Het is 16 november 1979. Renate Rubinstein viert haar 50ste verjaardag bij haar broer Jan in Amsterdam-Zuid. Socioloog Bram de Swaan is ceremoniemeester. Zijn collega Norbert Elias en de schrijvers Karel van het Reve en Maarten Biesheuvel speechen. Componist Peter Schat heeft een 'Renate cantate' gecomponeerd en rammelt op de piano. Tekenaar Peter Vos heft Schubertliederen aan, Van het Reve valt hem bij. Dat 'lastige' meisje uit Berlijn is een end gekomen: de fine fleur uit de Nederlandse culturele wereld is aanwezig. Ze is inmiddels dan ook uitgegroeid tot "de eerste echte columniste van Nederland" (Rinus Ferdinandusse, hoofdredacteur Vrij Nederland). Intelligent, een messcherpe pen, altijd persoonlijk betrokken en nooit meehuilend met de wolven. Dat ze daarbij soms flink op tenen trapt, soit, dat hoort erbij. "Een goede columnist," zo schreef ze, "moet onbetamelijk zijn."
Dat onbetamelijke zit er al vroeg in. Ze wordt op 16 november 1929 geboren in Berlijn als oudste dochter van een snel opkomende, succesvolle textielfabrikant. Renate is een moeilijk te sturen vaderskind. Haar moeder vindt haar lastig, haar kinderjuffrouw noemt haar een zigeunermeisje, heftig en dramatisch. Als mensen haar letterlijk in het gareel proberen te houden, komt haar vader vaak tussenbeiden. "Ach, lass sie", roept hij dan. Volgens haar biograaf Hans Goedkoop sterken deze interventies Renate in de overtuiging dat de dingen moeten gebeuren zoals zíj wil. "Dat was de harde kern, ze was echt een forceful character."
Het zijn gelukkige dagen, maar ook dan al heeft ze last van heimwee. Als ze met haar vader naar films van Shirley Temple gaat waarin kleine meisjes hun vader kwijtraken, zit ze huilend naast de hare. "Ik verlangde al naar hem toen-ie nog naast me zat", schreef ze later. "Goed beschouwd is dat mijn hele liefdesleven lang zo gebleven, voordat ik iemand kwijt was verlangde ik al naar zijn terugkeer."

Angst

Hitlers machtsovername maakt een einde aan de voorspoed van het gezin, want vader Rubinstein is Joods. De familie vlucht. Eerst naar Amsterdam, maar daar gaan de zaken niet goed, dan naar Londen, waar de zaken nog slechter gaan. In 1938 keren ze terug naar Amsterdam, "de mof tegemoet", zoals Rubinstein achteraf schrijft. De gezinssituatie krijgt vat op haar. Goedkoop: "Ze was buitengewoon moedig als persoon en als columnist, onverschrokken in het publieke domein. Tegelijkertijd speelt angst een grote rol in dat leven."
Als haar ouders een avondje uitgaan is ze panisch dat ze niet meer terugkomen. Ze gaat aan slapeloosheid leiden, krijgt slaappillen. En dan staat in juni 1940 de Grüne Polizei voor de deur in de Wielingenstraat bij de RAI. Die neemt haar vader mee met de geruststellende woorden dat 'der Vati' wel weer terugkomt. Snel zelfs: "bald wieder". Renate brengt de jaren '40-'45 wachtend door. Maar 'der Vati' komt niet meer terug. Ze blijft achter met een schrijnend gemis, een moeder met wie ze een moeizame verhouding heeft en het gevoel dat ze bedonderd is.
"Na de bevrijding", zegt Goedkoop, "komt ze tot de gruwelijke ontdekking dat hij dood is en dat de volwassenen dat best wisten, maar het haar niet hebben verteld. 'Alles in onze werkelijkheid spant samen om te doen alsof de dingen heel gewoon zijn', schreef ze eens. Van karakter heeft ze al een ontzagwekkende scherpte, maar die wordt nog eens op scherp gezet door het besef dat de werkelijkheid verraderlijk is. Uit die angst komt haar moed voort om de werkelijkheid open te krabben en te onderzoeken wat er onder de oppervlakte ligt. En dat desnoods te lijf te gaan, want het is jij of ik."

