Als u onlangs in de bioscoop de film Kees de jongenheeft gezien, dan herinnert u zich wellicht de scènes waarin Kees – al dan niet in zwembadpas – door Amsterdam wandelt en soms een groot gebouw met een imposante koepel passeert. Een gebouw dat u niet kent van de huidige skyline van Amsterdam. Dat komt zo: slechts zes jaar nadat Theo Thijssen zijn boek Kees de jongen in 1923 had gepubliceerd, brandde dit Paleis voor Volksvlijt tot de grond toe af. Op de plaats waar het stond, midden op het Frederiksplein, rijdt nu tram 10 langs De Nederlandsche Bank. Voor 1929 krulde de tram aan weerszijden om het Paleis heen. Het Paleis werd na de brand niet herbouwd, maar inmiddels gaan er stemmen op om het immense gebouw te laten herrijzen.

Want hoewel het Paleis alweer langer is verdwenen dan het er ooit heeft gestaan, is het nooit uit de harten van de Amsterdammers verdwenen. De schitterende foto’s van Jacob Olie, die enkele jaren geleden volop werden tentoongesteld en in boekvorm verschenen, droegen daar nog eens aan bij. Op verschillende van zijn foto’s is een prominente plaats toebedeeld aan het imposante Paleis, dat gezien vanaf de brug over de Amstel de stad domineerde. Wellicht was het de hernieuwde aandacht voor Olie’s fotografie, waardoor een groepje Paleis-liefhebbers geïnspireerd raakte om een actieve lobby te starten voor de herbouw van het Nederlandse Crystal Palace, ooit een initiatief van de weldoener dr. Samuel Sarphati.

Kattenkunst en een reuzensigaar

Sarphati (1813-1866) studeerde geneeskunde in Leiden en vestigde zich in 1838 als arts in Amsterdam. Toen hij in 1851 de Wereldtentoonstelling in Londen bezocht, was hij erg onder de indruk van het gebouw waarin die tentoonstelling werd gehouden: het Crystal Palace, opgericht uit staal en glas, een symbool voor de stormachtige ontwikkelingen in de industrie. Zo’n tentoonstellingsruimte moet er ook komen in Amsterdam, dacht de arts, en richtte de Vereeniging voor Volksvlijt op.

Volgende stap was het bijeenhalen van het geld en het vinden van een geschikte locatie. Omdat het Paleis reusachtig zou worden, kwamen er weinig locaties in de stad in aanmerking. Vooral bij de stadspoorten was nog wel plek. De omgeving van de Muiderpoort bleek echter te dicht bij Artis in de buurt, en ook de omgeving van de Weesper- en de Leidsepoort vielen af. Restte een stuk grond bij de Utrechtsepoort, ofwel het Frederiksplein. Het geld bijeenkrijgen bleek niet eens zo moeilijk. Toen er nog een miljoen gulden tekortschoot, kon dat worden geleend van 1300 voornamelijk Amsterdamse particulieren.

Een architect vinden was minder eenvoudig. Geen van de inzendingen op een uitgeschreven prijsvraag werd goed genoeg bevonden voor het Palais d’Industrie. Over de uitstraling en functie van het gebouw had Sarphati uitgesproken opvattingen. Het uitdragen van ontwikkelingen op het gebied van kunst en industrie zou geschieden volgens Frans concept, wat betreft de keuze van de muziek was Duitsland het grote voorbeeld en voor het ontwerp stond hem iets in Engelse stijl voor ogen. Het was uiteindelijk Cornelis Outshoorn (1812-1875, ook bekend van het Amstel Hotel) die het Paleis zou ontwerpen en bouwen. Binnen tien jaar nadat Sarphati zijn droom kreeg in Londen, werd in september 1859, op de plaats van de eerder gesloopte Utrechtsepoort, in het bijzijn van koning Willem III de eerste gietijzeren kolom in de grond gedreven. Tijdgenoten waren onder de indruk van de omvang van het gebouw. Het paleis op de Dam paste twee keer in het Paleis voor Volksvlijt, en het gebouw was bovendien inclusief koepel 61 meter hoog, meer dan de helft van de Domtoren in Utrecht.

De bouw nam vijf jaar in beslag. Op 16 augustus 1864 kon het prestigieuze gebouw feestelijk worden ingewijd. De opening moest een groot feest worden, met voor alle Amsterdammers een spectaculair vuurwerk. Maar niet alleen Amsterdammers kwamen op de festiviteiten af. Er reden die dag extra treinen vanaf Rotterdam, Arnhem en Den Haag. De eerste zondagen na de opening bezochten elke keer tussen de 5000 en 10.000 mensen het gebouw.

