J.W.R. Tilanus.

Pasma was aanvoerster van een groepje van vijf. Ze wendden zich tot de minister met de vraag of ze nog een jaar de lessen mochten volgen en nogmaals examen mochten doen. Na een briefwisseling met het ministerie werden vier van hen – Fokje Pasma, Martha Luigies, T. Simons en Grietje Jacobson – opnieuw tot het derde studiejaar toegelaten.

Bij mijn onderzoek naar het leven van Fokje zocht ik naar die pleitnota. In de jaarverslagen van het Geneeskundig Staatstoezicht op de Volksgezondheid werd telkens een overzicht gegeven van de toegelaten en afgewezen kandidaten, maar de nota van Fokje trof ik daar niet aan. Wél aanwezig was de correspondentie tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken en het Comité van Toezicht en Beheer over de schorsing van Louisa Cramer.

Op 23 september 1893, net voor het begin van de cursus, komt haar verzoek binnen om, ondanks de schorsing, de lessen te mogen bijwonen. Het werd een zaak voor de Commissie van Toezicht en het ministerie. Het kostte tijd, er werden de nodige brieven gewisseld, maar op 2 november 1893 deelde de voorzitter van de Commissie aan het ministerie mee dat de behandeling van juffrouw Cramer werd afgekeurd: ze moest tot de lessen worden toegelaten. Op 3 juli 1896 deed ze examen; in de Nederlandsche Staatscourant van 12 augustus 1896 wordt Louisa Filarski geb. Cramer opgenomen in de lijst van geslaagden aan de Rijkskweekschool van Amsterdam.

Fokje Pasma had haar diploma toen al behaald. Ze trouwde in 1895 met de 23-jarige notarisklerk Abraham Brevet, een rustige en stabiele man, met wie ze zestig jaar samen zou blijven. Ze werd gemeentevroedvrouw in Oostburg en Vlissingen en is 91 jaar geworden.

Louisa Filarski-Cramer bleef in Amsterdam; in de jaren twintig was ze daar nog actief als verloskundige. De Rijksweekschool bestaat nog en heet nu Academie Verloskunde Amsterdam Groningen.

BERTUS MULDER IS DE AUTEUR VAN FOKJE PASMA (1865-1956). BOERIN, VROEDVROUW, MUZE VAN PIETER JELLES TROELSTRA (2022).