Hij verbaast zich er zelf nog steeds over. ‘Haroldje Dwarreltje’, het verlegen blonde jongetje uit de Pijp, dat zich het liefst verschool achter de rok van zijn moeder, had het geschopt tot de Concertgebouwbuurt. Door hem ook wel ‘het reservaat’ genoemd. Sinds 1985 woont hij – met een korte onderbreking – in de Van Breestraat, samen met mevrouw Hamersma. Hij liep er als 16-jarige nog een krantenwijk. “In Oud-Zuid woonden violisten, advocaten, notarissen. Nooit gedacht dat ik er ooit tussen zou wonen. Dat was ook geen doel op zich. Ik zou eerder wegblijven vanwege al die Botox-bekkies die je voorbij ziet kuieren. Ik ben hier niet voor de buurt. Niet voor Chanel. Maar voor de straat en het huis. In het voorhalletje maakten Karin en ik een rondedansje toen we voor het eerst gingen kijken. Dat voelde zo goed. Hier gingen we kinderen krijgen.”
Harold voelt zich onwaarschijnlijk bevoorrecht dat hij met zijn pen en hoofd dit heeft kunnen bereiken. Hij woont in ‘Duur-Zuid’ en werkt in de Pijp boven de kookboekenwinkel van zijn vrouw in de Gerard Doustraat. The best of both worlds. Maar zeg niet dat hij zijn milieu ontstegen is, want hij is naar eigen zeggen een Amsterdamse volksjongen gebleven. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, leerde ik vroeger. En ook: vergeet nooit waar je vandaan komt.” Dat is hij zeker niet vergeten. Hij heeft alle luiken in zijn hoofd opengezet om de Pijp uit zijn jeugd in de jaren zestig te doen herleven in zijn boek. Zijn Joodse oma Miegie Paardenvliegie komt langs, alle (achter)omes en (stief)tantes en verjaardagen met veel bier, jenever, Coebergh bessen en soms een knokpartij. Voetballen op straat. Het is een ode aan de buurt die hem heeft gevormd.

Vluchtbrug

Op het Museumplein – de buffer tussen Oud-Zuid en de Pijp – stoppen we even bij het Stedelijk Museum, waar Harolds moeder het nieuws haalde. “Zij was er suppoost en zag er op 21 maart 1986 hoe Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman met een stanleymes in stukken werd gesneden”, vertelt de wijnman, dol op anekdotes. “Erg onder de indruk was ze niet”, lacht hij. “Tegen journalisten zei ze dat brand erger was geweest. Het is een geestig mens. Ze heeft zich staande gehouden ondanks haar moeilijke, half verweesde jeugd en is altijd positief gebleven. Dat heb ik van haar. Als het slecht weer is, vindt zij het mooi weer, als het mooi weer is, vindt ze het schitterend.”
Zelf blikt hij terug op een zorgeloze jeugd. Hij voelde zich veilig en beschut in het blok tussen Stadhouderskade, Ferdinand Bolstraat, Albert Cuyp en Ruysdaelkade. Alles daarbuiten voelde vreemd. Een bezoek aan het Museumplein was een grensoverschrijdende bezigheid. “Ik kwam hier om de autobanden over de klinkers te horen roffelen. Er lag een doorgaande weg met de grandeur van een Parijse boulevard, waar alle automobilisten nog wat extra gas gaven.” Onveranderd is het mooie basketbalveldje.

“We voetbalden hier ook. De goal was de paal. Maar ik bleef nooit te lang. Ik vond het griezelig, die statige huizen met één bel, één naambordje. Ik zag nergens mensen.” De nieuwsgierigheid werd al snel verdrongen door argwaan, mieren in zijn maag, heimwee. Hij haastte zich om zo snel mogelijk terug te keren naar de eenvormige Pijp, met zijn rechte straten en sobere panden, mensen opeengestapeld in ‘tweekamerwoninkjes’, waar het buiten wél krioelde van de mensen.
Hij was opgelucht als hij de brug weer zag. Zijn ‘vluchtbrug’ van de ene naar de andere wereld. De Brandweerbrug tussen Hobbemakade en de Ruysdaelkade. “Ik stond er altijd even te leunen en met mijn hengeltje te vissen.” Hij doet het even voor. “Soms likte ik aan de leuning. Dat leverde me later nog een proefnotitie van een sauvignon blanc op. Die was zo strak, zo koel als een ijskoude brugleuning.”

Drukte

Hamersma verbaast zich erover dat iedereen zegt dat het zo druk geworden is in de Pijp. “Het was véél drukker. Hier woonden 40.000 mensen opeengepakt in de dichtstbevolkte buurt van Amsterdam. Auto’s dubbel geparkeerd, vuilnisemmers op straat. Echt een rotzooi. Maar dat zag je als kind niet. Het is nu zo netjes. Het valt op als je een drol ziet.” Langs zijn oude buitengrens aan de Ruysdaelkade hebben de huizen opgangetjes en kijk je uit op het water. Op nummer 175 heeft hij nog even gewoond met mevrouw Hamersma, vlak bij de meisjes van plezier en zelfs erboven, ontdekte hij later, al was op hun adres het rode licht al enige tijd gedoofd. “Als jongetje vroeg ik wel: ‘Mama, waarom zitten die mensen met hun badpak daar?’ Daar heb ik nooit antwoord op gekregen.”
Nog steeds vindt hij het geweldig in de Pijp. “Ik geef me nog net niet uit als locoburgemeester”, lacht hij. “Het blijft een kleurrijke buurt, ook al zijn de inkomens omhooggegaan. Maar waar niet in Amsterdam? Dat is het natuurlijke proces van een wereldstad. We hadden de eerste Chinezen, de Italianen met hun ijssalons. Veel kleine winkels. Die heb je nog steeds – alleen nu dan met Fair Trade-koffie en scharrelgebak.” Wel maakt hij zich zorgen over de Albert Cuyp. “Ons kloppende hart. Daar stonden zes groentemannen naast elkaar, haringstallen, kaasboeren. Iedereen kwam er. Ik hield van die dynamiek. Op de Cuyp leerde ik ook verkopen. Maar de markt is een tourist trap aan het worden. Stroopwafels? Met alle respect… De ziel gaat eruit.”

