De Amsterdamse Stads-Rietlanden vormden een ideale plek om joden weg te voeren. Het was Sperrgebiet, dus waren er nauwelijks pottenkijkers. Hoeveel joden hiervandaan naar Westerbork zijn gevoerd weet niemand zelfs maar bij benadering. In archieven en bibliotheken is er weinig over te vinden en in de standaardwerken van bijvoorbeeld Loe de Jong en Jacques Presser slechts enkele regels. Maar het moeten er vele duizenden zijn geweest.
De enige ambtelijke vermelding van de transporten in het spoorwegpolitierapport van ‘Station Rietlanden’ is het overlijden van de 82-jarige Rachel Breemer-Speijer op 25 januari 1943. Ze stierf op de Panamakade, waarheen ze was gevoerd vanuit haar huis aan de Smaragdstraat. Ze had ‘geluk’: Westerbork en Auschwitz bleven haar bespaard.
Velen die met haar op de kade aankwamen waren minder ‘fortuinlijk’, want in de week waarin zij overleed – 22 tot 29 januari 1943 – vertrokken volgens Han Wieleks De oorlog die Hitler won (1947) 1200 joden vanaf de Rietlanden naar Westerbork. Het is een van de weinige getuigenissen waarin nauwkeurige cijfers worden genoemd. Met zovelen zullen deze vaak oude en zieke mensen urenlang in de februarikou hebben moeten wachten op de kade.
“Op 22 januari ’s avonds is een transport van ca. 200 personen, hoofdzakelijk oude lieden, van de Borneokade te Amsterdam naar Westerbork vertrokken. Hieronder bevonden zich vier strafgevallen en 29 ernstig zieken. Op 25 januari zijn in de loop van de dag ca. 250 personen naar de Borneokade gebracht (hoofdzakelijk zieken en hun gezinsleden) en van daar naar Westerbork doorgezonden. Een aantal zieken is op 26 januari uit de Joodsche Schouwburg naar de Borneokade gebracht. In de loop van 27 januari werden in Amsterdam zieken en ouden van dagen naar de Borneokade gebracht. ’s Avonds werden ca. 250 personen naar Westerbork doorgezonden. Op 29 januari ’s morgens werd een aantal zieken uit de Joodsche Schouwburg naar de Borneokade overgebracht. Vrijdagmiddag is van de Borneokade een transport van ca. 500 personen naar Westerbork vertrokken.”
Kees Huurman noemt in Het spoorwegbedrijf in oorlogstijd (2001) drie deportaties vanaf de Rietlanden later dat jaar. Hij schrijft dat vanaf maandag 7 juni 1943 dagelijks “naar behoefte” de facultatieve trein 10093S van de Rietlanden naar Westerbork reed. Die vertrok ’s avonds om vijf over acht en arriveerde in kamp Westerbork rond half een ’s nachts. Als aantallen noemt hij 1000 joden op 11 juni 1943, 600 op 5 juli, 400 op 16 juli. De treinen dienden vanaf 11.00 uur klaar te staan “voor belading”. Er bestaat een schriftelijke overeenkomst tussen de NS en de Duitse bezetter waarin alle stopplaatsen tot op de minuut worden aangeduid. Alleen al op de genoemde zeven data van Wielek en Huurman vertrokken dus 3200 joden vanaf de Rietlanden. Maar de transporten zijn op zijn minst maandenlang doorgegaan.
De slachtoffers die dat konden moesten veelal ’s avonds vanaf de Hollandsche Schouwburg naar het station lopen. Henk Smit (79) zag ze langskomen: door de Plantage Middenlaan, langs de Oranje-Nassaukazerne en dan over de Cruquiusweg naar de Rietlanden. Zieken en bejaarden werden per vrachtauto aangevoerd. Aanvankelijk reisden ze met personentreinen, later in goederenwagons.
Wim Sels, als spoorwegman gestationeerd op de Rietlanden, constateerde in 1943 dat joodse eigendommen door de beruchte firma Puls naar loodsen op de Javakade werden getransporteerd. Hij vond op de rails weggegooide boeken en fotoalbums van joodse families.
“Dat was ook het moment dat we de activiteiten zagen die aan de Borneokade werden ontwikkeld. Elke week was er een dag waarop joodse mensen rond de trein liepen en er in plaats namen. Wij begonnen te begrijpen dat hier Amsterdammers een reis gingen beginnen.”

