Pieter Tanjé (1706-1761) heeft deze scène uit het toneelstuk ’t Verliefde Brechje vastgelegd. Het verhaal draait om de verboden liefde tussen de Brechje en Robbertus, de jongeman die zwijmelend onder de hoed door gluurt. Tanjé’s keuze voor een scène uit dit toneelstuk is geen toeval. De Fries leert Amsterdam kennen als schippersknecht, maar schopt het met zijn talent voor graveren tot de Stadstekenacademie, waar hij onder andere in de leer gaat bij de Amsterdamse kunstschilder Cornelis Troost. Tanjé heeft zich voor dit werk gebaseerd op Troosts versie van deze scène. ’t Verliefde Brechje is in de tijd van Tanjé een bekend verhaal, het blijspel wordt regelmatig opgevoerd in de Schouwburg.

’t Verliefde Brechje is een mierzoet verhaal over ware liefde in een achttiende-eeuws jasje. Brechje en Robbertus zijn na hun eerste ontmoeting smoorverliefd geworden en willen niets liever dan trouwen, maar Brechjes ouders liggen dwars. Ze wantrouwen Robbertus’ lage komaf en zijn intenties met hun enige dochter uit angst om hun goede naam en familiekapitaal te grabbel te gooien. De toekomst van de toegewijde geliefden is hierdoor onzeker, maar ze geven niet op. Brechje wijst haar vader op zijn vooroordelen. Is innerlijk niet belangrijker dan uiterlijk, en laten we ons niet allemaal soms eventjes gaan? Daar heeft ze hem mooi tuk, want vader houdt inderdaad wel van een kaartspelletje bij de wijn. Vader gaat tenslotte overstag, Brechje en Robbertus mogen trouwen. Tegen ware liefde kun je met je hoed nou eenmaal weinig beginnen.