Johannes Addicks trouwde in 1848 in Amsterdam met Magdalena Legel, die het leven schonk aan tien kinderen, onder wie de zonen Johannes Hermanus, Floris Casimier en Nicolaas George. Ze woonden op het Rokin bij de Vijgendam.

De familie Addicks kwam uit noord-Duitsland. Johannes’ grootvader, Johan Christoffer Addicks, was eind 18de eeuw naar Amsterdam getrokken en hier getrouwd met de even oude Johanna Gudde. Ze waren beiden luthers en woonden in de Boomstraat. Hun oudste zoon Oltman Nicolaas kreeg een opleiding tot ‘horologiemaker’ en verhuisde in 1819 naar Arnhem, waar hij trouwde met Anna van der Horst. Daar werd op 7 oktober 1819 hun zoon Johannes Hermanus geboren, gevolgd door Marinus Casimier.

Beide jongens traden in de voetsporen van hun vader. Marinus vestigde zich in Hardinxveld en maakte onder meer naam als uitvinder van een elektrisch slot; Johannes ging aan het werk in Amsterdam. Hij had niet alleen het vak van horlogemaker geleerd, maar zich ook bekwaamd in houtbewerking en het smidsvak, vaardigheden die hem zeer van pas zouden komen.

Johannes probeerde aanvankelijk een bestaan op te bouwen als zelfstandig horlogemaker, maar dat was geen succes, en dus trad hij in dienst van de Deense uurwerkfabrikant Andreas Howhü. Die had het vak geleerd in Hamburg van de bekende Nederlandse klokkenmaker Hendrik Johan Kessels en zijn opleiding tussen 1834 en 1839 voortgezet bij Louis Breguet in Parijs. In Amsterdam begon Howhü met de fabricage van slingeruurwerken en chronometers.

Tweede wijzer

In 1855 werd Johannes Addicks als horlogemaker ingeschreven op de Oudezijds Voorburgwal 206, het huidige nummer 232. Maar door het vele werk voor uurwerkfabrikant Howhü liet hij het horlogevak weldra voor wat het was en begon als zelfstandig fabrikant van tandwielen. Op 1 augustus van dat jaar kreeg Addicks het onderhoud van de Amsterdamse stadstorenuurwerken en speelwerken toegewezen; de stadshorlogemaker Andreas Bordens was net dat jaar overleden. 1855 werd dan ook beschouwd als het oprichtingsjaar van de Firma J.H. Addicks.

In het beheer van de stadsklokken liep Amsterdam behoorlijk achter. Van oudsher hadden torenuurwerken slechts één wijzer, waarmee de uren werden aangewezen. Met de opkomende industrialisatie groeide echter de behoefte aan een nauwkeuriger tijdsaanduiding in de openbare ruimte. De ontwikkeling van het spoorwegnet bijvoorbeeld, vereiste een strak tijdschema, op de minuut.

Johannes Addicks bedacht de techniek voor een tweede wijzer in een torenuurwerk, waarmee de minuten werden aangeduid. De klok van de Haarlemmerpoort (toen nog Willemspoort geheten) kreeg in 1857 als eerste zo’n minutenwijzer. De torenklok op het toenmalige Stadhuis op de Dam werd er in 1864 van voorzien, vier jaar later gevolgd door de klok van de Westertoren. De Munttoren kreeg in 1873 direct een nieuw uurwerk met twee wijzers. De bewoners van de Wallen rond de Oude Kerk konden vanaf 1874 tot op de minuut zien hoe laat het was.

Halfuren en kwartieren

Vanaf 1865 stond Johannes’ ‘Fabriek van Torenuurwerken, Carillons, Raderwerken enz.’ ingeschreven in Monnikenstraat 4, waar hij de ruimte had voor de toegenomen werkzaamheden en dito personeel. Moeiteloos beklom hij al die Amsterdamse torens, maakte schema’s van het raderwerk, berekende omtrekken, maten van tandwielen, enz.

Addicks was een creatieve geest, die de meest uiteenlopende verzoeken tot een goed resultaat bracht. Zo maakte hij voor het stadhuis van Leusden een uurwerk met een ruiterspeelwerk. Verder bedacht hij een universele verdeelmachine, waarmee raderen in de grootst ondeelbare getallen kunnen worden gesneden.

Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1885 in Antwerpen gaf de Firma Addicks acte de présence. De stadshorlogemaker werd in diverse publicaties geprezen om de hoge kwaliteit van de zelf ontworpen en geproduceerde producten. Veel indruk maakte het tentoongestelde torenuurwerk ‘dat zich onderscheidt door een bijzonder zachten loop. Het slaat uren, halfuren en kwartieren’, zoals het Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage schreef.

Een ander uurwerk leidde tot internationale opdrachten, waaronder in 1886 uit Stockholm. Hier plaatste hij in de Duitse kerk voor het eerst een nieuw carillon, een opdracht ter waarde van 20.000 gulden. Andere opdrachten omvatten een nieuw torenuurwerk in Wenen en in 1906 de restauratie van het carillon van de Utrechtse Domtoren.