Chaos

Op 16 juni 1943 debuteert ze in Vulpes, het schoolkrantje van het Vossius Gymnasium. Ze heeft dan nog geen idee dat ze schrijfster zou kunnen worden, vertelt ze later aan het Algemeen Handelsblad. Het duurt nog jaren voordat ze meer belangstelling krijgt voor de wereld om haar heen. "Pas toen ik wat harmonieuzer ging leven. Voordien, de eerste tien jaar na de oorlog zeker, is alles in mijn leven eigenlijk alleen bepaald geweest door een grote ongelukkige liefde. (...) Het moet iets te maken hebben denk ik met het feit dat mijn vader mij was afgepakt. Het was lang totale chaos."
Ze verruilt de schoolbanken voor uitgeverij Van Oorschot, waar ze manusje-van-alles wordt. Ze ontmoet er de psychiater Huyck van Leeuwen; hij is veertien jaar ouder en haar eerste grote liefde. Als het in 1952 uitraakt, is Renate zo van slag dat ze niet meer in hetzelfde land kan zijn als hij. Ze vertrekt naar Israël, waar ze onder meer in een kibboets werkt. Ze voelt zich eenzaam in de besloten gemeenschap en dat doet haar schrijven geen kwaad, constateert Goedkoop. Israel biedt Rubinstein het vermogen om van een afstand naar haar Nederlandse leven te kijken. "Dat is de basis van haar latere columns. De naam Tamar, die ze in Israel als symbool voor haar nieuwe leven krijgt, gaat dat belichamen."
Als ze in 1955 terugkomt, stuurt ze een klinkend essay over het zionisme en de nieuwe onvrijheid naar de redactie van Propria Cures, dan het enige blad in Nederland waarin je impertinent mag zijn. De redactie is onder de indruk – van het essay en van de sprankelende Renate. Ze gaat er aan de slag en bloeit op. Als redacteur van PC ben je in die dagen wereldberoemd in de hoofdstad, vertelt collega en eerste echtgenoot Aad Nuis aan Vrij Nederland. Half universitair Amsterdam is verliefd op Renate. "Ze wilde dat je verliefd op haar werd, en dat werd je ook", schreef Maarten 't Hart. Annemarie Oster, die Rubinstein als columnist haar grote voorbeeld noemt, ziet haar als een "intellectuele diva".

Openhartig

Rubinsteins onafhankelijke mening is voor Rinus Ferdinandusse reden om haar in 1961 te vragen voor het schrijven van een column in Vrij Nederland. Bij haar dood noemt hij haar column volstrekt uniek. "Je had Carmiggelt met zijn cursiefje, maar verder was er niks." Rubinstein was een van de weinige columnisten die een persoonlijke visie optekende, waaraan je je als lezer kon toetsen, zegt hij. "Ze was wars van algemene meningen. Rechts als iedereen links was, en links wanneer rechts weer en vogue werd."
Haar Tamar-columns schrijft Renate aanvankelijk vooral omdat ze toch ergens haar geld mee moet verdienen. Het is tenslotte maar voor de vrouwenpagina – tegen het bestaan waarvan ze in haar eerste column meteen al fulmineert. Ze schrijft over poezen, het voorjaar, de liefde, maar gaandeweg richt ze zich meer op politiek-maatschappelijke onderwerpen. Ze wil onthullen, dat vindt ze de heilige plicht van de journalistiek, zegt ze tegen het Algemeen Handelsblad. "Zelfs al weet je dat het nauwelijks zin heeft."
Ze is tegen de vredesbeweging, hekelt het wij-denken van het feminisme, bestrijdt het extreme links dat juist in de colommen van VN het hoogste woord voert en hangt een spandoek op tegen het huwelijk van Beatrix en Claus. In 1967 verschijnt Jood in Arabië, Goi in Israël, waarin ze een genuanceerd beeld schetst van de Joods-Palestijnse kwestie. Dat is even slikken in een land dat vierkant achter Israël staat.
Compromisloos openhartig en hartstochtelijk eerlijk is de schrijfster ook in het dagelijks leven. Ze heeft een slechte verhouding met de VN-redactie en kan genadeloos zijn in haar kritiek op collega's – en niet alleen op collega's. Tijdens een borrel van VN wijst een medewerker zijn vrouw aan, waarop Renate uitroept: "BEN JE DAARMEE GETROUWD?!" Oster durft zelfs vlak voor Renates dood niet alleen bij haar op bezoek. Er moet een vriendin mee.