Sarphati wilde de Nederlanders hier laten kennis maken met moderne technieken en kunstvormen. Gedurende de 65 jaar van zijn bestaan vervulde het Paleis de functie van tentoonstellingsgebouw, zoals dat nu geldt voor de RAI. Zo was er in 1864 een expositie over een stoomwerktuig om ijs mee te maken, in 1865 werd de luchtballon van Nadar geëxposeerd en in 1872 stelde de Vereeniging voor Volksvermaak een reuzensigaar en het in aanbouw zijnde schip de Watergeus ten toon. In 1890 was er zelfs een internationale tentoonstelling van ‘katten en kunstvoorwerpen op katten betrekking hebbende’ en in 1899 werd iets nóg uitzonderlijkers tentoongesteld: een groep Soedanese negers.

‘Rendez-vous van kou en tocht’

Het Paleis mag zich dan heden ten dage verheugen in een welhaast mythische populariteit, toen het er nog stond was de exploitatie uitgesproken zorgelijk. De inkomsten waren onvoldoende en de bezoekers waren ontevreden. Een van hen schreef zelfs een spotgedicht over het Paleis:

“Glas en ijzer zaâmgewrocht,

Aandeelhouders zwaar bezocht,

Rendez-vous van kou en tocht,

Kweekplaats van de rhumatiek;

Schuiven, geeuwen van ’t publiek;

Zangers van den kouden grond,

Koude lijden, blauw en bont,

Donker, zuinig met het gas

Duur en slecht in kop en glas.

In de oogen strooijen zand

Door het bluffen in de krant

Veel beloven weinig geven,

Naar charlatanisme zweven…”

In een poging de problemen het hoofd te bieden werd het accent in de jaren zeventig verlegd naar podiumkunsten en vermaak. Veel haalde het echter niet uit. De leidende rol van het Paleis in het culturele leven van Amsterdam was eigenlijk alweer uitgespeeld. Toch genoten het Paleisorkest (1865-1895) onder leiding van Johan Coenen en Coenens sinds 1871 opgevoerde balletten nog een behoorlijke populariteit, en vanaf 1908 trok ook het toneelgezelschap van Willem Royaards nog veel bezoekers naar het Paleis. Ook vonden er veel roerige massa-meetings plaats, zoals tijdens de Spoorwegstaking van 1903. Maar een echt aanhoudend commercieel succes was eigenlijk alleen het Paleiscafé, waar de artistieke Amsterdammers graag samenkwamen.

Tot dus die vroege ochtend van 18 april 1929. Het moet een ‘mooie’ brand zijn geweest, want de Volkskrantrepte in de onderkop van “een geweldig schouwspel”, wat pas in de tekst wordt aangevuld met de mededeling dat het “voor velen droevig” was. In het verslag wordt bovendien uitgebreid stilgestaan bij de esthetische waarde van de vlammenzee: “Nu eens zag men, wanneer in de tentoonstellingszaal een deel van het plafond was neergekomen, de donkerrood gekleurde vlammen opstijgen, dan weer meldden de groene vlammen langs den grooten koepel en de onderscheidene torens, dat ’t vuur zich door het zink een weg had gebaand. Maar overheerschend was lichtrood vuur dat vanuit het reusachtige gebouw overal, aan den voor- en achterkant en beneden en boven zichtbaar was.”

De brand ontstond vermoedelijk in de keuken van het paleisrestaurant. Om 2.48 uur rukten vanuit de brandweerkazernes van zowel de Honthorststraat als de Nieuwe Achtergracht motor- en ladderwagens uit. Ook de drijvende stoomspuit Jan van der Heijden zou meer dan veertig stralen richting het paleis spuiten. Maar er was al heel snel geen redden meer aan. Rond half vier ’s nachts werd begonnen met het ‘inslaan’ van de grote koepel van het paleis, omdat de enorme constructie een gevaar vormde voor de omgeving. “Het inslaan van de koepel veroorzaakte een geweldigen slag en een donderend geraas. Het gebouw werd totaal verwoest,” schreef de Volkskrant. Om kwart voor vier zakte de koepel in. Tot het laatste moment bleef de ‘fakkel der faam’ intact: de fakkel die het Victoriabeeld bovenop de koepel vasthield, en die daar jaren bovenop het gebouw had gebrand en tot in de wijde omtrek te zien was geweest. In één nacht was het Paleis, met daarin de schouwburg, het paleiscafé en de tentoonstellingszaal, met de grond gelijk gemaakt.