31 lampjes

Addicks bleef lang actief. Zo deinsde hij er niet voor terug om zelf op latere leeftijd nog torens te beklimmen om uurwerken en carillons te controleren. Als blijk van waardering voor zijn pionierswerk kreeg hij op 1 augustus 1893 ter gelegenheid van zijn veertigjarig jubileum als Stadshorlogemaker een oorkonde van de Vereeniging Christiaan Huygens.

In 1899, op zijn tachtigste verjaardag, schilderde Hendrik Maarten Krabbé, de grootvader van Jeroen Krabbé, zijn portret. Addicks liet ook in bestuurlijk opzicht zijn sporen na: hij was onder meer voorzitter van de Horlogemakersbond en van de Maatschappij voor den Werkenden Stand geweest.

Het bedrijf was in 1881 overgenomen door zoon Floris Casimier als J.H. Addicks & Zoon. Floris Casimier overleed in 1916 op 54-jarige leeftijd en werd opgevolgd door zijn zonen Floris, Henk en Joop. In 1917 werd de officiële naam ‘N.V. Fabriek van Toren-Uurwerken, Carillons en Raderwerken v/h J.H. Addicks & Zoon’.

Ook voor de kleinzoons was er werk genoeg. In 1930 kreeg de Westertoren bijvoorbeeld verlichting op de wijzers en de wijzerplaat. Twee jaar eerder was het handmatige opwindmechanisme van de klok (het opwinden duurde minimaal een uur per dag) al vervangen door een elektrisch mechanisme, dus er was al elektriciteit hoog in de toren, maar de oude wijzers bleken niet geschikt voor verlichting.

Dus werden de manshoge wijzers in de werkplaats in de Monnikenstraat minutieus nagemaakt, vervolgens geschilderd en bedekt met een dun laagje bladgoud. De grote wijzer kreeg 31 lampjes, de kleine wijzer 17 lampjes, ondergebracht in een glazen buis als bescherming tegen de weersomstandigheden op de grote hoogte. Addicks had proefondervindelijk vastgesteld dat juist een geringe lichtsterkte de zichtbaarheid in de nacht vanaf de straat ten goede kwam.

Slaapschema voor carillon

Amsterdam zou Amsterdam niet zijn als er niet geklaagd werd over de tijdstippen waarop de klokken geluid en de carillons bespeeld werden. Ook daar speelde de Firma Addicks met bekwame hand op in. De gasten in het Carlton Hotel klaagden bijvoorbeeld over het ’s nachts slaan van de hele en halve uren en het ‘gepingel’ van het carillon van de Munttoren.

Dus bedacht Floris Addicks een ‘slaapschema’, waardoor ook de Munttoren tussen 23.00 uur en 7.00 uur genoot van een welverdiende nachtrust. Daarentegen werd de klok van de Psychiatrische Inrichting in Den Dolder zo ingesteld dat deze in de nachtelijke uren heel zacht klonk, maar zich om 07.00 uur als een soort Amsterdamse ‘porder’ luid en duidelijk liet horen.

In de loop van de 21ste eeuw nam de vraag naar nieuwe torenuurwerken sterk af. Addicks ging op zoek naar nieuwe producten. Deze werden gevonden in de fabricage van raderen en tandwielen, vanouds essentiële onderdelen van torenuurwerken en carillons. Het grootste verschil met de vroegere tandwielen en raderen was hun formaat, dat tegenwoordig soms maar enkele centimeters of nog kleiner betreft.

In 1969 werd de toen 114 jaar oude fabriek in de Monnikenstraat overgenomen door de klokkengieterij Eijsbouts uit Asten, van 1872. De combinatie van beide bedrijven zorgt ervoor dat de kennis van de twee oude beroepen tot op de dag van vandaag behouden blijft. Op 12 december 1981 verscheen in De Telegraaf de laatste advertentie van Addicks B.V., met de tekst: ‘Wie komt ons fabriekje schoonhouden, 4 uur per dag, van maandag t/m vrijdag. Monnikenstraat 4-6, Amsterdam.’ Kort daarna werden de deuren gesloten.

De familie Addicks

Ook de nazaten van Johannes Hermanus maakten naam. Zijn dochter Jet (Marie Henriette Louise) werd schilderes en was als docent verbonden aan de Industrieschool voor de Vrouwelijke Jeugd op de Weteringschans. Christiaan Johannes Addicks werd een bekende kunstschilder, maar maakte ook illustraties voor kinderboeken en was docent aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Rotterdam.

Kleinzoon Joop Addicks (Johannes Hermanus), broer van Floris en Henk, schaakte op het hoogste niveau, onder anderen tegen Max Euwe, en behaalde op de Schaakolympiade van Praag in 1931 voor het Nederlandse team een score van 10 uit 16. Wim Addicks maakte naam als voetballer voor De Meeuwen, AFC en van 1922 tot 1931 voor Ajax. In de eerste van zijn drie interlands scoorde hij twee goals tegen Frankrijk.

Arie Teunis Addicks was verzetsstrijder en verzorgde tijdens de Tweede Wereldoorlog onder meer de distributie van Het Parool. Zijn vader Marinus werd gedood in september 1941 toen Duitse soldaten Arie trachtten te arresteren in het ouderlijk huis. Arie wist te ontkomen, maar werd een maand later alsnog gearresteerd en 8 oktober 1941 gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte.

Header: De werkplaats van Addicks rond 1900 / Uit: Torenuurwerken. Tijd voor iedereen (2005)