Precies honderd arme en oude mannen en vrouwen namen op maandag 9 augustus 1602 hun intrek in het Oude Mannen en Vrouwen Gasthuis tussen de Oudezijds Achterburgwal en Kloveniersburgwal, direct naast het Binnengasthuis. Dit ‘Oudemanhuis’ was de voortzetting van een oudeliedenhuis op de Nieuwe Zijde, dat omstreeks 1548 door de rijke weduwe Haesje Claesdochter was gesticht. Dat gasthuis was het eerste echte bejaardenhuis van Amsterdam.

Eind 16de eeuw woonden in het Oude Mannen en Vrouwen Gasthuis 45 mensen en dat was het maximaal haalbare. Een uitbreiding was noodzakelijk omdat “door de benauwtheydt deser teghenwoordigen tyden het getal der oude, arme, impotente Luyden, geen middel hebbende om te leven, ende nochtans onderhouden moeten worden, daghelijcks meer ende meer vermeerdert”. Voor de financiering van de uitbreiding werd in 1600 een loterij georganiseerd. Die leverde zoveel op dat men niet alleen veel meer ouderen kon opnemen, maar ook een nieuw gebouw kon betrekken dat men liet verrijzen “op de grondt van den Boogaart der Oude Nonnen”, op de Oudezijds Achterburgwal. Twee jaar later al werd het opgeleverd.

Na de verhuizing in 1602 kreeg het oude gasthuis op de Nieuwe Zijde een nieuwe functie, maar nog tot in het midden van de 17de eeuw werd het het ‘Oudemanhuis’ genoemd. De toegangspoort in de Kalverstraat, de ‘Oude Mannenpoort’, was feitelijk de eerste Oudemanhuispoort in de geschiedenis van Amsterdam.

Een paleis voor armelui

Het op de Oude Zijde verrezen oudeliedenhuis was zo’n prachtig gebouw geworden dat voorbijgangers maar moeilijk konden geloven dat het was bestemd voor oude, arme lieden. Pontanus prijst in zijn Historische beschrijvinghe der seer wijt beroemde coop-stadt Amsterdam uit 1611 de schoonheid ervan: Het hoofdgebouw met de regentenkamers was “met groote costen ende fraey gebout, want behalven de heerlicke ende nette portalen zijn daer twee eetzalen […] Ende alles is alsoo gepast ende geschickt dat men seggen soude dat het is niet een huys van arme, maer een paleys van groote meesters”. De suggestie van overdaad en misplaatste luxe spreekt ook uit de hexameter (van Pontanus?) onder de oudste gravure van het gesticht: “Miraris Regum splendentia culmine tecta? Hoc Pauperum est Palatium.” (Jij vraagt je af of er in dit schitterende gebouw koningen wonen? Het is een paleis voor armelui!).

Voor het Oude Mannen en Vrouwen Gasthuis kwamen in aanmerking inwoners van Amsterdam van vijftig jaar en ouder, die bovendien ongehuwd en vrij moesten zijn (dat wil zeggen zonder kinderen tot hun last, en niet bezwaard door schulden). Het was een huis voor zogenaamde schaamarmen, verarmde ‘middenstanders’ aan wie men niet direct kon afzien dat zij tot armoede waren vervallen. Dat het gasthuis niet bestemd was voor de allerarmsten, blijkt uit de bepaling waarin wordt opgesomd wat nieuwe bewoners allemaal moesten meenemen, zoals een goed bed, drie dekens, twee ‘oorcussens’, zes lakens om in te slapen, zes slopen, zes goede hemden, twee stoelen met twee stoelkussens, een ‘pints kan’ (één pint), een tinnen platteel, een tinnen kop met dito schotel en twee losse guldens. Dat bedrag was voor de begrafenis.

