Voor de meeste kunstenaars was en is het vinden van een goede en betaalbare werkruimte niet makkelijk. Lange tijd was dat alleen weggelegd voor kunstenaars in goeden doen of met de juiste connecties. Vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw kwam daarin enigszins verandering door de bouw van nieuwe atelierwoningen, maar pas in de jaren tachtig en negentig namen jonge kunstenaars het heft in eigen handen. Zij gingen leegstaande gebouwen kraken, en richtten daarin woon- en werkruimtes in.

Gemakshalve beperken we ons hier tot de ateliers van de 19de tot en met 21ste eeuw. Over vroeger eeuwen is de informatie vrij beperkt. In de 19de eeuw kon slechts een gering aantal kunstenaars het zich veroorloven er eigen atelier op na te houden, afzonderlijk van de ruimten waar men at en sliep.

Wie dat moeiteloos kon was schilderes Thérèse Schwartze (1851-1918). Schwartze was buitengewoon populair en had als een van de best betaalde portrettisten van Nederland een fortuin vergaard. Zij schilderde onder meer portretten van drie generaties koninginnen; een van haar bekendste portretten is dat van Wilhelmina tijdens de troonsbestijging in 1898. Aanvankelijk werkte zij in het atelier van haar vader, de schilder Johan G. Schwartze, op de zolder van het ouderlijk huis Prinsengracht 1091, waar zij vanaf haar vijfde jaar woonde. Toen haar roem dat toeliet, kocht zij in 1904 nummer 1089 erbij en liet architect Eduard Cuypers een hoog atelier met plat dak bouwen op de samengevoegde zolderverdiepingen. In 1913 kocht ze ook nog nummer 1087 en werd die zolder aan het atelier toegevoegd. Haar atelier, met kleine expositieruimte (de Roode Kamer), was weelderig ingericht met een grote schouw en overal dure vazen. Het diende niet alleen als werkplek, maar ook als representatieve ontvangstruimte voor belangrijke klanten, vakgenoten en kunstcritici.

Jan Sluijters (1881-1957), sinds 1902 in Amsterdam, begon als armoedzaaier: zijn felgekleurde schilderijen waren aanvankelijk ruim op de mode vooruit, dus verdiende hij zijn brood vooral met het illustreren van kinderboeken. Hij deelde rond 1905 een atelier op de zolder van Tweede Jan Steenstraat 80 met kunstbroeder Leo Gestel. Daar moet het een zoete inval zijn geweest voor berooide vakbroeders. Toen Sluijters eenmaal een gevierd portretschilder was geworden, ging hij wonen in de nette Lomanstraat, en had hij een atelier op de Ruijsdaelkade. In 1930 verhuisde hij met zijn gezin naar het riante bovenhuis van Olympiaplein 79, met op de bovenste verdieping een speciaal voor hem gebouwd atelier. Tot een uur of vier was Sluijters daar geconcentreerd aan de slag en spoedde zich dan per fiets naar kunstenaarssociëteit Arti op het Rokin, om er te drinken en te biljarten. Daar stond de stoere man niet in de laatste plaats bekend om zijn belangstelling voor mooie vrouwen. “De man met de baard op de rug” werd hij genoemd, omdat hij op de fiets altijd achterom keek naar de meisjes. Hoe belangrijk hij in Amsterdamse kunstkringen was, bleek wel bij zijn dood: hij werd opgebaard in het Stedelijk Museum.

Na Jan Sluijters betrok de schilder Carel Willink (1900-1983) het atelier op de Ruysdaelkade 15 en ging er ook wonen. Hij bracht er het grootste deel van zijn leven door, en op veel van zijn werken is het uitzicht op de monumentale huizen van de Weteringbuurt terug te vinden. Willink was de erkende meester van het magisch realisme: hij schilderde een aan de realiteit ontleende gefingeerde wereld, heel precies en in een koele, analytische stijl. Over opdrachten had hij niet te klagen; vanwege zijn technisch vermogen en vakmanschap was hij een veelgevraagd portretschilder. Bekenden uit de wereld van kunst en cultuur frequenteerden zijn huis, onder wie Adriaan Roland Holst, Gerard van het Reve en Wim Sonneveld. Zelf vertoonde hij zich graag op plaatsen waar hij ‘gezien’ werd. Willink en zijn tweede vrouw Wilma Jeuken (overleden in 1960) waren opvallende verschijningen. Hij was statig en zat altijd goed in het pak, en zij droeg meestal een broek, wat tot in de jaren vijftig voor vrouwen vrij ongebruikelijk was. De belangstelling voor Willink en zijn werk verdween overigens bijna in het niet naast die voor zijn extravagante derde vrouw, Mathilde.

