De escalatie in 1980 kwam niet helemaal uit de lucht vallen. De kraakbeweging had steeds meer aan kracht gewonnen en kon vanwege de schrijnende woningnood op de nodige sympathie rekenen. De wachtlijsten waren lang, nieuwe woningzoekenden zoals jongeren belandden onderaan de urgentielijst. Speculanten die panden opkochten en langdurig lieten leegstaan, konden ongestoord hun gang gaan. Al vanaf de jaren zestig eigenden jongeren zich clandestien woonruimte toe, al heette dat toen nog geen kraken. Het ging voornamelijk om het in alle stilte betrekken van leegstaande sloopwoningen, met name op Kattenburg en in de Nieuwmarktbuurt.

In de loop der jaren echter kreeg het bezetten van leegstaande panden een politieke dimensie. Provo ging zich ermee bemoeien, het Woningburo De Kraker werd opgericht. Aanvankelijk was het kraken een buurtaangelegenheid, maar vanaf 1975 kan van een stedelijke sociale beweging worden gesproken. Er kwamen kraakspreekuren, kraakcafés (De Vergulde Koevoet was in 1976 het eerste) en uiteindelijk ontstond het Stedelijk Overleg Kraakgroepen.

Toch opereerden ook deze georganiseerde krakers aanvankelijk vrij geruisloos en werden de gekraakte panden uiteindelijk meestal ontruimd. Het verzet was geweldloos, met uitzondering van de ontruiming en sloop in de Nieuwmarktbuurt waar vanwege de aanleg van de metro ingrijpende vernieuwing zou plaatsvinden. Naarmate de kraakbeweging echter sterker werd en meer panden ging bezetten, veranderde dat. Een toenemend aantal krakers vond dat niet langer lijdzaam moest worden toegezien als een zoveelste actie eindigde met ontruiming en sloop.

Menselijk schild

Het breekpunt kwam in 1978 met de ontruiming van een pand op de hoek van de Nicolaas Beetsstraat en de Jacob van Lennepstraat. Leen van den Berg, destijds leraar en nu producent en regisseur van maatschappelijk geëngageerde films en deelraadslid Westerpark, bevond zich onder de betogers die probeerden deze ontruiming te voorkomen. Sinds 1973 woonde hij in de Nicolaas Beetsstraat en als sociologiestudent was hij al snel actief in de buurt. “Op een goed moment dreigde een buurjongen ontruimd te worden, een zaak die tot aan de Raad van State is bevochten. Maar die ontruiming kwam er. Het pand werd gebarricadeerd en er werden contacten gelegd met krakers in andere buurten, onder meer in de Staatsliedenbuurt. We wilden standvastig, maar geweldloos verzet plegen.”

Na de mislukte poging van de Mobiele Eenheid het gekraakte pand
Vondelstraat 72 te ontruimen richtten krakers barricaden op in de
Eerste Constantijn Huygensstraat. Februari 1980. Stadsarchief 
Amsterdam/Frans Busselmans

Maar daar had de politie een andere kijk op. “Ik zie ze nog komen,” vertelt Van den Berg, “de ME in vol ornaat, oprukkend vanuit de Jacob van Lennepstraat. Wij vormden arm in arm een menselijk schild, maar dat deerde de ME niet. Er werd hard ingeslagen op de groep die totaal verrast was. En dat gebeurde ’s middags rond een uur of vier, de scholen gingen net uit! De buurt sprak er schande van.”

Voor de kraakbeweging betekende dat een keerpunt. Tot dan toe was het credo geweest: geweld tegen materiaal mag, maar niet tegen (politie)mensen. Nu echter de politie haar toevlucht had genomen tot geweld tegen vreedzame demonstranten, was de beer los. Voortaan stond behoud van de gekraakte panden voorop, koste wat kost. Exponent van dat nieuwe denken werd De Groote Keyser. Het ging hier om zes kantoorpanden op de Keizersgracht, die in november 1978 waren gekraakt. Een jaar later besloot de kantonrechter dat de krakers de panden moesten verlaten, maar zij lieten weten niet vrijwillig te zullen vertrekken. Ze zouden de panden tot het uiterste verdedigen.