Aan het strafblok wegens brutaliteit

Het leven in gestichten werd doorgaans gekenmerkt door grauwheid en eentonigheid. Dat was in het Oudemanhuis niet anders. Iedere bewoner moest zich schikken naar de strenge regels. En dat niet alleen, hij moest ook tevreden zijn. Bijvoorbeeld met de plaats die hij in huis kreeg: de kamer en de plaats tijdens het eten. Aan tafel moest ieder zich stil, eerlijk en deugdzaam gedragen. Ook moest iedereen op tijd in huis zijn: ’s winters vóór zevenen, ’s zomers vóór achten. Wie zich niet aan de regels hield, riskeerde voor zes weken ‘op den dijck geset’ te worden. Aangezien de meeste bewoners geen middelen hadden en niet konden terugvallen op familie, hielden ze zich noodgedwongen in en namen het straffe bewind voor lief.

Echt slecht was de verzorging niet, al moesten sommige oudjes wel een bed delen – maar dat kwam in veel gasthuizen voor. De pot schaftte voornamelijk kool, wortelen, erwten, bonen en dergelijke. Afhankelijk van de tijd van het jaar kwamen er bloemkool, spinazie of andere groenten en ‘kinnebakshammen’ op tafel. Zo nu en dan was er konijn of eend met appelen en een enkele keer schelvis, bot, schol, zalm of paling. Op hoogtijdagen werd er zwaar Rotterdams bier geschonken in plaats van het gebruikelijke slappe bier, ook kreeg ieder dan een pintje wijn en kwam er gebraden lamsbout op tafel. Het ontbijt was zeer eentonig: om en om brood met boter en brood met kaas.

Uit de notulen weten we dat bewoners die buiten de deur over het eten klaagden zich voor de regenten moesten verantwoorden. Soms werden ze voor zes weken het huis uitgezet. Het overkwam Adriaan Brekers in 1804; toen hij zich na een maand alweer meldde, kreeg hij te horen dat hij het twee weken later nog maar eens moest proberen. In 1796 werd Aaltje Kaatman voor een week aan het blok gesloten wegens brutaliteit tegen de binnnenvader. Ze moest een houten strafblok aan een ketting aan haar been met zich meezeulen. Pas als verbetering was geconstateerd en in het openbaar excuses waren aangeboden, ging men weer over tot de orde van de dag.

Misplaatste monumentaliteit

In de beginjaren nam het aantal bewoners direct snel toe. Een jaar na de opening woonden er al 130 en in 1604 waren dat er 150. Eind 1614 woonden er “omtrent twee hondert oude arme menschen” in het Oudemanhuis. En hoewel het gasthuis in de volksmond al snel oudemannenhuis werd genoemd, woonden er - zoals in de meeste gestichten voor oude lieden – vooral vrouwen. In 1765 woonden er 115 vrouwen en 51 mannen. In 1809 woonden er 75 vrouwen en 32 mannen. Ook in de vroegmoderne tijd overleden mannen nu eenmaal eerder dan vrouwen en was er een fors weduwenoverschot. Het was bovendien maatschappelijk geaccepteerd dat mannen op latere leeftijd een tweede of derde huwelijk aangingen en daardoor minder vaak op zichzelf waren aangewezen.

De dus eigenlijk ten onrechte als ‘Ouwe Mannenpoort’ of ‘Oudemanganck’ bestempelde doorgang zoals wij die nu nog kennen stamt overigens uit 1757. Het oude gasthuis werd namelijk in 1754 afgebroken en ervoor in de plaats kwam het huidige classicistische gebouw (een ontwerp van burgemeester Pieter Rendorp), dat wel dezelfde indeling kende als het oude pand. Net zoals begin 17de eeuw bezoekers zich hadden verbaasd over het eerste, fraaie Oudemanhuis, en hadden uitgeroepen dat het een koning waardig was, zorgde ook het 18de-eeuwse Oudemanhuis voor gemengde reacties. Volgens sommige tijdgenoten getuigde de gevel van misplaatste monumentaliteit. Bij de nieuwbouw werd ook de poort vernieuwd, waarbij aan de Oudezijds Achterburgwal aan beide zijden van de poort het beeldmerk van het huis, de bril, werd uitgehouwen - een symbool van de ouderdom.

