Het vergeten 'matrozenoproer' heeft zelfs geen naam gekregen in de annalen van de Amsterdamse geschiedenis. Het vond plaats twee maanden nadat de Eerste Engelse Oorlog (na een incident bij Dover op 29 mei) op woensdag 10 juli 1652 was begonnen. Omdat een confrontatie in de lucht hing, hadden de Staten-Generaal al op 3 maart 1951 180 koopvaardijschepen gevorderd om als oorlogsschepen op te tuigen en te bemannen, want echte oorlogsschepen waren er nauwelijks meer. Enkele van die gevorderde schepen waren nog op zee, onder meer De Swarte Leeuw en De Croon. Toen de oorlog begon voegden ze zich bij de vloot van opperbevelhebber Maarten Harpertszoon Tromp op weg naar de Britse eilanden. Op 5 augustus werd die vloot boven Schotland bij de Shetlandeilanden door zwaar weer uiteengeslagen.
De Swarte Leeuw en De Croon zochten beschutting voor de Schotse kust en gingen daarna voor anker in de Vlie bij Texel. Ze kregen vanuit Amsterdam bevel naar Vlissingen te varen, waar de rest van Tromps vloot werd opgekalefaterd. Maar het scheepsvolk morde, want de soldijbetaling haperde al maanden. Moesten ze dan weer gewoon voor die wanbetalers hun leven wagen? Bootsgezel Anthony Jacobs en schiemansmaat Joris Jansz spraken hun maten toe: niet uitvaren tot er gedokt werd! De vaderlijke vermaning van schipper Hendrick de Raedt faalde: 75 mannen van De Swarte Leeuw en 45 van De Croon gingen illegaal van boord en lieten zich door een kaagschip (beurtschip) naar Amsterdam brengen om de directie van de West-Indische Compagnie (WIC), hun werkgever, eens goed de waarheid te gaan zeggen.

Schoten

Ze meerden op zondagavond 15 september aan bij de Stadsherberg in het IJ tegenover de Martelaarsgracht, waar een delegatie werd aangewezen: Anthony, Joris en drie anderen. De tamtam had intussen gewerkt. De 120 van beide schepen kregen de volgende ochtend tegen achten bij het West-Indisch Huis in de Haarlemmerstraat steun van nog eens ruim 600 man van andere schepen met dezelfde klachten. Binnen ontving de WIC-directie de muiters vriendelijk, maar het werd een dialoog tussen doven. De directie beloofde zo snel mogelijk te betalen. "Heren, laat jullie kameraden weten direct weer aan boord te gaan. Niemand wordt gestraft." Jaja, dat liedje kenden ze: "Wij gaan niet eerder aan boord dan nadat iedereen is betaald; zoniet, dan zullen we iedere morgen terugkomen."
De WIC-directie had een groot probleem, maar durfde dat niet te bekennen: soldij voor zo veel mensen was niet op te brengen. Met recht voorzag men problemen en liet het West-Indisch Huis die volgende ochtend omringen door soldaten. Dat was olie op het vuur. Terwijl binnen van directiewege weer zalvende taal werd gesproken, vlogen buiten stenen door de lucht. Voor substituut-schout Willem van Buijl was dat reden om de delegatie te arresteren. Prompt trokken enkele makkers (zoals de avond tevoren afgesproken in herberg De Smak in de Hasselaerssteeg) hun messen om hun leiders te ontzetten – tevergeefs. Toen losten de soldaten een aantal schoten: in opdracht van luitenant Sebastiaan van Eitzen, verklaarden zij achteraf. Er vielen twee doden en vele gewonden.
Waar de gearresteerden werden opgesloten en ondervraagd, is onduidelijk. Het oude stadhuis op de Dam was twee maanden eerder afgebrand. Het stadsbestuur zetelde tijdelijk in het Prinsenhof op de Oudezijds Voorburgwal, bij de Admiraliteit. Waar dan ook, op woensdag en donderdag werden Anthony, Joris en hun drie maten verhoord. De eerste twee werden zonder pardon tot de galg veroordeeld; de verhoren van de anderen werden niet afgerond.

Tipgeld

De executie op zaterdag (de 21ste) ontaardde in een grote chaos. Als gevolg van de stadshuisbrand was de Dam een puinhoop. Het schavot was ditmaal opgetrokken voor de Waag, die was afgezet met drie vendels soldaten met pieken en musketten. De toeloop was ongekend. Toen de tweede 'belhamel' (om met Wagenaar te spreken) werd opgehangen, begonnen enkele vrouwen hevig te huilen en sommigen vielen flauw. Mensen werden naar voren gedrongen, de soldaten kwamen in het nauw en het bevel tot schieten klonk. Resultaat: acht doden, tientallen gewonden en zeker tien drenkelingen in het Damrak. Enkelen werden door de menigte vertrapt. Opmerkelijk genoeg gebeurde een eeuw later precies hetzelfde bij de executie van de aanstichters van het Pachtersoproer.
Het stadsbestuur voelde zich in grote verlegenheid gebracht en liet plakkaten hangen met de mededeling dat het schieten was gebeurd tot "ongelooflyken hertseer" van de aanwezige burgemeesters, omdat de toeschouwers geen kwaad in de zin hadden gehad. Er werd tipgeld uitgeloofd aan hen die de opdrachtgevers voor de schietpartijen konden aanwijzen. Alle tips wezen op kapitein Abraham Commelin en/of luitenant Sebastiaan van Eitzen. Commelin bleek al op de vlucht geslagen (en werd voor eeuwig verbannen); Van Eitzen bekende, maar trok die bekentenis weer in. Uiteindelijk werd hij op aandrang van de Staten van Holland vrijgelaten: hij was een zoon van de burgemeester van Hamburg, een belangrijke handelsrelatie... De nabestaanden van de slachtoffers kregen wat geld toegestopt. De overige matrozen bleven ongestraft, mits ze weer aan boord gingen. Dat deden ze. De rust keerde weer. En de stadsbestuurders deden niets liever dan de hele zaak snel vergeten.