Het Stedelijk Overleg Kraakgroepen steunde deze koers. Zo groeide De Groote Keyser vanaf december 1979 uit tot een symbool van het krakersverzet. De panden werden zwaar gebarricadeerd en er werd een illegale radiozender opgericht: De Vrije Keyser. Het complex werd maandenlang dag en nacht bewaakt tegen onverhoedse aanvallen van knokploegen en politie.
Ontruimd werd er uiteindelijk niet. In het belang van de openbare orde weigerde burgemeester Polak politieversterking te verlenen aan de deurwaarder. Na veel gekissebis werden de panden in november 1980 aangekocht door de gemeente en ten behoeve van jongerenhuisvesting verbouwd tot zogenaamde HAT-eenheden. Van den Berg herinnert zich dat die aankoop bij het radicale deel van de kraakbeweging niet zo lekker lag. “Sommige krakers keerden zich tegen de mensen die met de gemeente onderhandelden. Er ontstonden felle discussies over het dilemma of je moest koersen op aankoop door de gemeente of op behoud van de symboolfunctie van het pand voor de kraakbeweging. Maar door de aankoop konden in de panden betaalbare woningen voor jongeren worden gerealiseerd. Dat vond ik pure winst, maar anderen zagen de overdracht van het pand als toegeven aan de gevestigde orde.”

Kraakpand als toeristentrekker

De op de Keizersgracht verwachte confrontatie tussen overheid en kraakbeweging was dan uitgebleven, rond een ander kraakpand liep het dat jaar behoorlijk uit de hand. Op 23 februari 1980 betrok een groep krakers een pand in de Vondelstraat (op de hoek van de Eerste Constantijn Huijgensstraat), dat op dat moment een jaar leegstond. Omdat er geen sprake was van huisvredebreuk, was de verontwaardiging groot toen de politie het pand nog diezelfde nacht ontruimde. Op vrijdagmiddag 29 februari bezetten de krakers het pand daarom opnieuw en omdat de politie zo’n actie wel vermoedde, werd als afleidingsmanoeuvre een protestmars elders in de stad georganiseerd. Toch was de politie snel ter plaatse en die probeerde onmiddellijk tot ontruiming over te gaan. Maar de krakers sloegen terug, en met succes: de ME droop af.

Hierna namen de verhit geraakte krakers drastische maatregelen. De straten werden opengebroken en de kruispunten van de Vondelstraat met de Eerste Constantijn Huijgensstraat en de Overtoom werden gebarricadeerd. De politie kon hierdoor niet bij het pand komen, maar ook de trams konden er niet meer door. In de uren en dagen daarna ontstond er een onwerkelijke situatie rond het kraakpand. Het was prachtig weer en het bezette gebied trok vele – zoals dat tegenwoordig heet – ramptoeristen. Duizenden mensen (onder wie oud-premier Den Uyl), ook van buiten de stad, kwamen een kijkje nemen.

Ondertussen liepen fractievoorzitters en raadsleden af en aan met bemiddelingsvoorstellen. De krakers weigerden het pand op te geven en eisten dat de ME zich zou terugtrekken en dat actievoerster Nanda (op de 29ste gearresteerd bij een van de ‘afleidingsacties’) op vrije voeten zou komen. Burgemeester Polak eiste op zijn beurt dat de barricades zouden worden verwijderd; daarna pas kon er gepraat worden. Het liep allemaal op niets uit. In de nacht van zondag op maandag zagen onthutste voorbijgangers (schrijver dezes was er een van) dat er tanks reden op het Museumplein, op weg naar de barricades. Om zes uur ’s ochtends begon de ontruiming van de ‘Vondelvrijstraat’, zoals de actievoerders hun territorium hadden gedoopt. Uit een helikopter dwarrelden pamfletten op straat, waarin de burgemeester in dreigende taal uitleg gaf over de naderende actie: “Alle pogingen om door overleg een einde te maken aan de ongeregeldheden zijn mislukt, daarom zal de politie op korte termijn een actie beginnen. Het pand wordt niet ontruimd. De politie zal in het uiterste geval mogen schieten. Blijf in de huizen. De colonne, eenmaal in beweging, kan niet worden gestopt. Het is daarom levensgevaarlijk zich op de barricaden te begeven.” Om een groep van zo’n 100 actievoerders te verdrijven, verschenen 1200 ME’ers op straat, vier Leopardtanks, scherpschutters met mitrailleurs, pantserwagens en waterkanonnen. Tegen dit intimiderende optreden demonstreerden die avond 10.000 mensen die vooral verbijsterd waren over de inzet van tanks hierbij. Overigens stond de latere afloop van deze kraak in schril contrast met al dit geweld: het pand werd uiteindelijk door de gemeente aangekocht en verbouwd tot HAT-eenheden.