Cholerapatiënten en kunststudenten

Bij de opheffing van het Oudemanhuis, eind 1831, woonden er nog slechts dertig commensalen (letterlijk ‘tafeldelers’). De enorme daling van het aantal inwoners is te verklaren uit de nieuwe eis die de regenten omstreeks 1800 aan bewoners stelden: ze moesten bij binnenkomst een flinke som geld inbrengen omdat men anders de exploitatie van het huis niet rond kon krijgen. Dat was voor de meesten een barrière en bovendien bleven de strenge regels gelden.

Gezien de terugloop ging het stadsbestuur op zoek naar een andere bestemming voor het huis. Die werd snel gevonden, want vanwege de cholera die de kop opstak moesten op verschillende plaatsen in de stad noodhospitalen worden ingericht, bestemd voor cholerapatiënten. In augustus en september 1832 werden in het Oudemanhuis al 120 choleralijders opgevangen. De gang met de winkelkasten, die sinds 1757 in gebruik was, werd in die periode afgesloten en de nering verdween.

Toen de cholera was geweken, heeft het Binnengasthuis het complex gebruikt om zijn overtollige patiënten te stallen. Uiteindelijk zou het ‘Verband Oudemanhuis’ (de oost- en zuidvleugel) tot 1877 worden gebruikt. De west- en noordvleugel van het complex werden in 1836 echter toegewezen aan de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten. Die was vanaf 1822 gevestigd in de bouwvallige Beurs van Hendrick de Keyser. Aan de noordzijde werden op de plaats van de voormalige keuken en dienstverblijven drie nieuwe tentoonstellingszalen gebouwd.

Met de kunststudenten kwam er weer leven in de brouwerij. De ouders van de studenten waren er niet al te gerust op, want de Akademie en het ziekenhuis waren op enkele plaatsen slechts door dunne wandjes van elkaar gescheiden: door de spleten zouden gevaarlijke bacteriën verwoestend werk kunnen doen. Bij cholera-epidemieën hebben de studenten enkele keren voor langere tijd het veld moeten ruimen.

Een extra impuls voor het voormalige Oudemanhuis was de vestiging in het gebouw in 1855 van het Museum Van der Hoop (een van de voorgangers van het Rijksmuseum). Er werden toen beroemde schilderijen als Rembrandts Joodse bruidje en Van Ruysdaels Gezicht op Wijk bij Duurstede tentoongesteld. Van der Hoop heeft er gezeten tot in 1885 de collectie naar het Rijksmuseum werd overgebracht. Er waren ook andere grote tentoonstellingen, zoals elke twee jaar ’s zomers de Levende Meesters en in 1876 de grote historische tentoonstelling bij gelegenheid van het 600-jarig bestaan van de stad Amsterdam. Het Oudemanhuis werd een trekpleister voor toeristen, uit binnen- en buitenland. Vincent van Gogh is er in 1877 en 1878 verschillende keren op bezoek geweest.

Universiteitsstraat?

Een meer bevredigende bestemming voor het complex diende zich aan in oktober 1877. De stad zocht naar huisvesting voor de Universiteit van Amsterdam die op 15 oktober dat jaar officieel van start was gegaan. Na een verbouwing namen in oktober 1880 de eerste studenten bezit van de Poort en waren daar, net als in de tijd van de Koninklijke Akademie en de Rijksacademie, weer veel jongeren aanwezig.

Van alle gebruikers heeft de Universiteit van Amsterdam wel het zwaarste stempel op het complex gedrukt. De meeste disciplines, behalve de beta-faculteiten en de geneeskunde, waren in de Poort aanwezig. Maar met de honderden studenten in huis was er wel voortdurend ruimtegebrek. Aan de verbouwingen kwam geen einde. Wat alle vorige perioden aan het gebouw hadden toegevoegd, werd gesloopt en in 1890 werd een aula gebouwd – op de plaats van de tentoonstellingszalen van 1839-1840. Om het nijpend tekort aan ruimte te lenigen werd ten slotte in 1926 verderop op de Kloveniersburgwal het nieuwe gebouw De Schaats in gebruik genomen. Uiteindelijk is door de sloop van de aula in 1963, de bouw van twee gigantische nieuwe collegezalen en de herinrichting van alle overige ruimten het interieur ingrijpend gewijzigd. Zozeer, dat wat er nu nog staat slechts een façade is van het gebouw van weleer. De Poort en de binnenplaats hebben niettemin hun sfeer behouden.

