Frits Abrahams schreef twintig jaar lang vijf columns per week voor NRC Handelsblad, sinds enkele jaren zijn het er drie. De stad speelt een grote rol in zijn stukken: bergen afval rond afvalcontainers, verhuftering, ‘brallende Britten’, de slechte staat van de kades en bruggen, waarvan het herstel zo lang gaat duren (“Twintig jaar! Leuk voor mijn kleinkinderen!”). Ik lees hem met plezier en bewondering, bijna als een soort vriend. Hij is waarschijnlijk de beste columnist van Nederland. Zo ziet hij zichzelf zeker niet: “Je moet bescheiden blijven. Het kan altijd beter.”

Elke dag loopt hij ruim een uur door de stad. “Op mijn route zijn veel stille plekken. De rust vind ik prettig, al blijven het vuil en het chaotische verkeer een ergernis.” Vanwege de coronabeperkingen lopen we eerst virtueel, per telefoon. Abrahams is zeer beducht voor het virus en wil niet samen wandelen. Daarna liep ik zijn route zorgvuldig na.

vSimon Carmiggelt

Ik begin voor de deur van zijn huis op de Egelantiersgracht. Abrahams woont daar met zijn ‘rode vrouw’, die hij in zijn columns vaak opvoert als een “doorgaans welingelicht en kritisch partijlid”. Haar commentaar op de immer ondoorgrondelijke wegen van de sociaaldemocraten is een terugkerend onderwerp. Voor trouwe lezers is zijn vrouw een goede bekende. Bovendien letten de landelijke PvdA’ers gespannen op haar oordelen, weet hij.

“Verderop wonen de fotograaf Erwin Olaf en de schrijver Frank Westerman. Tot voor kort zat Thomas Rosenboom hier ook; hij wandelde elke dag, gebogen en diep in gedachten. En in de oorlog was Simon Carmiggelt op de gracht een heel jaar ondergedoken. Carmiggelt beschouw ik als de oervader van de Nederlandse column.”

Willem Frederik Hermans was de literaire held van Abrahams jeugd. Hij las alles van hem. Hermans had een sterk wereldbeeld: zwart, illusieloos, bitter. “Achteraf heeft dat iets eenzijdigs. Als je jong bent, spreekt dat compromisloze je aan. Maar de warmere kijk mis je bij hem. Zo kwam ik bij Carmiggelt, hij is relativerend, meer invoelend. Die kant vond ik later ook bij J.J. Voskuil van Het Bureau. Die laat je lachen, schrijft op een aardige manier over de zwakke kanten van mensen. Niet agressief. Dat soort schrijvers ging ik meer waarderen.”

Twintig jaar lang vijf columns per week, hoe hield hij dat vol? “Ik vond het leuk en spannend. Een vrije onderwerpkeuze is nodig, anders lukt je dat niet. Nico Scheepmaker was een belangrijk voorbeeld voor me, die schreef ook over van alles. Verder Rudy Kousbroek, Henk Hofland, Renate Rubinstein. Het blijft elke keer een kleine sensatie om te doen.”

Voelt hij zich een ster? Verbaasd: “Helemaal niet. Ik ben nooit tevreden. Het is een hoop gepieker, houdt je erg bezig. Het heeft gevolgen voor je omgeving omdat je er in gedachten altijd mee bezig bent. Maar het geeft zo veel bevrediging.”

Bedreigd

Van de Egelantiersgracht links de Derde Leliedwarsstraat in, rechtsaf naar de Nieuwe Leliestraat. Hier staat een boekenkast met gratis boeken. Abrahams: “Ik zet er soms boeken in, heb er veel te veel. Vaak nemen boekverkopers ze uit de kast mee. Dat is niet de bedoeling.” Dan verder, richting het Hugo de Grootplein. Op de Marnixstraat staat in het plantsoentje het beeldje van de rennende man met de vioolkist. Abrahams is er zeer over te spreken, hij vindt het “cartoonachtig, vrolijk en licht.” De maker is de beroemde ‘onbekende kunstenaar’. Abrahams weet wie het is en sprak hem zelfs, maar wil onder geen beding zeggen wie hij is. Ik wil het geheim niet weten.

Aan de overkant is het vroegere politiebureau Raampoort. Hieraan heeft hij slechte herinneringen: “Ik deed er aangifte vanwege doodsbedreiging. Dat was na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Ik schreef kritisch over Van Gogh, vond hem een haatzaaier, en kreeg per mail een doodsbedreiging. Een gruwelijke tekst. Ik zat een paar uur op het bureau. Er volgde een jarenlange rechtszaak die eindigde bij de Hoge Raad, waar de eerdere veroordeling van de man bevestigd werd. De bedreiging had impact op me. Ik was een tijd op mijn hoede, betrapte mezelf op angst.”

Frits Abrahams en zijn vrouw wonen ruim twintig jaar op de gracht; daarvoor leefden ze met hun twee dochters in Hilversum. “Mijn vader kwam uit Heemstede en moest voor zijn werk naar Venlo, waar ik opgroeide en bij de plaatselijke krant begon. Ik voel me geen Amsterdammer, maar ook geen Limburger. Via het Nieuwsblad van het Noorden in Groningen kwam ik bij de Volkskrant.”