Na de gebeurtenissen op 3 maart in de Vondelstraat hield Amsterdam zijn hart vast: hoe zou dat wel niet gaan op 30 april, de dag dat kroonprinses Beatrix in de hoofdstad officieel koningin zou worden? Dat enkele dagen voor Kroningsdag bekend werd gemaakt dat de gemeente het begin 1979 gekraakte Handelsbladgebouw ging aankopen ten behoeve van jongerenhuisvesting, werd door velen gezien als een poging de kraakbeweging de wind uit de zeilen te nemen. Die had immers aangekondigd om van Kroningsdag een Landelijke Kraakdag te maken (‘Geen woning, geen kroning’).

Leen van den Berg: “Afgesproken was dat we ons niet zouden bemoeien met het Kroningsgebeuren zelf, maar een flink aantal panden zouden kraken. Daar begonnen we die ochtend mee in de Kinkerbuurt. Na die kraak was er contact met ambtenaren op het stadhuis. Dat was kennelijk niet goed doorgecommuniceerd, want in de loop van de ochtend verscheen een groot aantal busjes met ME’ers, die er – geassisteerd door een waterkanon – behoorlijk op los gingen slaan. Maar opeens trokken ze zich terug, het stadhuis had zich kennelijk bezonnen. De sfeer was toen echter al dermate verpest, dat de acties zich niet meer beperkten tot het kraken.” De gevolgen zijn bekend: in de binnenstad werd een ware veldslag geleverd. “Maar dat waren,” aldus Van den Berg, “heus niet alleen krakers, hoor. Het werd een ongeorganiseerde bende, omdat er heel wat groepjes ongeregeld in de weer gingen, die wel zin hadden in een potje vechten met de politie.”

Hulp van de koster

Een bende of niet, toch hadden de krakers aanvankelijk vaak de publieke opinie op hun hand. Dat had ook te maken met een wispelturige interpretatie van de wet, want ook als een pand leegstond en er dus geen huisvredebreuk werd gepleegd, werd er vaak toch ontruimd. Dat gebeurde ook in juni 1980 bij het meerdere malen gekraakte pand De Vogelstruys (hoek Herengracht-Singel). En de sympathie voor de krakers nam nog toe door het buitensporige geweld van politie en knokploegen en het (verboden) gebruik van traangas in gesloten ruimten bij ontruimingen.
Steun was er ook voor de krakers die vanaf 3 april een complex luxe-appartementen op de Prins Hendrikkade, naast de Nicolaaskerk, bezet hielden. Volgens de krakers stonden 47 van deze appartementen een jaar na oplevering nog leeg. Vijf appartementen waren echter wel verkocht en werden al bewoond. De legale bewoners eisten onmiddellijke ontruiming en politiebescherming en in juli steunde de rechter die eis. De krakers barricadeerden daarop het pand en voor de ontruiming op 19 augustus 1980 werd daarom nogal wat aangerukt: 1200 ME’ers, pantserwagens, drie bouwkranen, twee hoogwerkers, politieboten, motoren met zijspan en scherpschutters. Toen de ME’ers het pand betraden, troffen ze welgeteld één kraker aan; de rest had het complex ongemerkt verlaten. Dat gebeurde via een tunnel naar de pastorie van de Sint Nicolaaskerk, waar de koster klaarstond met koffie en broodjes…
Het einde van het veelbewogen jaar 1980 naderde, maar de laatste maand van dat jaar kende nog een grote ontruiming, namelijk die van De Grote Wetering. Deze voormalige melkfabriek van de OVV op de Weteringschans was al sinds februari 1978 gekraakt. Eigenaar Gerard W. Bakker wilde het complex slopen om er kantoren, luxe-appartementen en een parkeergarage te kunnen bouwen. De krakers wilden dat de gemeente de panden zou vorderen om er jongeren te huisvesten, maar de gemeente zat in een lastig parket. Met Bakker was een deal gesloten: hij zag af van sloopplannen in de Indische Buurt en droeg een aantal huizenblokken aldaar over aan de gemeente; in ruil daarvoor zou de gemeente Bakker niet voor de voeten lopen bij zijn plannen op de Weteringschans. Dus moesten de krakers uit De Grote Wetering worden gezet en dat gebeurde op 2 december 1980, met veel onnodig geweld.