Ontsnappingen

Maar sommigen zagen kans om te ontkomen. In het Amsterdamse wijkblad De Eilander vertelt Henk Smit hoe zijn vader met paard en wagen broden moest afleveren aan de treinen en hoe hij joden zag rondzwerven op het omheinde station: “Mijn vader heeft er heel wat weggehaald. Hij stapelde ze om en om onder de bok, er ging een dekzeil overheen en, nota bene onder begeleiding van een ‘goede’ Duitser, ene Rudolf, bracht hij ze weg van het terrein.” Ook Jaap Altelaar, die in een loods op de Rietlanden was tewerkgesteld, hielp een paar joodse mensen ontsnappen. Hij kroop onder een wagon door en schoof, buiten zicht van de bewaking, de deur open. Drie of vier mensen konden wegkomen.
Mensen ontkwamen van het ‘perron’ uit de nog stilstaande trein of meteen na vertrek. Vlak na het station maakt het spoor een bocht. De treinen waren daar nog niet op snelheid en het was niet onmogelijk om eruit te springen – als je daar de lef toe had. Louis Kloet, destijds 31 jaar, vertelde na de oorlog hoe murw en berustend de mensen in zijn coupé hun noodlot tegemoet reden. Hij was bij het rondbrengen van een illegale krant verraden en werd via het Centraal Station naar Westerbork gezonden. Het eerste stuk reed de trein stapvoets omdat er aan de rechterzijde soldaten meeliepen. Louis kon ter hoogte van de Rietlanden uit het coupéraam aan de linkerkant klimmen. Niemand durfde met hem mee te gaan.
Heel af en toe lukte het medewerkers van de Joodsche Raad iemand uit een trein te krijgen. Ze haalden een van de mannen van de karabijnbrigade – voor dit soort klusjes in Schalkhaar opgeleide Nederlandse politiemannen die gedurende een periode de transporten begeleidden – over om een andere kant op te kijken. Of ze gaven een kopie mee van een sleutel van de coupédeur of leenden een mouwband uit met het opschrift JR, waardoor iemand vóór het vertrek zonder argwaan te wekken de trein uit kon stappen. Zo ontkwamen Rebecca Arian-Witteboon en Rika Caun.
Rebecca ontkwam nóg een keer uit de Hollandsche Schouwburg, maar na de derde arrestatie moest ze mee naar de Rietlanden. Ook nu ontsnapte ze de dans dankzij de Joodsche Raad: die had voor haar een verpleegstersschort en een mouwband in het toilet. Na de oorlog vond zij haar zoontje Max terug bij pleegouders in Limburg, waar hij via de crêche tegenover de Hollandsche Schouwburg was terechtgekomen. Rebecca Arian werd 92 jaar.
Rika Caun-Leezer woonde begin 1943 met haar man, dochter en schoonzoon in de Plantage Doklaan. Om maar niet thuis te zijn bij een razzia zwierf de familie hele dagen rond op straat. Op een ochtend in de eerste week van februari bleef Rika thuis om schoon te maken, en juist toen kwamen de overvalwagens. Ze belandde in de Rietlanden, maar in de trein fluisterde een ordebewaker van de Joodsche Raad haar toe: “Zorg dat je wegkomt, niemand ziet dat je joods bent.” Rika’s vader, haar twaalf broers en zussen en verdere familie kwamen om in de kampen, maar de hoogblonde Rika wist onder te duiken, overleefde met de haar nog resterende familie de oorlog en werd 83 jaar.

Opzienbarend
Wat er waar is van de wildwestverhalen rond juriste en verzetsvrouw Lau Mazirel, zal wel altijd een mysterie blijven. Ze was de dochter van een spoorwegman en als kind erin getraind om op en af rijdende treinen te springen. Van die vaardigheid zou ze in de oorlog gebruik hebben gemaakt. Lau’s weduwnaar, Robert Hartog, schrijft in 1996 over zijn vrouw:
“Ze was steeds als advocaat aanwezig op het perron van het Centraal Station als er een transport wegging. Ze sprong dan op het laatste ogenblik op de trein. Zij heeft vele malen kinderen uit deze treinen gered door met ze eruit te springen op het rangeerterrein na het Centraal Station.” Als het verhaal klopt, kan dit rangeerterrein kan bijna niet anders dan de Rietlanden zijn geweest.
Des te levensechter klinken de waarnemingen van schrijver Heere Heeresma, die in Een jongen uit Plan Zuid(2005) beschrijft hij hoe hij op een zwerftocht bij de Rietlanden terechtkwam: “Ik sta stil voor een hek van zwaar gaas en zie daarachter een rangeerterrein. Even verderop staan al wat gekoppelde goederenwagons. En dan zie ik hen. Twee vrachtwagens die ze bezig zijn te verlaten, terwijl een groepje moffen, de geweren in de hand, met elkaar staat te praten. En niemand wijst die gesterden de weg. Die weten ze zelf wel. Heel rustig gaan ze met elkaar een hek door. Twee vrouwen met een kind op de armen. Een oude dame, een bejaard echtpaar dat stevig gearmd gaat. Een tiental jongeren. En niemand heeft iets van bagage bij zich. De oudere mensen nemen moeizaam de rails, zoeken een biels of sjouwen door de zware kiezel. Zo is het nog een eind voor ze bij dat rijtje goederenwagons zijn gekomen. En inmiddels helpen de jongeren. Twee meisjes nemen een kind over en dragen het verder, en het gearmde echtpaar struikelt, maar weet zich alsnog voor vallen te behoeden. Een lid van de Wehrmacht is vooruitgelopen en springt een meter omhoog op de treeplank van een goederenwagon. Met de stalen stootplaat onder de kolf van zijn geweer ramt hij omhoog tegen de sluitbeugel van de grote deur, springt weer naar beneden, vat een beugel, trekt en rolt de zware deur open. De wagon staat al vol mensen, van wie er een paar tussen de benen van de anderen neerhurken of op de bodem zitten. En terwijl de soldaten toekijken, begint het inladen. De kinderen worden bij een armpje de ruimte ingetrokken en met wat geduw volgt het bejaarde paar, maar de oude mevrouw geeft problemen. Ze durft niet en moet toch. Tenslotte ligt ze met het bovenlijf op de bodem van de goederenwagon en wordt er dan in geduwd. Regen spet op de capuchon van mijn poncho en ik wil roepen. Nu kan het nog! Spring naar beneden en waaier uit!
Geen kerm. Geen klacht, geen geschreeuw. Iedereen is nu in de wagon en staat hutjemutje met het gezicht naar de deur. De moffen lopen wat terug en kijken dan ook, de geweren in beide handen. En dan gebeurt er iets onbegrijpelijks. De mensen binnen duwen de roldeur zelf weer dicht totdat deze met een heldere ting in het slot valt. ‘Jullie zijn gek’, roep ik ineens. Mijn stem gaat gelukkig in de ruimte verloren. De wagons die daar staan, vol van leven, zijn levenloos in een put van stilte.”