Koude zolderkamers

Een tochtige en koude zolderkamer past misschien beter in de romantische voorstelling van een kunstenaarsleven dan de ateliers die hierboven beschreven zijn. Piet Mondriaan (1872-1944) en Karel Appel (1921) woonden en werkten in hun begintijd op dergelijke armzalige locaties; zij zwierven van atelier naar atelier, en hadden geen geld om een eigen werkplaats te kunnen kopen. Mondriaan woonde en werkte vanaf 1892 tot zijn vertrek naar Parijs in 1912 op minstens acht Amsterdamse adressen, waaronder de zolder van Ruysdaelkade 75, Eerste Oosterparkstraat 180 driehoog en (jarenlang) de zolder van Albert Cuypstraat 158, en in zijn laatste Amsterdamse jaren Sarphatipark 42 eenhoog. Hij woonde en schilderde steeds in dezelfde ruimte en stelde eigenlijk maar één voorwaarde aan zijn werkruimtes: licht op het noorden. Bijna steeds had hij particuliere huisbazen, behalve toen hij in 1905-1906 woonde op de zolder van Rembrandtplein 10. Die huurde hij namelijk voor een vriendenprijs van de kunstenaarsvereniging Sint-Lucas, waarvan hij lid was. Op den duur werd hij daar echter een beetje weggekeken, vanwege zijn gewaagde stijl (kubisme, luminisme). Samen met een aantal andere vernieuwende kunstenaars – Jan Toorop, Conrad Kickert en Jan Sluijters – richtte hij in 1910 de Moderne Kunstkring op en zegde zijn Lucas-lidmaatschap op.

Ook Karel Appel zwierf in zijn beginjaren van atelier naar atelier. In de oorlog woonde en werkte hij op het adres Zwanenburgwal 42 (nu 72-82), logerend bij de anarchistische kunstenaar en anarchist Henk Eikeboom. Na de bevrijding betrok hij de zolder van Huize Smyrna, Oudezijds Voorburgwal 127. Dat was eigendom van de schrijver/criticus H.A. Gomperts, die voor langere tijd in de Verenigde Staten verbleef, en het fungeerde als opvanghuis voor dakloze kunstenaars. Eigenlijk was het gekraakt, al bestond die term toen nog niet. Het verhaal ging dat medewerkers van Het Parool in de oorlog schietoefeningen hadden gehouden op de zolder – de kogelgaten zaten nog in de balken. Verderop aan de Oudezijds Voorburgwal, op nummer 86, bevonden zich het woonhuis en het atelier van de schilder Eugène Brands, dat diende als ontmoetingsplek voor de kunstenaars van De Experimentele Groep. Daartoe behoorden, behalve Brands zelf, Appel, Corneille, Constant, Theo Wolvecamp, Anton Rooskens, en de dichters Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar en Lucebert. Een paar grachten verder, op de Binnenkant 32, woonde het architectenechtpaar Aldo en Hannie van Eyck. Zij hadden een uitgebreide collectie boeken over moderne kunst, waardoor onder meer Appel in aanraking kwam met de nieuwste ontwikkelingen in Parijs. In 1950 vertrok hij samen met Corneille voorgoed naar die stad.