Housefeesten in de goudkelders

Plannen om dit glaspaleis te laten herrijzen werden door sommigen met instemming onthaald, anderen vinden het een volslagen krankzinnig idee. In juni 2002 werd in het televisieprogramma Flogiston van Wim T. Schippers bekendgemaakt dat er een speciale stichting was opgericht met als doel het Paleis voor Volksvlijt te herbouwen. Emile Wennekes, voorzitter van de stichting, is optimistisch over zowel de financiering van de herbouw als de exploitatie van het nieuwe Paleis. “Een parkeergarage onder het gebouw is bijvoorbeeld een moneymaker,” aldus Wennekes. De door Adolf L. van Gendt ontworpen en in 1881-1883 gebouwde Galerij van het Paleis voor Volksvlijt, die bij de brand van 1929 gespaard bleef maar uiteindelijk toch is geweken voor de bouw van De Nederlandsche Bank, zou ook herbouwd moeten worden. Want ook de Galerij heeft met zijn fraaie ijzergietwerk een onuitwisbare indruk achtergelaten. Rudy Kousbroek noemde eens de sloop van deze Galerij “de meest extreme daad van vandalisme in Amsterdam na de oorlog”, terwijl Gerrit Kouwenaar het gedicht schreef: “Toen het gebouwd werd / toen het gebouwd was / toen de hoeden hoog / toen de lonen laag waren / toen het ijzer onbrandbaar was / toen het verbrandde / toen het goed was / toen het geslecht werd / nu het weg is.”

Het moge duidelijk zijn, zowel het Paleis als de Galerij die het paleis nog veertig jaar heeft overleefd, hebben een sfeer uitgeademd die zeldzaam is in Nederland – een sfeer van “grootsteedse bravoure en een joie de vivre”, zoals Kousbroek het probeerde te typeren. Het is precies die sfeer die de initiatiefnemers willen terughalen. Wennekes: “De nieuwe galerij kan plaats bieden aan allerlei chique winkels. Ik denk dan aan de Parijse grandeur die Amsterdam dankzij het Paleis en de Galerij wel heeft gehad, en die weer terug zou kunnen komen.”

In het afgelopen jaar, toen de media veel aandacht schonken aan het initiatief tot herbouw, heeft Wennekes gemerkt dat er onder Amsterdammers veel draagvlak is voor het plan. “De leerlingen van de basisschool op het Frederiksplein hebben zelfs allemaal visionaire tekeningen gemaakt hoe het plein eruit zou zien met het nieuwe Paleis.”

Maar natuurlijk is er ook kritiek op het plan, zowel van verwoede modernisten als van monumentenzorgers. Een herbouwd monument is geen echt monument meer, zeggen de laatsten. En wat dan nog? vinden Schippers en Wennekes. Als het maar mooi is en een functie heeft in de stad! Een belangrijk gegeven is ook dat de huidige invulling van het Frederiksplein niet optimaal is. Debet daaraan is met name het door slechts weinigen gewaardeerde gebouw van De Nederlandsche Bank uit 1968 (naar ontwerp van de modernistische architect Marius F. Duintjer, in 1996 uitgebreid met een ronde toren van architect Jelle Abma).

De lokale en landelijke overheden worden ondertussen door Wennekes en de zijnen gemasseerd om de herbouw dichterbij te brengen. Ook De Nederlandsche Bank is al meermalen gepolst. “Het zou mooi zijn als het gebouw van de bank versneld kan worden afgeschreven, in plaats van 2022 al in 2012. Dan zouden wij in de periode 2012-2017 vijf jaar de tijd hebben om het Frederiksplein zijn Paleis terug te geven,” aldus Wennekes. De ondergrondse kluizen van de bank, vroeger goudopslag, nu vooral bestemd voor papiergeld, mogen van Wennekes wel blijven. “Daar kun je zonder er iemand mee lastig te vallen flinke housefeesten geven.”

Binnenkort zal op luchthaven Schiphol een nieuwe horecagelegenheid worden geopend die geheel geïnspireerd is op het Paleis. Wennekes: “Er komt bovendien een permanente expositie over het Paleis en mensen kunnen er maaltijden nuttigen, gemaakt met paleisgerelateerde recepten.” Ook maakt Wennekes in samenwerking met de graficus Piet Schreuders en Wim T. Schippers een verjaardagskalender over het Paleis. “De serieuze lobby combineren we met dit soort dingen in de marge.”

W. Wijndelts is journalist.

Literatuur

Emile Wennekes, Het Paleis voor Volksvlijt (1864-1929), ‘Edele uiting eenen stoute gedachte!’, Den Haag, 1999.

www.volksvlijt.nl