Het Waalseiland ligt achter het huidige Scheepvaarthuis en is in 1634 aangeplempt. De kant aan het IJ werd Buitenkant genoemd en heet vanaf 1879 de Prins Hendrikkade. De zijde aan de stad heet nog altijd Binnenkant. Het Waalseiland moest een rustige plek worden voor de gegoede burgerij, in tegenstelling tot de Lastage of de Oostelijke Eilanden. Aanvankelijk was er dus geen ruimte voor pakhuizen, werkplaatsen of werven.  

In de negentiende eeuw veranderde dat. In 1832 werd de Oosterdoksdijk aangelegd en het Oosterdok als binnenhaven gevormd. In het Oosterdok meerden transportschepen aan, op de steigers en kades werden ladingen opgetast van kisten, kratten en tonnen. In de buurt vestigden zich rederijen, expeditiekantoren, beurtvaarders, vracht- en pakketdiensten en toeleveringsbedrijven. Er zaten naaiateliers, een sigarenwinkel en kroegen.  

Het Waalseiland was dus een voor de hand liggende plek voor de vestiging van een verkoopmagazijn van touwslagerij G. van der Lee uit Oudewater, opgericht in 1545 en het oudste familiebedrijf van Nederland tot het in 2013 werd overgenomen. Vanaf begin twintigste eeuw had Van der Lee een depot aan de Prins Hendrikkade, sinds 1921 op nummer 127. In 1926 kreeg mijn grootvader Herman van Doornen, voorheen boekhouder bij Van der Lee in Oudewater, er de dagelijkse leiding. 

Stucwerk en marmeren gangen 
In 1932 richtte directeur Gijsbert van der Lee N.V. De Hollandsche Compagnie op, samen met ondernemers van de NDSM en de SHV. Directeur werd F.H. van Peski. De Compagnie trok niet in bij Prins Hendrikkade 127. Bedrijfstechnisch was dat een ideaal pand, met een gelijkvloerse ingang, zolders van voor naar achteren en behalve de hijsbalk aan de voorkant ook hijsgelegenheid via een hijsluik binnen in het pand. Maar de kantoorruimte op nummer 127 was niet representatief, vond Van Peski.  

De Hollandsche Compagnie vestigde zich daarom op Prins Hendrikkade 147, een oorspronkelijk zeventiende-eeuws pand dat in 1911, waarschijnlijk na een brand, was verbouwd naar ontwerp van de architect Harry Elte. De gestucte façade met schijnvoegen is met enige goede wil art deco te noemen.  

Het gebouw was niet bijzonder geschikt voor intensief gebruik als bedrijfspand. Op de bel-etage had het kantoorruimten in voor- en achterhuis, maar de bedrijfsruimte in de kelder was krap. Van Peski betrok met zijn vrouw de woning op de tweede etage en Herman van Doornen kwam er op kantoor te werken. Als gevolg van een zakelijk conflict werd de Hollandsche Compagnie in 1938 opgedeeld. Met Van Peski als directeur verhuisde de firma naar Prins Hendrikkade 129, een monumentaal pand uit de achttiende eeuw met stucwerk en marmeren gangen. Van Peski ging zelf op nummer 170 wonen.  

Sinds de jaren dertig werkte Touwfabriek van der Lee samen met een gelijksoortig bedrijf uit Gorinchem, de N.V. Staaldraadkabel- en Herculestouwfabriek v/h Den Haan, een firma die zich had gespecialiseerd in het vervaardigen van staalkabels. Het verkoopkantoor bleef gevestigd op Prins Hendrikkade 147, vanaf 1938 onder de naam Van der Lee & Den Haan N.V. 

Het lelijkste pandje van de kade 
Tussen de zwart geteerde bakstenen gevels aan de kade valt de witgepleisterde gevel van 147 op, vooral door de twee halfronde ´bobbels’, als gevelbekroning uniek. De familie Van Doornen sprak gekscherend over ‘het lelijkste pandje van de PH-kade'. Nummer 147 heeft geen dwarsgeplaatste bordestrap, maar een stel treden en een portiek, en geen verhoogd zadeldak met pakzolders, maar een plat dak.  

Behalve de voorgevel week ook het gebruik van de verdiepingen in het pand af. Traditioneel lag in panden aan de kade de opslag op de bovenste verdiepingen en werd op de bel-etage gewoond. Op nummer 147 was de indeling omgekeerd. Op twee hoog was de woning, op één hoog lagen de voorraden touw en staaldraad, op de bel-etage werd kantoor gehouden. In de kelder was de werkplaats voor de tuigers, die de tuigage van een schip maakten en herstelden, en het schiemanswerk dat onder andere onderhoud en verbindingen van het touw verzorgde. 

Herman van Doornen, inmiddels benoemd tot directeur, ging hier met zijn vrouw en twee kinderen wonen. Aan de voorkant was de woonkamer, met gravures van zijn geboorteplaats Oudewater aan de wand. De ramen gaven een weids uitzicht over het Oosterdok waar beurtschepen en stoomslepertjes af en aan voeren. In de opkamer had een oude scheepjesklok zijn plek, een Amsterdams staand horloge met heen en weer wiegende scheepjes en deinende golfjes. Aan de achterkant bood het slaapkamerraam een doorkijkje op de Montelbaanstoren. Het hele pand was doortrokken van de bitterzoete geur van geteerd touw, die zich ook in de kleding van de bewoners had genesteld.  