Ateliers waren eeuwenlang ofwel onderdeel van de eigen woning ofwel hergebruikte zolders of andere grote ruimten die eerst een andere bestemming hadden. De eerste beroemde uitzondering op die regel was sinds eind 19de eeuw te vinden op de Westelijke Eilanden. Het werd gebouwd voor de jonge Kees Maks (1878-1967), die furore maakte als schilder van het theater, het circus en het café-chantant. Zijn vader, die een groot aannemersbedrijf op het Prinseneiland bezat, had zijn zoon eigenlijk het liefst als zijn opvolger gezien. Maar toen de door hem zeer bewonderde George Breitner (1857-1923) Kees’ werk heel goed bleek te vinden, ging vader Maks ermee akkoord dat zoonlief kunstenaar zou worden. Hij liet zelfs voor zijn zoon én Breitner (die in ruil Kees gratis schilderles ging geven) een eigen atelier bouwen, op Prinseneiland 24A en 24B. De vertrekken waren ruim, met grote ramen, veel licht en een prachtig uitzicht op de Nieuwe Teertuinen, dat door Maks en door Breitner vaak werd vastgelegd. Breitner was op het toppunt van zijn roem toen hij er in 1898 ging werken: hij woonde destijds op de Lauriergracht en zou daarna nog geregeld verhuizen. Hij zou het atelier op het Prinseneiland tot 1914 blijven gebruiken, hoewel hij er niet onverdeeld gelukkig was. Vaak beklaagde hij zich bij Kees Maks over de kou in de winter, de hitte in de zomer en de eeuwige wind.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Belgische schilder Raoul Hynckes (1893-1993) medegebruiker van Maks’ atelier. Hij schilderde er de pakhuizen aan de overkant. Sinds 1970 woont en werkt de schilder Jef Diederen in Breitners voormalige atelier. Dat had jarenlang leeggestaan en was ernstig verwaarloosd, maar is volgens de kunstenaar nu een paradijsje.

Het als zodanig gebouwde atelier bleef nog lang daarna een uitzonderlijke luxe. Dat veranderde pas in 1934, toen kwam voor een wat grotere groep kunstenaars goede atelier- annex woonruimte binnen bereik. In dat jaar werd een blok met 32 atelierwoningen aan de Zomerdijkstraat/Uiterwaardenstraat opgeleverd, een voor die tijd uniek project. Aangezien de huren aan de hoge kant waren, werd het complex voor het merendeel betrokken door kunstenaars die al naam hadden gemaakt. De beginnende architecten Zanstra, Giesen en Sijmons hadden zich laten inspireren door atelierwoningen van Le Corbusier en Alfred Loos in Parijs, en door het ‘bouwatelier’ op het Prinseneiland van Breitner en Maks. De meningen over het complex – dat nu monumentenstatus heeft – waren direct zeer verdeeld: sommige enthousiastelingen vergeleken het met het Empire Statebuilding, anderen voelden bij de aanblik ervan “den verstijvenden adem des doods”.

De atelierwoningen bevatten tal van praktische details, zoals liftjes voor het vervoer van verf en gips, en afschroefbare balkonhekjes voor het takelen van kunstwerken. De ronde ramen aan de zijkant waren zo gemaakt dat er geen vals licht kon binnenvallen. Aan de noordkant waren vier lagen ateliers met hoge ramen en aan de zuidkant zes gestapelde woonlagen. Het hoogteverschil tussen de ateliers en de woonruimtes werd optimaal benut door een afwisseling van grote en kleine woonruimtes. Ongehuwde kunstenaars kregen in die tijd één woonetage bij hun atelier, gehuwden twee. Het complex heeft heel wat illustere bewoners gehad, onder wie schrijver en beeldhouwer Jan Wolkers (dit is het decor van zijn roman Turks Fruit), de beeldhouwers Charlotte van Pallandt en Fred Carasso en danseres Sonia Gaskell, die er haar balletschool vestigde.

Ondertussen bleef de ateliernood onder kunstenaars hoog. Leegstaande schoolgebouwen werden als werkruimte in gebruik genomen en daarbij in veel gevallen ook illegaal bewoond. Bij de komst van een gemeentelijke controleur werden volgens de verhalen dan de sporen van bewoning haastig in kasten en zijkamers verstopt. Om de nood te lenigen, kochten particuliere stichtingen als Diogenes en Woon- en Werkruimte voor Kunstenaars oude panden op, die ten behoeve van kunstenaars werden verbouwd. Maar door stadsvernieuwing en de sterk gestegen woningprijzen werd dat steeds begrotelijker. Diogenes kocht voor het laatst een pand in 1976, in de Javastraat 126.

Daarnaast werden vanaf de jaren zestig nieuwbouwcomplexen standaard voorzien van enige atelierwoningen met een redelijke huur. In een deel van Osdorp gebeurde dat op bijna elke hoek, maar ook in de oude binnenstad deed de gemeente haar best. Zo werden in 1961 tien ateliers met twaalf woningen in de Rapenburgstraat opgeleverd.

