In het begin van de Gouden Eeuw barstte Amsterdam uit zijn voegen. De economische groei trok veel nieuwe bewoners aan. De stad werd gedwongen zijn grenzen op te rekken, zodat de grachtengordel werd aangelegd. Rijke kooplieden vonden er onderdak in royale panden. Humanistisch gedachtegoed dat ervan uitging dat licht en lucht een steentje bijdroegen aan de leefbaarheid van de stad, resulteerde in zeer ruim bemeten grachtentuinen die volgens gemeentelijke keuren in huizen en tuinen. onbebouwd moesten blijven. Licht en lucht hadden voortaan vrij spel.

In de 17de en 18de eeuw werd het allengs een modeverschijnsel onder de vermogende bewoners van de nieuwe grachtengordel om hun tuin af te sluiten met een tuinhuis over de volle breedte. Tegen zulke, toch relatief bescheiden optrekjes in de binnentuinen had de gemeente geen bezwaar. De keuren (stadswetten) van 1663 bevatten nadere bepalingen voor die bebouwing op de achtererven. De bouwvoorschriften golden met terugwerkende kracht ook voor de percelen op de Heren- en Keizersgracht die vanaf 1610 waren uitgegeven (het deel tussen Brouwers- en Leidsegracht). De Prinsengracht viel grotendeels buiten de boot. Die had een lagere status, aangezien de volksbuurt de Jordaan aan de overkant lag.

De gelukkige bewoners aan de twee chique grachten mochten voortaan aan het eind van hun perceel een 'speelhuys' of tuinhuis laten verrijzen van maximaal 3,4 meter hoog en 4,25 meter diep. De schuttingen mochten niet hoger zijn dan 2,7 meter. Ook werd verboden de tuinhuizen hoger te plaatsen dan het straatniveau. Aanvankelijk dienden de tuinhuizen als zomerverblijf voor de eigenaar en diens familie. Later werden tuin en tuinhuis ook voor representatieve doeleinden gebruikt, aansluitend bij de ontvangstvertrekken in het woonhuis.

Een Zweedse bezoeker aan een Amsterdams huis beschreef in 1733 zijn ervaringen. Het gezelschap werd ontvangen in een antichambre en werd vervolgens te eten gevraagd in een zaal met "uitzicht op de tuin, die er achter 't huis was". Daarna ging het gezelschap wandelen in de tuin, alwaar koffie en thee met confituren werden geserveerd. Men legde er een kaartje of speelde op het verkeerbord (een voorloper van het triktrakspel). Binnenshuis was het personeel ondertussen druk doende om de zaal op te ruimen en de tafels opnieuw te dekken. Omstreeks tien uur 's avonds, aldus de Zweedse waarnemer, keerde het gezelschap in het woonhuis terug om er te souperen.

Ontwerptekening voor de gevel en plattegrond van een Amsterdams tuinhuis uit 1679, adres onbekend. GEMEENTEARCHIEF

Ontluizen van pruiken

Zo konden tuinhuizen dus van pas komen bij de ontvangst van gasten, zowel familie als zakenrelaties. Hoewel er ook sobere tuinhuisjes bestaan, kon een vermogend eigenaar heel wat geld spenderen aan uitbundige decoraties. Tegenwoordig zijn er nog steeds rijk met stuc- en beeldhouwwerk bedeelde tuinhuizen te vinden in de binnenstad. Rozetten en guirlandes waren geliefde versieringen. Maar ook alliantiewapens (huwelijkswapens waarin de familiewapens van de echtgenoten verenigd zijn), putti (engeltjes), reliëfs en beelden van mythologische figuren die in de Renaissance opnieuw in aanzien stonden, gaven allure aan dit eigen buiten in de binnenstad.

De bekende vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz uit 1625 toont de stadsuitleg vanaf 1610 op een beeldende manier. Op deze kaart zijn ook de tuinhuizen ingetekend: eenvoudige, rechthoekige gebouwtjes, bestaande uit één verdieping (soms twee verdiepingen), vormden een decoratieve rug-aan-rug afsluiting van de percelen. Daarmee was zorg gedragen voor een prettig uitzicht vanuit de zaal aan de tuinzijde, de belangrijkste ontvangstruimte. De gesloten wanden van hoofd- en tuinhuis maakten samen met de schuttingen de tuin tot een 'hortus conclusus, een besloten eenheid van woonhuis, tuin en tuinhuis.

De bekende vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz uit 1625 toont de stadsuitleg vanaf 1610 op een beeldende manier.