Pijltjes schieten

We steken de Eerste Jacob van Campenstraat in, waar Harold op 52-I op 9 augustus 1956 werd geboren. Memory lane. “Dit is mijn territory. Stenelux zat er toen ook al; de etalage met natuurstenen is volgens mij nooit veranderd. Weet je, de wijk was niet je buurt, maar de straat. Een straat verder was ik een vreemd jongetje en verbeeldde ik me dat ik er werd bekeken door vreemde ogen vanachter de gordijnen. Hier kende ik iedereen. Op 21 zat drogisterij Van der Groep. Daar kocht ik Maja eau de cologne voor mijn moeder en stookolie in kleine rode containertjes. Op 34 was een sigarenwinkeltje – nu Jacob’s Juice – en daar zag je elke zaterdag of de voetbalwedstrijden wel of niet doorgingen. In Café ’t Hoekje – nu Caron – leerde mijn vader me biljarten. Zo’n bruine kroeg waar je er vroeger duizenden van had, met van die bruine tafeltjes met Perzische tapijtjes.”
De straat leek vroeger smaller, vertelt hij, misschien wel door al die dubbel geparkeerde auto’s en de buren die uit het raam hingen. Zeker als er gevoetbald werd. “Met mijn vriendje Robbie Fleer deed ik putten. De put was de goal en als er een auto aan kwam rijden, riepen we ‘auto’ en sprongen aan de kant. We hadden geen televisie. Ik ging bij Moesje en tante Netty, onze Surinaamse buren, kindertelevisie kijken op woensdagmiddag. We waren veel buiten. Belletje trekken of pijltjes schieten met blaaspijpjes in van die hoge haarlak-kapsels als dames de kapsalon uitstapten.”
Zijn geboortehuis staat in de steigers. Slaapkamer, woonkamer en tussenkamertje, waar Harold met zijn broer sliep. Hooguit 55 m2, boven Autobedrijf W. van Leeuwen. Het keukenraam keek uit op een oude kastanje. Na de geboorte van zijn zusje vertrok het gezin naar het Hygiëaplein in de Stadionbuurt. Harold was dertien en kreeg er zijn eerste eigen kamer, pal onder het dak. Daar moest zijn schrijfmachine komen te staan, besloot hij.

Magie

Heineken was er altijd. De brouwerij zat op de hoek. De geur van hop en gist hing als een ‘klamme molton’ over de wijk. “Ik kan het nog ruiken. Ook al is er geen brouwerij meer. Alleen nog een experience, een pilspretpark.” We lopen even het overdekte winkelcentrumpje binnen aan het door hem zo verfoeide Marie Heinekenplein. “Hier werd vroeger bier gebrouwen”, vertelt hij. “Achter een groot raam stond ik dag in dag uit te kijken: de magie van de lopende band, al die flesjes die ronddraaiden en mannen in hun blauwe overal.”
De Tweede Jacob van Campenstraat leidt ons naar de kookboekwinkel van mevrouw Hamersma, hun ankerpunt en ontmoetingsplek in de Pijp. Deze buurt zal hem niet snel gaan vervelen. “Ik hou van de geuren, de dynamiek, het levendige. De buurt is steeds in beweging en overal waar ik kijk, liggen herinneringen. Kijk, het badhuis, waar ik met mijn vader heen ging.” Harold heeft verschillende routes terug naar huis. Een favoriet is die over de Cuyp. “Juist op het moment dat de markt wordt afgebroken. Als de morgensterren komen, de vogels beginnen te pikken, de vegers erover gaan. Dat vind ik heel mooi. Ik voel me hier op mijn gemak. Ik ben eigenlijk de Pijp nooit uit geweest. De Pijp zit in mij.”

WIE HAROLD HAMERSMA (Amsterdam, 1956) maakte eerst carrière in de reclame (1979-2003) en schreef daarna meer dan dertig wijnboeken, waaronder De Grote Hamersma en Wijnreis door mijn lichaam (beide onderscheiden met de Gourmand Cook Book Award in Parijs). Hij is de vaste wijnschrijver voor Het Parool en het Algemeen Dagblad. Vorig jaar verscheen zijn autobiografische roman Onder de rook van Heineken, binnenkort volgt de verhalenbundel De vrouw die water liet aanbranden. Hamersma woont in Zuid met Karin en heeft twee kinderen: Bob (31) en Julia (28).

Katja Kreukels april 2021

Foto: Hans van den Bogaard