Bij die krant werkte hij veel samen met Jan Blokker, voor wie hij grote waardering had. Net als Blokker was hij nooit ‘dogmatisch links’. Anders dan veel generatiegenoten onderkenden ze de misdaden van Stalin en Mao. Abrahams zat ook in de redactie van het tv-praatprogramma van Adriaan van Dis, onder anderen met Geert Mak: “We vergaderden bij Ellen Jens thuis, de vrouw van Wim T. Schippers. Regelmatig riep Schippers iets bizars uit de voorkamer.”

Argeloos

Op het drukke Hugo de Grootplein werd twee jaar geleden de eigenaar van pizzeria La Piccola Baracca in zijn zaak doodgeschoten, de 49-jarige Serviër Goran Savic, vader van twee kinderen. Abrahams schreef erover: “Zo’n moordpartij in je eigen omgeving doet iets met je. Naast La Piccola Baracca is het Turkse restaurant Orontes West, waar ik weleens at, en daarnaast zijn onder meer een bakker en een viszaak waarvan ik vaste klant ben. Enkele uren eerder liep ik er nog rond. Je kunt de gedachte niet van je afzetten dat je er zelf had kunnen staan, happend in een broodje kibbeling.”

Over de Beltbrug en meteen naar rechts over de Buysbrug, een fiets- en loopbrug, het Van Bossepad op. Een lang stil stuk richting Staatsliedenbuurt, er liggen woonboten. “In de Tweede Keucheniusstraat vielen in december 2012 twee doden. Een derde doelwit overleefde door in het water te duiken. Het was de beruchte schietpartij waarmee de mocromaffia bekend werd. Ze schoten met kalasjnikovs, reden in een Range Rover. Ik vind dat typerend voor de wereldstad Amsterdam.” Abrahams schreef dat hij zich in die wereldstad niet onveilig voelt: “Ik woon al twintig jaar in Amsterdam en ben er nooit bedreigd, beroofd of mishandeld; ik ben ook zelden getuige geweest van zulke daden. Ik voel me soms wel onveilig in het verkeer, maar niet als ik er zomaar wat rondwandel.” Toch is de gedachte niet ver: “Als wandelaar ben je argeloos, maar de kogels kunnen je zomaar rond het hoofd vliegen.”

Verderop is het Waterleidingterrein, zonder autoverkeer. Abrahams is lovend over restaurant Amsterdam: “Daar kom ik al heel lang. Prettig, kindvriendelijk. We hebben vier kleinkinderen en eten er graag. Toen ik officieel met pensioen ging, nam ik hier afscheid van een aantal collega’s van de krant.” De luwte gaat over in het verkeersgeweld van de Haarlemmerweg, maar over de brug naar het Westerpark – “een onderschat park” – loop ik weer de rust in, langs de gashouder en bioscoop Het Ketelhuis. Abrahams komt daar soms, net als in The Movies op de Haarlemmerdijk.

Verdwaald

Bij de Willemsbrug staat het beeld van de strijdbare Ferdinand Domela Nieuwenhuis met zijn motto ‘Recht voor allen’; op het Haarlemmerplein werd op nummer 23 de latere minister-president Willem Drees geboren. Twee monumenten van de arbeidersstrijd die voor Abrahams nog altijd belangrijk zijn. Bij het Haarlemmerplein steek ik eerst een stukje de Planciusstraat in, waar het knus volgepropte antiquariaat van Everardus Fukkink zit. “Die arme Fukkink heeft meegemaakt dat de betekenis van zijn naam veranderde. Pas een jaar of twintig zijn ‘fuck’ en ‘fucking’ ingeburgerd. Het is een prettig oud antiquariaat. Hij heeft het niet makkelijk. Fukkink heeft wel heel veel boeken.”

Bij de Vinkenstraat passeert Abrahams altijd verzorgingshuis De Rietvinck. “Een van de weinige verzorgingshuizen die er nog zijn, het enige in de omgeving.” Dan, plotseling bedrukt: “Zal ik daar ooit terechtkomen? Ik hoop het niet.” De Brouwersgracht herinnert hem aan een bejaarde vrouw die daar liep te bellen: “Ze zei in de buurt te wonen, maar was duidelijk verdwaald. Ik nam haar mee naar huis. Ze was de weg kwijt en bleek bij de Kostverlorenvaart te wonen. Mijn vrouw en ik brachten haar naar huis. Buitengewoon tragisch. Ze woonde alleen en haar dochter kwam af en toe. Ze kreeg geen plaats in een bejaardentehuis.”

Op de Lindengracht staat het beeld van Theo Thijssen, zijn arm vaderlijk geslagen om een leerling. “Theo Thijssen betekent als schrijver veel voor mij. Kees de jongen is zijn beste boek, maar zijn andere boeken zijn ook goed.” Hier steekt Abrahams door naar de Westerstraat, en door de dwarsstraten terug naar de Egelantiersgracht, naar huis.

FRITS ABRAHAMS (Nijmegen, 1946) is columnist bij NRC Handelsblad. Hij werkte bij de Volkskrant en Vrij Nederland voordat hij in 1988 redacteur werd bij deze krant, vooral als interviewer, rechtbankcolumnist en televisierecensent. Amsterdam is een onuitputtelijke bron voor de column die hij sinds 1998 op de achterpagina van het eerste katern schrijft. In november 2020 verscheen zijn bundel Tussen vrouw en man bij uitgeverij Brooklyn.

Serge Markx, #3 maart 2021