Het is 1 juni 1954, omstreeks kwart over vijf, als het misgaat op de Mauritskade. Het ongeluk wordt veroorzaakt door een gebrek zo oud als de mens zelf: onoplettendheid. De bestuurder van de auto, de zestigjarige D.H., steekt vanuit de Linnaeusstraat de tramrails over. Hij rijdt rustig, maar is te gefocust op het overige verkeer om ook nog aan de tram van lijn 10 te denken, die precies op dat moment met ‘vrij grote vaart’ nadert.

De trambestuurder remt zo hard als hij maar kan, maar slaagt er niet op tijd in om het voertuig tot stilstand te brengen. De auto wordt in de flank geramd, raakt het trottoir en slaat om. Ondanks het dramatische beeld valt de schade gelukkig mee. De onfortuinlijke automobilist komt er met een zwaar beschadigde auto, maar zonder letsel vanaf. Ook de passagiers van de tram komen met de schrik weg. De schade aan de tram blijft beperkt tot een ingedeukt voorbalkon en een kapotte koplamp.

Het verkeersongeval wordt vastgelegd door een onbekende fotograaf van de politie. Het haalt de krant, en zeventig jaar later weer Ons Amsterdam.