De oudste blijken van ‘doelmatige elektrische activiteit’ in Amsterdam zijn resten van in de bodem van het Rokin gevonden batterijen. Een platte koolstof staaf gevat in een metalen klem, is onderdeel van een Bunsen-batterij, in 1841 geïntroduceerd door de Duitse uitvinder Robert Bunsen. Een afgebroken koolstof-elektrode heeft toebehoord aan een batterij van de Fransman Georges Leclanché (1866). Verder zijn er bij de opgravingen voor de aanleg van de Noord-Zuidlijn zeven geoxideerde zinken staafjes aangetroffen, waarschijnlijk ook afkomstig van een van beide soorten batterijen.

De Bunsen- en Leclanché-batterijen hebben een belangrijke rol gespeeld bij de opkomst van de telegrafie. De elektrische telegraaf bewees voor het eerst dat elektriciteit meer was dan een interessant natuurkundig fenomeen; de vondsten markeren dan ook het begin van moderne telecommunicatie, en van de elektrificatie van de stad.

De eerste elektrische telegraafverbinding in Nederland kwam tot stand op initiatief van de Amsterdammer Eduard Wenckebach en liep langs de spoorlijn tussen Haarlem en Amsterdam. Op 25 mei 1845 werd hij operationeel. De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM) zette telegrafie eerst alleen in voor intern gebruik, al maakten de kranten twee maanden na de opening van de spoorlijn ook melding van een via de telegraaf gespeelde schaakpartij tussen een speler in Amsterdam en een in Haarlem.

Vanaf maart 1847 was de lijn ook beschikbaar voor anderen. Het Algemeen Handelsblad zag meteen de mogelijkheden voor snelle berichtgeving – reders, verzekeraars en bovenal beurshandelaren hadden baat bij vliegensvlugge communicatie. In het belang van handel, nijverheid, bestuur en defensie begon de Rijkstelegraaf in 1852 met de aanleg van nieuwe lijnen, die Nederland moesten voorzien van een alomvattend telegraafnetwerk én van verbindingen met de buurlanden. Eduard Wenckebach werd gevraagd de technische leiding van deze operatie op zich te nemen.

De elektrische telegrafie in Amsterdam had haar oorsprong in het spoorwegstation bij de Haarlemmerpoort, even buiten de toenmalige stad. De activiteiten verplaatsten zich al snel naar het stadshart. In 1852 kon men een telegram laten verzenden bij het kantoortje van de spoorwegmaatschappij HIJSM op het Rokin, bij de Gapersteeg. Vanwaar werd deze ‘met den meesten spoed’ naar het station bij de Haarlemmerpoort gebracht. Met de komst van de Rijkstelegraaf werd de telegraaflijn doorgetrokken naar de binnenstad.

Het eerste kantoor van de Rijkstelegraaf was gehuisvest op het Rokin, in een pand op de hoek met de Hermietensteeg (nu Hermietenstraat), waar tegenwoordig boekhandel Scheltema zit. Illustratief voor de snelle ontwikkeling van het telegraafverkeer is dat het kantoor van de Rijkstelegraaf keer op keer uit zijn jasje groeide.

In 1854 verhuisde het nutsbedrijf tijdelijk naar het pand van de Stadsdrukkerij in de voormalige Sint-Pietershal in de Nes. Op 20 december 1856 werd het telegraafkantoor overgeplaatst naar het nieuwe postkantoor achter het Koninklijk Paleis. Omdat de klandizie voor een belangrijk deel bestond uit beurslieden werd er in 1859 een hulpkantoor geopend in de Beurs van Zocher op de Dam.

Ondertussen bleek ook het Koninklijk Postkantoor op de Nieuwezijds Voorburgwal te klein om het almaar groeiende, inmiddels ook internationale, telegraafverkeer te kunnen verwerken. Het gebouw werd uitgebreid aan de achterkant, aan de nog niet gedempte Nieuwezijds Achterburgwal. Op de bouwtekeningen van de uitbreiding uit 1862 is goed te zien hoe belangrijk telegrafie inmiddels was. Behalve twee flinke seinzalen, waar tientallen telegrafisten hun werk deden, was er een speciale ‘batterij kamer’.

De eerste telegraaflijn tussen Haarlem en Amsterdam haalde voeding uit door de Britse chemicus John Frederic Daniell in 1836 ontwikkelde batterijen. Een ‘Daniell-element’ bestond uit een koperen pot met een zwavelzuuroplossing, een elektrode van zink en een elektrode van koper. Ook de Rijkstelegraaf werkte aanvankelijk nog met Daniell-batterijen. Daarnaast maakte men gebruik van Bunsen-batterijen. Bij deze ‘Bunsensche elementen’ had de koperen elektrode plaats gemaakt voor een elektrode van koolstof. Zo één als er in het Rokin is gevonden.

Nog geen twee jaar nadat de Franse ingenieur Leclanché patent had gekregen op zijn batterij, stapte de Rijkstelegraaf over op dit nieuwe galvanische systeem. Net als de Bunsen-batterij had de Leclanché-batterij een elektrode van zink en een van koolstof. Het vernieuwende van dit type batterij was dat ze was gevuld met een onschuldige salmiakoplossing, in plaats van het agressieve zwavelzuur.

Het jaarverslag van de Rijkstelegraaf over 1868 berichtte dat 46 Rijkstelegraafkantoren geheel en het hoofdkantoor in Amsterdam gedeeltelijk waren overgestapt op de Leclanché-batterij en dat deze ‘ten volle aan de verwachtingen beantwoordde’.

Deze vroegste, zogeheten primaire batterijen waren nog niet oplaadbaar en moesten telkens opnieuw worden gevuld met chemicaliën. De batterijen hadden een beperkte levensduur, door slijtage of omdat zich nieuwe, betere types aandienden. Omdat de grachten nog algemeen werden beschouwd als vuilnisvat, zag men er geen been in de afdankertjes in de plomp te gooien.

Of de gevonden batterijresten ook werkelijk dienst hebben gedaan in de telegrafie valt niet aan te tonen. Maar hun exacte vindplaatsen op het Rokin – beide ter hoogte van de Sint-Pietershal in de Nes – maken het beslist niet ondenkbaar.