Kwam daarmee een einde aan de gewelddadige confrontaties? Nee, maar het heilige vuur bij de krakers leek wel te zijn gedoofd. Twee jaar later volgde er op 11 december nog een hardhandige ontruiming van de Lucky Luyk (een villa in de Jan Luykenstraat). Die ontruiming draaide uit op hevige rellen en de burgemeester kondigde zelfs de noodtoestand af. Bij deze confrontatie was voor het eerst sprake van een diepe scheuring in het kraakfront. De militante manier waarop de zaak was georganiseerd, zinde heel wat krakers niet. Zij vreesden dat de kraakbeweging zich door het geweld aan het vervreemden was van de Amsterdamse bevolking.

Geweld doel op zich

Het geweld in 1980 en latere jaren heeft uiteindelijk de ondergang van de kraakbeweging ingeluid. Voor een deel van de beweging waren de botsingen met de gevestigde macht doel op zich geworden. Door de radicalisering en door de verdeeldheid boette de beweging aan kracht in. Een nieuwe teleurstelling kwam met de ontruiming van het Wyerscomplex op de Nieuwezijds Voorburgwal in 1983. Na de discussie over het falen van de harde aanpak bij de Lucky Luyk hadden de krakers hier gekozen voor een ‘open strategie’: onderhandelen, lobbyen en lijdzaam verzet bij de ontruiming. Een strategie die op niets uitliep. Wyers werd gesloopt en er staat nu een groot hotel.

Het dieptepunt in de strijd tussen de krakers en de gemeente kwam met de ontruiming van een pand in de Schaepmanstraat in de Staatsliedenbuurt in oktober 1985. De politie pakte de krakers keihard aan. Er werd zelfs met scherp geschoten. Onder de arrestanten bevond zich Hans Kok, die in zijn cel overleed. De krakers spraken van moord; de autoriteiten van een junk die bezweek aan een overdosis. Grootscheepse rellen waren het gevolg. Onderzoek leerde dat Kok weliswaar wat had geslikt, maar onder normale omstandigheden nooit zou zijn overleden. Burgemeester Van Thijn kwam er uiteindelijk vanaf door toe te geven dat er ‘organisatorische fouten’ waren gemaakt op het hoofdbureau. Toch werd niemand daarvoor op het matje geroepen.

Op dat moment konden de krakers echter nog maar op weinig sympathie rekenen. Volgens Virginie Mamadouh, auteur van een gezaghebbend proefschrift over het Amsterdamse krakersverzet, stelde de stedelijke kraakbeweging sinds Wyers in 1983 weinig meer voor. Incidenteel werd nog actie gevoerd rond grote panden die met ontruiming werden bedreigd, maar het ontbrak steeds vaker aan een breed draagvlak van vastberaden sympathisanten. Bovendien maakte de in 1985 van kracht geworden Leegstandswet het kraken er niet eenvoudiger op: krakers konden voortaan anoniem worden gedagvaard en ook anoniem vorderen was nu mogelijk. Toch hebben de acties tegen speculatie en leegstand hun vruchten afgeworpen. De autoriteiten keken uiteindelijk wel degelijk in de spiegel die hen door de kraakbeweging werd voorgehouden.

Maar de beweging zelf was intussen aan ruzies en onderlinge verdachtmakingen te gronde gegaan. “Er wordt nog steeds gekraakt en ontruimd in Amsterdam,” concludeerde Mamadouh begin jaren negentig. “Van tijd tot tijd gaat het om grote panden, zoals begin 1992 een slooppand van de Universiteit van Amsterdam op het Binnen Gasthuis-terrein. Er zijn nog steeds kraakspreekuren, maar van een kraakbeweging is geen sprake meer. De VVD-fractie van het stadsdeel Westerpark, waarin de Staatsliedenbuurt gelegen is, wil zelfs een Kraakmuseum oprichten om bezoekers naar de buurt te trekken. Het einde van de kraakbeweging is daarmee op treffende wijze gesymboliseerd.”

Beeld header: Rellen tijdens de ontruiming van het kraakpand De Vogelstruys, Herengracht 329. september 1980. Stadsarchief Amsterdam/ANEFO.