De zogeheten burgerwijkkaarten uit de 18de eeuw zijn stille getuigen van de bloeitijd van het tuinhuis. Op deze plattegronden is bij bijna elk grachtenhuis een tuinhuis getekend. Ook hierna bleef het tuinhuis in zwang, hoewel minder intensief gebruikt en vaak voor andere doeleinden. Zo had een eind 18de-eeuws tuinhuis soms een zolder die diende als pruikenkamer. De pruiken met luizen moesten tenslotte ergens ontsmet worden. Ook kaarten uit de 19de eeuw (de zogeheten kadastrale minuutplannen uit de eerste helft van de 19de eeuw en de stadsatlas van J.C. Loman jr. uit 1876) tonen een lint van tuinhuizen in de grachtengordel. Vandaag de dag is vanuit de koepel van warenhuis Metz & Co. in de Leidsestraat (alwaar een lunchrestaurant is gevestigd) nog steeds een variëteit aan tuinen met tuinhuizen te bewonderen.

De heersende mode weerspiegelde zich in het ontwerp van tuin en tuinhuis. In de 17de eeuw bestonden er nog siertuinen zonder optrekje (hiervan is weinig bewaard gebleven; 17de-eeuwse panden zijn nu uiterst zeldzaam). Een eeuw later moest dit concept plaats maken voor meer barokke ontwerpen met dito tuinhuizen. Opvallend element in huisjes uit die tijd is het vooruitstekende, erkervormige middendeel met twee zijvleugels. Verbouwingen - ook toen al een epidemisch verschijnsel - gingen helaas vaak ten koste van de eenheid in stijl tussen hoofd- en tuinhuis. Ook werd er soms in een andere stijl een nieuw tuinhuis opgetrokken.

De 19de eeuw, met zijn hang naar romantiek, introduceerde de landschapsstijl. Het tuinhuisje werd natuurlijker en kreeg een rustieke uitstraling. Theehuisjes of prieeltjes boden een knus onderkomen in de achtertuin. Een eeuw later werd het tuinideaal veelal opgegeven en kwamen er zelfs parkeerterreinen voor in de plaats. Het spreekt dan ook bijna voor zich dat een eventueel aangelegd tuinhuis in de 20ste eeuw een rechtlijnig, functionalistisch aanzien kreeg.

Vogelvrije status

Het gebruik van het tuinhuis veranderde mee met de behoeften van de moderne, individuele mens. Momenteel varieert dat van een filmstudiootje of amfitheater tot atelier, muziek- of stilte- ruimte. Subsidies en fiscale regelingen voor monumenten zijn behulpzaam bij het vele onderhoud dat nodig is. Helaas heeft een wetswijziging in 1988 niet meegeholpen aan de instandhouding van het fenomeen tuinhuis. Voorheen waren monumenten kadastraal beschermd - dat wil zeggen: niet alleen het hoofdhuis, maar ook objecten zoals tuin en tuinhuis vielen daaronder. Sinds 1988 geldt de bescherming alleen nog voor het hoofdhuis. Het tuinhuis kreeg de vogelvrije status; een gevaar voor dit cultuurhistorische erfgoed.

Het gemeentelijke Bureau Monumenten en Archeologie werkt daarom aan een inventarisatie van de tuinhuizen in Amsterdam, waarbij beoordelingscriteria als gaafheid, zeldzaamheid van stijl en een architectonische eenheid van hoofd- en tuinhuis gehanteerd worden. Men hoopt over een jaar vijftig tuinhuizen op de monumentenlijst te hebben. Een hoop werk voor schoonheid die grotendeels onttrokken is aan het oog van het publiek. Want ook al bestaan er open monumenten- en tuindagen, de tuinhuizen zijn slechts mondjesmaat toegankelijk. Niet alle eigenaren willen hun eigen buiten in de binnenstad openstellen voor nieuwsgierigen. Maar het is en blijft waardevol cultuurhistorisch erfgoed.

Keizersgracht vlakbij Reguliersgracht

In de jaren zestig dacht de gemeente dat het onderstaande curieuze tuinhuis (waarvan de eigenaar het precieze adres liever niet genoemd ziet) een illegaal bouwsel was bij het hoofdpand, dat destijds door cabaretier Wim Sonneveld werd bewoond. Dankzij inspanningen van de nieuwe bewoner en de uitkomsten van buurtonderzoek bleef dit romantische theehuisje bewaard. De huidige eigenaresse herinnert zich dat haar vader en broer het tuinhuis als atelier voor beeldende kunst en pottenbakkers activiteiten gebruikten. Het grachtenpand werd in 1879 gebouwd naar ontwerp van architect J.J. Eyrond. Ook het tuinhuis stamt uit deze periode. Oorspronkelijk bestond het uit een gesloten middenruimte met een open omgang die aan weerszijden werd afgesloten door twee houten poortjes. De witgeschilderde houten voorgevel is symmetrisch van opzet en ruim voorzien van ornamenten. Een vooruitstekende luifel met zadeldakje bevindt zich boven de deuren in het middentravee. Een rijk bewerkte top met kapelletjes en gestileerde figuren sluit de gevel. De restauratie van dit minutieuze houtsnijwerk is nog een hele kunst geweest. De binnenruimte moet het doen met een status als plantenkamer en opslagruimte voor tuinmeubelen, al wil de eigenaar er op zomerse dagen wel eens romantisch gitaar spelen