Het heft in eigen hand

De ateliernieuwbouw bleef een druppel op de gloeiende plaat. En een atelier kopen of huren was voor de meeste jonge kunstenaars absoluut onhaalbaar: dat lukte echt niet van een BKR-uitkering! Dus stond de schildersezel noodgedwongen naast de ontbijttafel of achter het bed. Toen in de jaren zeventig en tachtig veel grote bedrijven en kantoren uit de binnenstad verdwenen en in het havengebied loodsen leeg kwamen te staan, namen de kunstenaars die ongeautoriseerd in beslag. De gekraakte gebouwen werden eigenhandig verbouwd tot woon- en werkruimtes, met voor iedereen toegankelijke expositieruimtes en cafés. Het begon in 1979 met het verlaten Handelsbladgebouw op de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar werd door onder anderen Peter Giele en Peter Klashorst de roemruchte galerie Aorta geopend, indertijd dé vrijplaats voor vernieuwend Amsterdam.

Eind jaren zeventig werd ook het Blaauwlakenblok gekraakt. De 70 huizen en bedrijven, een klooster en een voormalige drukkerij tussen de Warmoesstraat en de Oudezijds Voorburgwal waren al een tijd aan het verkrotten toen een groep kunstenaars er ateliers, werkplaatsen, een theater en een tentoonstellingsruimte vestigden. Het eigenzinnige en vernieuwende beleid van die tentoonstellingsruimte in de Warmoesstraat, naar het adres W139 genoemd, werd onlangs bekroond met de Amsterdam-prijs voor de kunsten. Een paar jaar geleden werd na langdurige onderhandelingen met gemeente en woningbouwvereniging begonnen met een grondige verbouwing van het Blaauwlakenblok, waarbij ruimschoots rekening wordt gehouden met de belangen van het kunsttalent.

In 1984 verzetten actieve bewoners van Oud-West zich samen met de kraakbeweging met succes tegen de sloopplannen van het voormalige Wilhelmina Gasthuis in de Eerste Helmersstraat. De statige paviljoens aan weerszijden van de ingang werden verbouwd tot werk- en woonruimtes voor kleine bedrijfjes en kunstenaars en een tentoonstellingsruimte. Aan de voorkant werd een café-restaurant gevestigd, en daarachter een grote theaterruimte. Ook het Oranje-Nassau Veem uit 1898 in de Van Diemenstraat, dat ooit diende als pakhuis voor luxegoederen uit de Nederlandse koloniën, werd in 1981 gekraakt. De krakers verbouwden de tienduizend vierkante meter in de loop van de tijd met geld van subsidies en leningen tot werkruimtes en een expositieruimte. Boven in het Veemgebouw, in de ruimte waar vroeger partijen tabak gekeurd werden, bevindt zich nu een theater met daarnaast een café-restaurant.

Op het KNSM-eiland staat Loods 6. Vroeger was dit het havengebouw van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij, maar toen die vertrok namen kunstenaars bezit van het gebouw en van de vroegere kantine, een vierkant glazen gebouw midden op het eiland. Het KNSM-eiland was jarenlang een niemandsland, waar stadsnomaden en ander ongeregeld volk hun kampement opsloegen. Tegenwoordig zijn beneden in Loods 6 winkels en het Open Havenmuseum gevestigd, en daarboven grote bedrijfsruimtes en ateliers, met een schitterend uitzicht over het IJ. In de vroegere bagagehal vinden regelmatig exposities en evenementen plaats.

Nee, niet alle kraakpanden was zo’n gelukkige toekomst beschoren. Het kunstenaarscomplex in de Conradstraat in de Czaar Peterbuurt werd uiteindelijk toch ontruimd en gesloopt, en de Kalenderpanden aan het Entrepotdok (voorheen ook een spontane ‘broedplaats’ voor armlastig talent) werden ondanks massaal protest verbouwd tot dure koopappartementen. Maar de acties hebben er wel voor gezorgd dat de gemeente, hoe haperend ook, een officieel ‘broedplaatsenbeleid’ heeft. Dat is Amsterdam, dat zich nu zo graag ‘creative city’ noemt, natuurlijk ook aan haar stand verplicht. En aan die eigenwijze kunstenaars natuurlijk. Want de stad mag zich gelukkig prijzen met de woon- en werkcomplexen die door de krakers behoed zijn voor verpaupering en sloop, en die Amsterdam nu verlevendigen met toegankelijke expositieruimtes, theaters en cafés.