Voor de rechtenstudenten is de Poort ook nu nog dé plaats waar zij hun studie van begin tot eind volgen. Anderen hebben er hun eerstejaarscolleges en leggen er tentamens af. Tot op de dag van vandaag begint dus voor veel jongeren in de Poort het studentenleven, of misschien wel het echte leven. Voor het eerst door de Poort te gaan is dan ook, heel symbolisch. Veel nieuwkomers hebben aanvankelijk een bedrukt gevoel over het gebouw, het is wat donker in de doorgang en een beetje bedompt, maar zodra ze halverwege de gang de deur naar de binnentuin hebben geopend, betreden ze een oase. De naam Oudemanhuispoort is ondanks de komst van al die jonge studenten bewaard gebleven. In 1881 werd een voorstel van Burgemeester en Wethouders om de naam te veranderen in Universiteitsstraat met een meerderheid van stemmen verworpen. En ook daarna is geen van de voorstellen tot naamsverandering gehonoreerd.

De boekverkopers

Eerder nog dan de Universiteit van Amsterdam zaten er al boekverkopers in de doorgang, de eigenlijke Oudemanhuispoort. Zij hebben in 2001 hun 125-jarig bestaan gevierd. Deze handelaren trekken de aandacht van ieder die het universiteitsgebouw betreedt of verlaat.

Toen in 1876 de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein) opnieuw werd ingericht (midden op het nieuwe, grote plantsoen kwam het beeld van Rembrandt), moesten de boekverkopers die daar enkele decennia hun domein hadden gehad een andere plek zoeken. Ze zetten hun handel voort in de winkelkasten in de Poort, wat mogelijks was doordat de cholera inmiddels was bedwongen.

Van de elf kooplieden die op 1 juli 1876 in de Poort begonnen, waren de broers Jacob en Mordechai Lobo prominente vertegenwoordigers. De laatste had nog een boekwinkel (Minerva) op het Rembrandtplein en was bevriend met Multatuli. Ook hadden Hartog Smit (de grootvader van de sociaal-democraat Henri Polak), Emanuel Mozes Boekman en Mozes Eliazer van Kollem stallen. Omstreeks 1885 was de boekenhandel in de Poort uitsluitend in joodse handen en dat bleef zo tot eind 1941.

Barend Boekman (1869-1942) kwam in 1889 bij zijn vader Mozes in de stal. In 1939 vierde hij zijn 50-jarig jubileum. Hij stond centraal in de Poort en wist zijn klanten met bijzondere boeken maar vooral door een bijzondere benadering aan zich te binden. Niemand kon Barend zo maar voorbijlopen. Begin 1941 stelde de Duitse bezetter alle joodse bedrijven, ook de boekhandelaren, voor de keuze hun bedrijven of te liquideren of over te dragen aan een Verwalter. De boekenstallen in de Poort werden als vanzelfsprekend opgeheven. In de archieven van de Omnia Treuhandgesellschaft vinden we nog gegevens over Salomon en Jacob Mossel, Simon van Kollem en Barend Boekman. Boekmans ‘Umsatz’ bedroeg ƒ 4000,-, in vergelijking met de waarde van de voorraad van zijn collega’s een mooi bedrag. Boekman was in 1941 met zijn 72 jaren de oudste van de boekhandelaren in de Poort. Hij was ook de eerste die werd gedeporteerd en kort daarop werd vermoord, op 14 september 1942, in Auschwitz. De boekverkopers uit de families Mossel, Emmering, Lobo en Van Kollem ondergingen hetzelfde lot. Twee Van Kollems, Jacques en Betsie, hebben na de oorlog in de Poort hun handel hervat.