Iedereen in middeleeuws Amsterdam hield er rekening mee dat het ooit zou gebeuren: een grote brand die alles in vlammen liet opgaan. De huizen waren net zo goed als de koggeschepen nog allemaal van hout, dat zeker in periodes van droogte een willige prooi van de vlammen was. De rieten daken waren regelrechte toortsen, die aangewakkerd door de wind binnen een mum van tijd een vonkenregen over de hele stad konden verspreiden.

Tal van steden werden in de middeleeuwen getroffen door stadsbranden. In Holland onder meer Alkmaar (1328), Dordrecht (1332, 1338) en Haarlem (1347), verder weg Amersfoort, Utrecht en Deventer. Ook Amsterdam had het al eens beleefd. Een akte uit 1321 spreekt van “dien brande van Aemstelredam”, wat wijst op een grote brand, die meer dan enkele huizen trof.

Over deze vroegste stadsbrand weten we verder niets, maar we moeten ervan uitgaan dat hij veel indruk heeft gemaakt. En we bespeuren bij de middeleeuwse Amsterdammers het bewustzijn dat het op een dag wederom mis zou gaan. Iedereen hield er rekening mee, iedereen moest dagelijks met het brandgevaar leven. Er lijkt een soort gelatenheid over te hebben bestaan.

We vinden er in 14de- en 15de-eeuwse documenten dan ook regelmatig verwijzingen naar: bij het afsluiten van een contract voor de erfpacht werd soms gezegd dat die overeenkomst zou gelden “totten naesten brande toe”, dus tot de eerstkomende brand! Al in 1348 kwam deze formulering voor, die ook daarna nog regelmatig opduikt. De Amsterdammers lijken te hebben geanticipeerd op een komende stadsbrand, in het besef dat die onvermijdelijk was en het hele leven – ook de ruimtelijke ordening van de stad – volledig overhoop kon gooien.

Brandmeesters

Maar nonchalant was de houding ten opzichte van het brandgevaar zeker niet. Vanzelfsprekend deden de Amsterdammers aan brandpreventie. Jaarlijks werden er twaalf “guede knapen” gekozen en beëdigd tot brandmeesters. De stad was van noord naar zuid in vier lange stroken verdeeld, waarbinnen ieder zijn eigen deel van de stad had om over te waken. De brandmeesters hadden bevoegdheden om bij de mensen naar binnen te gaan en toezicht te houden op de brandveiligheid.

Waken was niet het enige wat ze deden. Er waren bepalingen over hoe men zich in geval van brand diende te gedragen; timmerlieden, bijvoorbeeld, moesten met brandbijlen naar de brand gaan. En we vinden in de oudste brandkeur – van 1413 – voorschriften die iets duidelijk maken over de huizen van de stad. Het stadsbestuur bepaalde dat in een kamer van minder dan drie meter breed geen vuur gemaakt mocht worden. Daar was alle reden toe, want open vuur kwam in elk huishouden en elk bedrijf wel voor. Uitzonderingen waren er voor kamers met een schoorsteen. Deze bepaling – die erop wijst dat mensen zonder schoorsteen in kleine ruimtes ook vuur stookten – maakt tevens duidelijk dat in grotere ruimtes open vuur zonder schoorsteen in 1413 dus nog voorkwam. Dan was er in het midden een ‘rookhuis’: een stenen vloer om vuur op te stoken, met een luik in het dak waardoor de rook verdween.

Ook was het verboden om kaarsen tegen de “wanden van den huyze of an houte” te laten branden – een mooie vingerwijzing dat het gemiddelde Amsterdamse huis in die tijd nog van hout was – of om vuur te stoken op verdiepingen van huizen, tenzij daar een “gueden scoersteen” was.

Handhaving

Ovens moesten zo ruim staan, dat men er omheen lopen kon en mochten dus niet tegen de wand staan. De enige uitzondering gold voor ovens in stenen huizen, maar die waren er bijna niet. Bij dit soort verboden spreekt het bijna vanzelf dat smeden al helemaal niet zonder stenen vuurplaatsen konden en dat ook voor beroepsgroepen als smeersmouters, zeepzieders en olieslagers extra bepalingen golden.

Voor de daken golden ook regels. Niemand mocht een nieuw huis of gebouwtje slechts met riet dekken. Het riet moest aan de buitenkant een duim dik worden geleemd met gebeerde – door mest gemengde – klei, zodat vonken er niet zo makkelijk vat op kregen. Op overtreding van deze regel stond een boete van vijf pond Hollands (guldens), een enorm bedrag.

Deze bepaling gold evenzeer voor een nieuw dak op bestaande gebouwen en met uitzondering van de lijnbanen die buiten de ‘nuwe grafte’ stonden – in 1413 waren dit nog de achterburgwallen – moesten alle huizen, pakhuizen, stallen, schuren en andere rietgedekte gebouwtjes ook aan de binnenkant van de daken een leemlaag hebben.