Herengracht 314

Bovenstaand lage houten tuinhuis is vermoedelijk toegevoegd bij een verbouwing in 1936, hoewel er volgens kaarten ook al eerder een tuinhuis heeft gestaan. De functionele, rechthoekige ruimte is helemaal in Engelse landschapsstijl ingericht door de huidige (Engelse) eigenaresse. Tegen de achterwand heeft ze een houten lambrisering laten plaatsen. Een kunstschilder verfraaide de wand met een arcadisch landschap waarop cipressen en Griekse godinnen te zien zijn. Het dak wordt gedragen door dunne, gekoppelde houten balken met daartussen houtsnijwerk van slingerende ranken. Voor de eigenaresse - "dit buitenmens dat nooit buiten heeft gewoond" - bleken tuin en tuinhuis haar redding. "Zonder mijn tuinhuis was ik nooit in Nederland gebleven.

Herengracht 476

Het dubbele perceel Herengracht 476 ligt in de zogenoemde Gouden Bocht van de Herengracht. De naam verwijst naar de geweldige rijkdom van de bewoners uit deze bocht bij de Spiegelstraat. Het tuinhuis (onder) is vermoedelijk omstreeks 1730 gebouwd in opdracht van Dirk van Lennep, tegelijk met een aanpassing van het hoofdhuis dat een eeuw ouder is. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bood het patriciërshuis onderdak aan de Luftwaffe. Juffrouw Mirandolle, de laatste eigenaresse, schonk het pand in 1953 aan de Vereniging Hendrick de Keyser die zich bezighoudt met behoud van historisch waardevolle huizen. Ze bedong wel dat ze er tot haar dood, in 1974, in mocht blijven wonen. Daarna vonden kraakwachten en studenten hier een riant onderkomen, totdat in 1981 het Prins Bernard Cultuurfonds voor dertig jaar het vruchtgebruik kocht. Ook het tuinhuis is bij het fonds in gebruik. "Maar je kunt hier niet de hele dag werken," zegt een medewerkster. "Ondanks de vloerverwarming blijft het klam." Het vooruitstekende middendeel van het tuinhuis heeft twee openslaande deuren. Daarboven bevindt zich een front met een bas-relief met een zittende Hermes (alias Mercurius); niet voor niets de god van handel en verkeer. Twee putti leunen aan weerszijden tegen dit bas-relief. Aan de beide zijkanten van het tuinhuis symboliseren vrijstaande beelden van de mythologische tweeling Apollo en Artemis de dag en de nacht.

Tuinhuis annex koetshuis, pronkfaçade tuinzijde heeft twee nissen met beelden, o.a. Hercules

Keizersgracht 524

In 1670 liet Pieter van Zuylen op de Keizersgracht 520, 522 en 524 drie huizen bouwen: Geloof, Hoop en Liefde. Tegen de blinde achtermuren van de huizen aan de Kerkstraat kwamen tuinhuizen met dezelfde namen. Nu zijn het twee percelen met twee woonhuizen, twee tuinen, één tuinhuis (althans op het oog, zie boven) en één voormalig koetshuis vlakbij de Leidsestraat. De tuinhuizen zijn gebouwd tegen en verbonden met het koetshuis. Het geheel wordt gedateerd op 1758. Een schilderij van Hendrik Keun van omstreeks 1772 (zie pagina 296) toont tuin en tuinhuis zoals die er in de 18de eeuw uitzagen. Inmiddels zijn de beelden Geloof en Hoop en het bas-relief Liefde (in horizontale lijn boven de ramen) verdwenen. Maar wie nu een kijkje neemt in de rommelige tuin, ziet dat twee enorme beelden de tand des tijds hebben doorstaan. Het betreft Heracles (alias Hercules), de held die na het volbrengen van twaalf bovenmenselijk zware werken de onsterfelijkheid kreeg, en Artemis (Diana), de godin van de jacht en de maan. In 1958 is het koetshuis met tuinhuizen gerestaureerd door Stadsherstel. Momenteel is de ruimte in gebruik bij het Grieks Verkeersbureau.