Rotopmerkingen

"Veel mensen, en vooral vrouwen, vonden haar een secreet", zegt Goedkoop. "Vrouwen betekenden concurrentie en die was onwenselijk." Rubinstein zet graag haar vrouwelijkheid in, maar is tegelijkertijd vol overtuiging one of the boys. "Het was voor haar generatie zeldzaam dat een vrouw echt met de mannen mee kon doen, die niet ging huilen als ze rotopmerkingen kreeg." Ze is niet kinderachtig, ook niet tegen vrienden, al verwijt ze zichzelf weleens dat ze niet 'consideraat' is.
"Voel me bedonderd en werd bedonderd", schrijft ze in 1973. Haar tweede echtgenoot Jaap van Heerden heeft haar verlaten. Gevolg: 60 sigaretten per dag, twee slaappillen per nacht. "Moest wel nog even zeggen dat-ie tien jaar ongelukkig was geweest. En dat na elf jaar lang op z'n minst twee keer per week zeggen dat wij toch zo'n ideale combinatie waren." Renate is depressief en voelt zich vernederd. Ze besluit Van Heerden via haar columns naar zich "terug te schrijven". Ze kan niet anders, want er is niets anders, zoals ze zelf zegt. En schrijven moet ze, want ze is bang anders te "verdwijnen". Het geeft haar columns een extra urgentie. Goedkoop: "Daarvoor sneed het minder diep en kon ze het altijd nog een beetje koket verpakken. Vanaf nu gaat ze tot op het bot." Het feministische volksdeel is er ondertussen niet blij mee; dat ziet liever dat Renate haar scheiding als een soort verlossing beschouwt. Maar zij schrijft het op zoals het is.
Weinig schrijvers lokken zoveel controverses uit als zij. Ze onderhoudt een pennenstrijd met mede-VN-columnist Hugo Brandt Corstius (hij beschuldigt haar van antisemitisme) die uiteindelijk zo hoog oploopt dat ze haar column tijdelijk staakt. Nog dieper snijdt de Weinreb-affaire. In de jaren zestig komt Renate in contact met de Joodse Friedrich Weinreb, wiens verhaal haar aan haar vader doet denken. Begin jaren veertig goochelde hij met lijsten die Joden zouden vrijwaren van deportatie en probeert – als een van de weinigen – met de Duitsers te spelen. Uiteindelijk spelen die vooral met hem: door zijn toedoen worden talrijke mensen opgepakt en gedeporteerd.

Twintigkilometerautootje

Kort na de bevrijding veroordeeld voor zijn rol in de oorlog, vindt Weinreb nu in Renate een van zijn felste verdedigsters. Ze voert geëmotioneerde en felle polemieken met onder meer W. F. Hermans. Vriendschappen sneuvelen. Ook als het RIOD Weinreb als een zwendelaar ontmaskert, blijft zij (als altijd zeer vasthoudend waar het haar eigen gelijk betreft) in grote lijnen achter hem staan. Dat heeft volgens Goedkoop met de tijdslijn te maken. "Toen Weinreb met zijn eerste lijst begon, was het geen denkbeeldig idee dat de oorlog nog maar een jaar zou duren. Je zou kunnen zeggen dat de bezetting voor hem te lang geduurd heeft."
De slepende kwestie zorgt voor spanningen, ook privé. Bovendien heeft Rubinstein inmiddels ook iets anders aan haar hoofd, want in 1977 wordt ze gediagnosticeerd met multiple sclerose. Ze is vooral bezig zo min mogelijk ziek te zijn: ze moet blijven denken, werken en liefhebben. Ze schaft een twintigkilometerautootje aan, dat neef Maurits opvoert en waarmee ze door het Sarphatipark crost, thuis in haar rolstoel stuift ze "als een furie" heen en weer, maar over haar ziekte schrijven, over dat "hinderlijke lichaam", kost aanvankelijk moeite. Ze is bang dat de mannen haar niet meer serieus zullen nemen, want wie wil er nou een "zielig vrouwtje" (Hans Goedkoop) polemisch afbreken? Maar uiteindelijk maakt ze ook haar MS tot onderwerp. Haar voor bijna iedereen geheime verhouding met "de meest getrouwde man van Nederland" is dan nog taboe.