Daarnaast was het verboden om huizen met pek of teer te besmeren en het bestuur deed zelfs zijn best om ook de opslag van pek of teer en het gebruik ervan binnen de voorburgwallen geheel en al te verbieden, een eerste aanwijzing dat men brandgevaarlijke zaken uit het centrum wilde bannen. Maar met dit soort regels werd makkelijk de hand gelicht en de technische uitvoering liet vaak te wensen over, terwijl de handhaving op zijn zachtst gezegd ontspannen was. Kortom, we moeten ons een stad voorstellen met veel brandgevaarlijke toestanden.

Zuidenwind

Alle maatregelen ten spijt brak op 13 april 1421 een enorme brand uit. De tijden waren bijzonder roerig. De ingewikkelde Hoekse en Kabeljauwse twisten beheersten de Lage Landen. Een strijd die uitmondde in een onderlinge oorlog tussen Hollandse steden, waar ook de Utrechtse bisschop Frederik III van Blankenheim zich in mengde. Hij was met steun van Leiden, Kampen en Deventer in 1420 een oorlog met de Hollandse graaf Jan van Beieren begonnen. In dat licht moeten ook de herhaalde aanvallen op Amsterdam worden gezien. Het is niet ondenkbaar dat de Amsterdamse stadsbrand was aangestoken door Utrechtse troepen aan de zuidkant van de stad.

Aangewakkerd door een zuidenwind vraten de vlammen zich vanaf de Bindwijkerpoort aan het Spui een weg door de Kalverstraat, om al snel over te slaan naar andere delen van de stad. In de Kroniek van Johannes de Beke is te lezen dat een derde van de stad afbrandde. Getroffen werden de Kapel ter Heilige Stede in de Kalverstraat, het Sint Elisabethgasthuis met het aanpalende stadhuis aan de Dam en ook de Nieuwe Kerk, die op dat moment nog in aanbouw was en verre van voltooid. De huizen op de Damsluis lijken te zijn verbrand.

Het nasmeulen zal nog enige tijd hebben geduurd, maar de brand zelf was waarschijnlijk kort en hevig. We zullen wel nooit meer kunnen achterhalen of pogingen om huizen met brandhaken omver te halen hielpen het vuur te stoppen. De brand lijkt vooral aan de Nieuwezijde gewoekerd te hebben: de Oude Kerk, bijvoorbeeld, heeft kapconstructies uit rond 1390, wat erop wijst dat dit deel van de stad vermoedelijk minder zwaar was getroffen of dat de brand op zeker punt gestopt kon worden. In 1422 werd “na den brande openbairlic in der kerken” verklaard dat iedereen die officiële documenten had verloren, deze terug kon krijgen, mits het gerecht de “wairheit [kende] datter brieve gheweest” waren. Ook dit lijkt erop te wijzen dat de kerk weinig schade had geleden.

Hoop

Of er slachtoffers zijn gevallen is evenmin overgeleverd. Voor sommige getroffenen was de brand ongetwijfeld een financiële strop die ze nooit meer te boven kwamen. Maar voor de stad lijkt de brand een impuls te zijn geweest tot uitbreiding. In de jaren na de brand zien we grote stedenbouwkundige activiteiten. De aanvallen op de stad en de brand gaven aanleiding om de stadsverdediging te verbeteren en het stedelijk gebied te vergroten.

Kort na 1421 werd aan de westzijde van de stad een nieuwe gracht gegraven. Enkele tientallen meters ten westen van de Nieuwezijds Achterburgwal kwam het Singel. En in 1433 repte een schepenoorkonde van de “verste nieuwe gracht”, waarmee de Geldersekade of de Kloveniersburgwal is bedoeld.

De Amsterdammers deden ondertussen wat ze eerder ook al hadden gedaan: ze bouwden hun huizen van hout. Baksteen diende in andere steden in Nederland al om huizen mee te bouwen, maar bleef in Amsterdam vooral in gebruik voor het metselen van schoorstenen. Pas ver in de 16de eeuw gingen de Amsterdammers hun huizen helemaal van steen maken. Voorlopig hoopten ze maar dat het een tijd zou duren voordat de stad weer door een dergelijke catastrofe werd getroffen. Maar dat ze dachten dat die kwam, stond nog steeds in nieuwe erfpachtaktes geschreven. En die verwachting kwam uit. In 1452 brak opnieuw een enorme stadsbrand uit – veel groter nog dan die van 1421.

GABRI VAN TUSSENBROEK IS HOOGLERAAR STEDELIJKE IDENTITEIT EN MONUMENTEN AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM.

April 2021

Beeld: Tekening uit 1782 door Fokke Simonsz. Collectie Stadsarchief Amsterdam