Dronken zeelui 
Vanuit de stad gezien was de buurt een levendige maar ruwe uithoek. Op het Waalseiland woonden weinig gezinnen met kinderen. De havenbuurt had geen goede naam. Als de kinderen van de Van Doornens voor een verjaarspartijtje klasgenootjes uitnodigden, belden de moeders bezorgd op: kon hun kroost wel veilig over straat? Er zwalkten dronken zeelui, door opgeschoten knapen nageroepen: ´Hou je roer recht!´ Naast de brug bij de Kalkmarkt lagen spiritusdrinkers.  

Op kantoor werkte behalve Herman van Doornen sinds 1955 ook zijn zoon Johan van Doornen als onderdirecteur. ‘In de kelder had je Piet en Willem’ herinnerde Johan  zich in 1989. ´Ras-Amsterdammers, die “ome” genoemd werden.’ Piet was geboren op Het Klooster, een stel nauwe steegjes bij de Kalverstraat. ´Piet Meur was de magazijnmeester, een oude knorrepot. Tegen de chauffeurs van de touwfabriek uit Oudewater jende hij: “Weet je wat je voor mijn ben? Voor mijn ben je een boer." Alles buiten de Singelgracht was boer.’ Zelf woonde Meur op de Marathonweg. 

Splitser Willem Meijer woonde op de Binnenkant. ‘Die was aardig. Voorop de transportfiets bracht hij mij naar school,’ vertelt dochter Dorine van Doornen. ‘In een rieten mand, met een dekzeil erover als het regende.’ 

Onderop de gevel van nummer 147 stond te lezen: ‘Touw / Staaldraad / Touwfabriek G. van der Lee N.V. Oudewater / N.V. Voorheen J.C. Den Haan Gorinchem’. Er werd stevig gewerkt, vond men toen, maar in hedendaagse ogen werden de historische panden uitgewoond. De stoep sprak boekdelen. Die was smerig van vet en olie. Menige tegel was gebroken, aan diggels gesmeten bij het lossen van zwaar ijzerwerk of vermorzeld door het wentelen met grote haspels. ‘Als je er liep werd je kleiner, de stoep had een kuiltje,’ zo beschreef Chris Damen, tuiger sinds 1964, het ingedeukte trottoir. ‘Maar op de blauwe stoep van nummer 129 waren we knap. Geen spatje! Die waren van de monumenten.’ 

Kuipen zoutzuur 
Milieueisen waren nog onbekend. Op nummer 143 zat de firma C.W. Todd die handelde in brandvertragende coatings, geluidsisolerende ontdreuningsmatten voor scheepsmotoren en in asbestpakkingen om stoomleidingen te bekleden. Bij het lossen van de asbestplaten wolkten de vezels over straat. Werklui droegen de platen op de schouder naar binnen. Na afloop schuierden ze hun overalls voor de deur af.  

Op de hoek van Kalkmarkt 1 zat de firma W. Homeijer Jr., een lood- en zinkwerkerij die onder meer scheepslantaarns vervaardigde. Op de stoep stonden kuipen zoutzuur om zink af te bijten. Wolken zoutzuur stegen op, de damp sloeg in je neus. In het buurpand op nummer 146 zat een koffie- en theehandel, eerst de firma Schouten, later de firma Louis Koopman. De koffiebranderij zat in het achterhuis.  

De bouwvallige schoorsteen was tegen een zijmuur van nummer 147 gemetseld. Er werden ook pinda’s gebrand. Johan van Doornen: ‘De pestilente lucht drong bij ons naar binnen. Het zag blauw. Mijn moeder liep met tranen in de ogen. Klagen bood geen soelaas. Toen hebben we een keer een marmeren tegel op de schoorsteen van de branderij gelegd. Al gauw sloegen de rookwalmen uit hun ramen. Later is Bouw- en Woningtoezicht gekomen. Gedaan was het met de overlast!.’  

Als de vrachtwagen met aanhanger uit Oudewater achteruit moest insteken werd het verkeer op de kade stil gelegd. Oom agent verscheen, maar toonde begrip. De stoep was laad- en losplaats en soms in gebruik voor opslag van voorraden, ’s nachts met een aangesjord zeildoek overdekt. Ruimtegebrek noodzaakte het bedrijf elders in de buurt magazijnruimtes te huren, op een gegeven moment zelfs een binnenvaartschip in het Oosterdok. De zaak zat ‘versnipperd’, volgens Johan van Doornen. ‘Maar dat went, zoals je went aan een kromme trapper van je fiets.’ 

Fabriekshal 
In de jaren vijftig begon de bouw van de IJ-tunnel. De Prins Hendrikkade zou als een van de brede toevoerwegen gaan dienen. Bovendien verplaatste de haven zich westwaarts. Lang koesterde de zaak nog de hoop in de buurt te kunnen blijven – ‘Omdat hij hier hoorde,’ zei Johan van Doornen. Maar verhuizen werd onvermijdelijk.  

In de zomer van 1969 verliet het bedrijf het Waalseiland voor een industrieterrein bij Sloterdijk. Na bedrijfsfusies (waaronder met de Hollandsche Compagnie) omgedoopt tot Staalkabel B.V. betrok de firma aan Turbinestraat 17-19 een grote rechthoekige fabriekshal met inrijpoort en eigen voorterrein. Een opgeschilderd scheepsanker sierde een bloemenperkje.  

Na het vertrek van de zaak bleef het echtpaar van Doornen in het pand wonen. Een van de twee kort na de oorlog geboren zoons woont er met vrouw en katten nog altijd: op een jaar na driekwart eeuw. 

CAROLUS VAN DOORNEN IS KUNSTHISTORICUS EN KLEINZOON VAN HERMAN VAN DOORNEN. 

December 2021