Laatste liefde

In 1991 verschijnt Mijn beter ik. "In één opzicht verschilde Simon Carmiggelt niet van veel andere mannen: bij zijn dood liet hij twee weduwen achter. Met de ene was hij getrouwd. De andere ben ik", zo begint Renate het verslag van haar liefdesrelatie met de schrijver, die van 1977 duurde tot zijn dood in 1987. Zijn vrouw is inmiddels overleden, evenals Renate zelf, die postuum nog een keer de knuppel in het hoenderhok gooit. Haar onthulling schuurt, mensen nemen haar de publicatie kwalijk. Het beeld van Carmiggelt als de familieman bij uitstek blijkt aan herziening toe.
Het is haar laatste grote liefde. "Hij met zijn gave voor het vaderschap, ik met het verlangen naar mijn vader, we pasten bij elkaar als een deksel op een potje." Ingegeven door haar voortschrijdende ziekte schrijft ze: "Als hij er niet geweest was, zou ik mij al veel eerder een wegwerpartikel gevonden hebben." Haar woning is vol van wat hij achterliet, kleine attenties en meer dan 1000 ansichtkaarten. Dat ze hem vlak voor zijn onverwachte overlijden vertelt dat ze niet meer zo verliefd op hem is, neemt ze zichzelf kwalijk. En nu hij er niet meer is mist ze hem verschrikkelijk. Drie dagen voor haar zelfgekozen dood op 23 november 1990 legt ze de laatste hand aan het boek – het schrijven ervan heeft haar op de been gehouden. Ze heeft haar relatie met Carmiggelt voor de vergankelijkheid behoed."Zonder een kik te geven zou het grote sterven zijn ingezet. Maar ik heb een kik gegeven."

Het is 16 november 1979. Renate Rubinstein viert haar 50ste verjaardag bij haar broer Jan in Amsterdam-Zuid. Socioloog Bram de Swaan is ceremoniemeester. Zijn collega Norbert Elias en de schrijvers Karel van het Reve en Maarten Biesheuvel speechen. Componist Peter Schat heeft een 'Renate cantate' gecomponeerd en rammelt op de piano. Tekenaar Peter Vos heft Schubertliederen aan, Van het Reve valt hem bij. Dat 'lastige' meisje uit Berlijn is een end gekomen: de fine fleur uit de Nederlandse culturele wereld is aanwezig. Ze is inmiddels dan ook uitgegroeid tot "de eerste echte columniste van Nederland" (Rinus Ferdinandusse, hoofdredacteur Vrij Nederland). Intelligent, een messcherpe pen, altijd persoonlijk betrokken en nooit meehuilend met de wolven. Dat ze daarbij soms flink op tenen trapt, soit, dat hoort erbij. "Een goede columnist," zo schreef ze, "moet onbetamelijk zijn."
Dat onbetamelijke zit er al vroeg in. Ze wordt op 16 november 1929 geboren in Berlijn als oudste dochter van een snel opkomende, succesvolle textielfabrikant. Renate is een moeilijk te sturen vaderskind. Haar moeder vindt haar lastig, haar kinderjuffrouw noemt haar een zigeunermeisje, heftig en dramatisch. Als mensen haar letterlijk in het gareel proberen te houden, komt haar vader vaak tussenbeiden. "Ach, lass sie", roept hij dan. Volgens haar biograaf Hans Goedkoop sterken deze interventies Renate in de overtuiging dat de dingen moeten gebeuren zoals zíj wil. "Dat was de harde kern, ze was echt een forceful character."
Het zijn gelukkige dagen, maar ook dan al heeft ze last van heimwee. Als ze met haar vader naar films van Shirley Temple gaat waarin kleine meisjes hun vader kwijtraken, zit ze huilend naast de hare. "Ik verlangde al naar hem toen-ie nog naast me zat", schreef ze later. "Goed beschouwd is dat mijn hele liefdesleven lang zo gebleven, voordat ik iemand kwijt was verlangde ik al naar zijn terugkeer."

Angst

Hitlers machtsovername maakt een einde aan de voorspoed van het gezin, want vader Rubinstein is Joods. De familie vlucht. Eerst naar Amsterdam, maar daar gaan de zaken niet goed, dan naar Londen, waar de zaken nog slechter gaan. In 1938 keren ze terug naar Amsterdam, "de mof tegemoet", zoals Rubinstein achteraf schrijft. De gezinssituatie krijgt vat op haar. Goedkoop: "Ze was buitengewoon moedig als persoon en als columnist, onverschrokken in het publieke domein. Tegelijkertijd speelt angst een grote rol in dat leven."
Als haar ouders een avondje uitgaan is ze panisch dat ze niet meer terugkomen. Ze gaat aan slapeloosheid leiden, krijgt slaappillen. En dan staat in juni 1940 de Grüne Polizei voor de deur in de Wielingenstraat bij de RAI. Die neemt haar vader mee met de geruststellende woorden dat 'der Vati' wel weer terugkomt. Snel zelfs: "bald wieder". Renate brengt de jaren '40-'45 wachtend door. Maar 'der Vati' komt niet meer terug. Ze blijft achter met een schrijnend gemis, een moeder met wie ze een moeizame verhouding heeft en het gevoel dat ze bedonderd is.
"Na de bevrijding", zegt Goedkoop, "komt ze tot de gruwelijke ontdekking dat hij dood is en dat de volwassenen dat best wisten, maar het haar niet hebben verteld. 'Alles in onze werkelijkheid spant samen om te doen alsof de dingen heel gewoon zijn', schreef ze eens. Van karakter heeft ze al een ontzagwekkende scherpte, maar die wordt nog eens op scherp gezet door het besef dat de werkelijkheid verraderlijk is. Uit die angst komt haar moed voort om de werkelijkheid open te krabben en te onderzoeken wat er onder de oppervlakte ligt. En dat desnoods te lijf te gaan, want het is jij of ik."

Chaos

Op 16 juni 1943 debuteert ze in Vulpes, het schoolkrantje van het Vossius Gymnasium. Ze heeft dan nog geen idee dat ze schrijfster zou kunnen worden, vertelt ze later aan het Algemeen Handelsblad. Het duurt nog jaren voordat ze meer belangstelling krijgt voor de wereld om haar heen. "Pas toen ik wat harmonieuzer ging leven. Voordien, de eerste tien jaar na de oorlog zeker, is alles in mijn leven eigenlijk alleen bepaald geweest door een grote ongelukkige liefde. (...) Het moet iets te maken hebben denk ik met het feit dat mijn vader mij was afgepakt. Het was lang totale chaos."
Ze verruilt de schoolbanken voor uitgeverij Van Oorschot, waar ze manusje-van-alles wordt. Ze ontmoet er de psychiater Huyck van Leeuwen; hij is veertien jaar ouder en haar eerste grote liefde. Als het in 1952 uitraakt, is Renate zo van slag dat ze niet meer in hetzelfde land kan zijn als hij. Ze vertrekt naar Israël, waar ze onder meer in een kibboets werkt. Ze voelt zich eenzaam in de besloten gemeenschap en dat doet haar schrijven geen kwaad, constateert Goedkoop. Israel biedt Rubinstein het vermogen om van een afstand naar haar Nederlandse leven te kijken. "Dat is de basis van haar latere columns. De naam Tamar, die ze in Israel als symbool voor haar nieuwe leven krijgt, gaat dat belichamen."
Als ze in 1955 terugkomt, stuurt ze een klinkend essay over het zionisme en de nieuwe onvrijheid naar de redactie van Propria Cures, dan het enige blad in Nederland waarin je impertinent mag zijn. De redactie is onder de indruk – van het essay en van de sprankelende Renate. Ze gaat er aan de slag en bloeit op. Als redacteur van PC ben je in die dagen wereldberoemd in de hoofdstad, vertelt collega en eerste echtgenoot Aad Nuis aan Vrij Nederland. Half universitair Amsterdam is verliefd op Renate. "Ze wilde dat je verliefd op haar werd, en dat werd je ook", schreef Maarten 't Hart. Annemarie Oster, die Rubinstein als columnist haar grote voorbeeld noemt, ziet haar als een "intellectuele diva".

Openhartig

Rubinsteins onafhankelijke mening is voor Rinus Ferdinandusse reden om haar in 1961 te vragen voor het schrijven van een column in Vrij Nederland. Bij haar dood noemt hij haar column volstrekt uniek. "Je had Carmiggelt met zijn cursiefje, maar verder was er niks." Rubinstein was een van de weinige columnisten die een persoonlijke visie optekende, waaraan je je als lezer kon toetsen, zegt hij. "Ze was wars van algemene meningen. Rechts als iedereen links was, en links wanneer rechts weer en vogue werd."
Haar Tamar-columns schrijft Renate aanvankelijk vooral omdat ze toch ergens haar geld mee moet verdienen. Het is tenslotte maar voor de vrouwenpagina – tegen het bestaan waarvan ze in haar eerste column meteen al fulmineert. Ze schrijft over poezen, het voorjaar, de liefde, maar gaandeweg richt ze zich meer op politiek-maatschappelijke onderwerpen. Ze wil onthullen, dat vindt ze de heilige plicht van de journalistiek, zegt ze tegen het Algemeen Handelsblad. "Zelfs al weet je dat het nauwelijks zin heeft."
Ze is tegen de vredesbeweging, hekelt het wij-denken van het feminisme, bestrijdt het extreme links dat juist in de colommen van VN het hoogste woord voert en hangt een spandoek op tegen het huwelijk van Beatrix en Claus. In 1967 verschijnt Jood in Arabië, Goi in Israël, waarin ze een genuanceerd beeld schetst van de Joods-Palestijnse kwestie. Dat is even slikken in een land dat vierkant achter Israël staat.
Compromisloos openhartig en hartstochtelijk eerlijk is de schrijfster ook in het dagelijks leven. Ze heeft een slechte verhouding met de VN-redactie en kan genadeloos zijn in haar kritiek op collega's – en niet alleen op collega's. Tijdens een borrel van VN wijst een medewerker zijn vrouw aan, waarop Renate uitroept: "BEN JE DAARMEE GETROUWD?!" Oster durft zelfs vlak voor Renates dood niet alleen bij haar op bezoek. Er moet een vriendin mee.

Rotopmerkingen

"Veel mensen, en vooral vrouwen, vonden haar een secreet", zegt Goedkoop. "Vrouwen betekenden concurrentie en die was onwenselijk." Rubinstein zet graag haar vrouwelijkheid in, maar is tegelijkertijd vol overtuiging one of the boys. "Het was voor haar generatie zeldzaam dat een vrouw echt met de mannen mee kon doen, die niet ging huilen als ze rotopmerkingen kreeg." Ze is niet kinderachtig, ook niet tegen vrienden, al verwijt ze zichzelf weleens dat ze niet 'consideraat' is.
"Voel me bedonderd en werd bedonderd", schrijft ze in 1973. Haar tweede echtgenoot Jaap van Heerden heeft haar verlaten. Gevolg: 60 sigaretten per dag, twee slaappillen per nacht. "Moest wel nog even zeggen dat-ie tien jaar ongelukkig was geweest. En dat na elf jaar lang op z'n minst twee keer per week zeggen dat wij toch zo'n ideale combinatie waren." Renate is depressief en voelt zich vernederd. Ze besluit Van Heerden via haar columns naar zich "terug te schrijven". Ze kan niet anders, want er is niets anders, zoals ze zelf zegt. En schrijven moet ze, want ze is bang anders te "verdwijnen". Het geeft haar columns een extra urgentie. Goedkoop: "Daarvoor sneed het minder diep en kon ze het altijd nog een beetje koket verpakken. Vanaf nu gaat ze tot op het bot." Het feministische volksdeel is er ondertussen niet blij mee; dat ziet liever dat Renate haar scheiding als een soort verlossing beschouwt. Maar zij schrijft het op zoals het is.
Weinig schrijvers lokken zoveel controverses uit als zij. Ze onderhoudt een pennenstrijd met mede-VN-columnist Hugo Brandt Corstius (hij beschuldigt haar van antisemitisme) die uiteindelijk zo hoog oploopt dat ze haar column tijdelijk staakt. Nog dieper snijdt de Weinreb-affaire. In de jaren zestig komt Renate in contact met de Joodse Friedrich Weinreb, wiens verhaal haar aan haar vader doet denken. Begin jaren veertig goochelde hij met lijsten die Joden zouden vrijwaren van deportatie en probeert – als een van de weinigen – met de Duitsers te spelen. Uiteindelijk spelen die vooral met hem: door zijn toedoen worden talrijke mensen opgepakt en gedeporteerd.

Twintigkilometerautootje

Kort na de bevrijding veroordeeld voor zijn rol in de oorlog, vindt Weinreb nu in Renate een van zijn felste verdedigsters. Ze voert geëmotioneerde en felle polemieken met onder meer W. F. Hermans. Vriendschappen sneuvelen. Ook als het RIOD Weinreb als een zwendelaar ontmaskert, blijft zij (als altijd zeer vasthoudend waar het haar eigen gelijk betreft) in grote lijnen achter hem staan. Dat heeft volgens Goedkoop met de tijdslijn te maken. "Toen Weinreb met zijn eerste lijst begon, was het geen denkbeeldig idee dat de oorlog nog maar een jaar zou duren. Je zou kunnen zeggen dat de bezetting voor hem te lang geduurd heeft."
De slepende kwestie zorgt voor spanningen, ook privé. Bovendien heeft Rubinstein inmiddels ook iets anders aan haar hoofd, want in 1977 wordt ze gediagnosticeerd met multiple sclerose. Ze is vooral bezig zo min mogelijk ziek te zijn: ze moet blijven denken, werken en liefhebben. Ze schaft een twintigkilometerautootje aan, dat neef Maurits opvoert en waarmee ze door het Sarphatipark crost, thuis in haar rolstoel stuift ze "als een furie" heen en weer, maar over haar ziekte schrijven, over dat "hinderlijke lichaam", kost aanvankelijk moeite. Ze is bang dat de mannen haar niet meer serieus zullen nemen, want wie wil er nou een "zielig vrouwtje" (Hans Goedkoop) polemisch afbreken? Maar uiteindelijk maakt ze ook haar MS tot onderwerp. Haar voor bijna iedereen geheime verhouding met "de meest getrouwde man van Nederland" is dan nog taboe.

Laatste liefde

In 1991 verschijnt Mijn beter ik. "In één opzicht verschilde Simon Carmiggelt niet van veel andere mannen: bij zijn dood liet hij twee weduwen achter. Met de ene was hij getrouwd. De andere ben ik", zo begint Renate het verslag van haar liefdesrelatie met de schrijver, die van 1977 duurde tot zijn dood in 1987. Zijn vrouw is inmiddels overleden, evenals Renate zelf, die postuum nog een keer de knuppel in het hoenderhok gooit. Haar onthulling schuurt, mensen nemen haar de publicatie kwalijk. Het beeld van Carmiggelt als de familieman bij uitstek blijkt aan herziening toe.
Het is haar laatste grote liefde. "Hij met zijn gave voor het vaderschap, ik met het verlangen naar mijn vader, we pasten bij elkaar als een deksel op een potje." Ingegeven door haar voortschrijdende ziekte schrijft ze: "Als hij er niet geweest was, zou ik mij al veel eerder een wegwerpartikel gevonden hebben." Haar woning is vol van wat hij achterliet, kleine attenties en meer dan 1000 ansichtkaarten. Dat ze hem vlak voor zijn onverwachte overlijden vertelt dat ze niet meer zo verliefd op hem is, neemt ze zichzelf kwalijk. En nu hij er niet meer is mist ze hem verschrikkelijk. Drie dagen voor haar zelfgekozen dood op 23 november 1990 legt ze de laatste hand aan het boek – het schrijven ervan heeft haar op de been gehouden. Ze heeft haar relatie met Carmiggelt voor de vergankelijkheid behoed."Zonder een kik te geven zou het grote sterven zijn ingezet. Maar ik heb een kik gegeven."

MET DANK AAN HANS GOEDKOOP, VAN WIE IN NOVEMBER IEDEREEN WAS ER VERSCHIJNT BIJ UITGEVERIJ ATLAS CONTACT, OVER RENATE RUBINSTEINS 50STE VERJAARDAG.MET DANK AAN HANS GOEDKOOP, VAN WIE IN NOVEMBER IEDEREEN WAS ER VERSCHIJNT BIJ UITGEVERIJ ATLAS CONTACT, OVER RENATE RUBINSTEINS 50STE VERJAARDAG.