Gierzwaluwen houden van steden en van Amsterdam in het bijzonder – en dat is minder vreemd dan het misschien lijkt. Was de oprukkende stad jarenlang een van de belangrijkste boosdoeners in de vele verhalen over de almaar beroerdere stand van de natuur, de vier stadsecologen die vorig jaar het Amsterdamse beestenboek publiceerden, leggen de nadruk nu eens helemaal anders. Ze hebben goed nieuws: in Amsterdam gaat de natuur juist vooruit.
Steeds meer dieren weten de stad te vinden. Vossen lopen over de spoorrails Amsterdam binnen, zelfs in de Haarlemmerstraat is er eentje gesignaleerd. Wilde bijen hebben het overal moeilijk, maar in Amsterdam neemt hun aantal juist toe. Schuwe roofvogels als sperwers en haviken broeden tegenwoordig in de stadsparken. De Nieuwmarkt is een vleermuizenhotspot. En de eerste zeehond is al in de Amstel voor Carré gezien.
Amsterdam is op natuurgebied een bijzonder geval. Niet alleen ligt hier de bakermat van de natuurbescherming (de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten is er in 1905 opgericht), ook leven er opvallend veel plant- en diersoorten in vergelijking met andere steden. Maar liefst een kwart van de 40.000 die Nederland rijk is. Dat heeft met de bijzondere ligging te maken. Op kleine afstand zijn heel diverse landschappen: de zoute Noordzee en de duinen, de weilanden van Waterland, het uitgestrekte zoetwatermilieu van het IJsselmeer en de bossen en plassen van het Gooi.
Wat ook helpt, is dat tegenwoordig de stadsparken en -bermen ecologisch worden beheerd. Kom daar op het platteland maar eens om. Het gemiddelde weiland is tegenwoordig egaal knalgroen: er groeit alleen raaigras, zonder klaprozen, boterbloemen of korenbloemen. Plattelandsvogels als de leeuwerik en de grutto dalen daardoor sterk in aantal. Maar dieren zijn flexibeler dan lang is gedacht. IJsvogels, scholeksters en slechtvalken hebben de stad recent ontdekt als geschikte broedgelegenheid. De gierzwaluwen wisten dat al veel langer. Zij broedden oorspronkelijk in de spleten van rotshellingen. Blijkbaar zien ze de stenige stad, met alle kieren en tochtgaten die oude huizen rijk zijn, als een ideaal rotslandschap.

Luchtacrobaten

Rond Koningsdag zijn de gierzwaluwen ineens overal aanwezig in Amsterdam. Het zijn er zeker enkele duizenden, tot ze eind juli – dan alweer – vertrekken. Gierzwaluwen hebben een karakteristiek, sikkelvormig silhouet en vliegen altijd in groepen. Razendsnel scheren ze achter elkaar aan in golvende vluchten, terwijl ze een snerpend geluid voortbrengen: srie-srie-srieee! Veel mensen denken dat ze de vogels nooit gezien hebben, maar het doordringende gesnerp kent bijna iedereen. Kijk vanaf balkon of terras omhoog en zie: daar vertonen de diertjes hun vrolijkmakende luchtacrobatiek.
Met hun zonderlinge eigenschappen hebben gierzwaluwen altijd sterk tot de verbeelding gesproken. Voor het eerst zijn ze in 1670 afgebeeld op een schilderij van Melchior d'Hondecoeter: in de verte cirkelen ze rond het toenmalige stadhuis (nu Paleis) op de Dam. In 1770 meldden Christiaan Sepp en Cornelius Nozeman in hun beroemde, in Amsterdam uitgegeven catalogus van alle toen bekende vogelsoorten, dat de gierzwaluwen "overal in de steigergaten der kerkmuuren en torens" broedden (op het platteland onder dakpannen) en "vrij hoog in de lucht met eene zonderlinge snelheid en onvermoeid herom zweeven". De platen in de catalogus waren "naer 't leeven" getekend. Die vogels waren overigens niet zo levend meer: ze werden uit de lucht geschoten om als lijk of in opgezette vorm te worden nagetekend. De catalogus is onlangs heruitgegeven.
Het neerhalen van een gierzwaluw zal nog niet meegevallen zijn, want zijn gewone vliegsnelheid ligt al boven de 100 km per uur en in duikvlucht haalt hij zelfs de 220 km. Met zijn brede bek een stukje open zuivert hij de lucht van alle insecten die op zijn weg komen. Per dag hebben gierzwaluwen maar liefst 9000 muggen, vliegen, torren en spinnetjes nodig om te kunnen overleven. Als de lucht boven Amsterdam niet genoeg beestjes bevat, vliegen ze in groepen 'even' naar het IJsselmeer om daar te foerageren.

Eigen universum

Gierzwaluwen komen nooit op de grond. Alles doen ze in de lucht, behalve hun jongen grootbrengen. Slapen dus ook, waarbij ze eerst naar 2,5 kilometer hoogte stijgen. Hun navigatie en uithoudingsvermogen stellen onderzoekers voor vele raadsels. De vogels leggen in hun leven een afstand af van zes maal een retour naar de maan, ruim 4,5 miljoen kilometer ofwel 100 maal de aardbol rond.
Stadsecoloog Remco Daalder schrijft in zijn mooie boek De gierzwaluw (2014) dat de fascinatie voor deze vogelsoort te maken heeft met dit permanente bestaan in de lucht, in een grenzeloos rijk waar mensen niet kunnen komen. "Hij is onbenaderbaar. Hij ziet je niet, hij zit in zijn eigen universum. Dat is de magie van de gierzwaluw", aldus Daalder. Judith Herzberg vond een nog levende, jonge gierzwaluw op haar stoep en dichtte zelfs: "Als engelen bestaan is dit er een. On-gronds en ondoorgrondelijk." Dit mythische gevoel rond de gierzwaluw moet er de verklaring voor zijn dat hij in Amsterdam opvallend veel bewonderaars en beschermers telt.
De vogels broeden vooral binnen de ring, vanwege de aantrekkelijke oudbouw met kieren en spleten die als invliegopening naar een nest geschikt zijn. Maar ze zitten ook in stadsdelen als Noord, Nieuw-West en Zuidoost. Niet in de laatste plaats dankzij de inspanningen van de Gierzwaluwwerkgroep Amsterdam, opgericht in 1992, die overal in de stad alert is op renovaties en nieuwbouwprojecten waardoor nestgelegenheid voor gierzwaluwen dreigt te verdwijnen. Volgens de Flora- en Faunawet moet voor vervangende nesten worden gezorgd (zelfs in vijfvoud) in de vorm van nestkasten of speciale dakpannen met een gat. Maar daar wordt de hand mee gelicht. Er zijn dramatische filmpjes van gierzwaluwen die keurig terug zijn gevlogen naar hun oude nest en radeloos voor met purschuim dichtgesmeerde openingen heen en weer vliegen.

Ventilatiespleten

Gerard Schuitemaker is al vanaf de jaren tachtig bezig zulke drama's te voorkomen. Hij is in de Jordaan met de gierzwaluw opgegroeid, want tot de stadsvernieuwing van de jaren zeventig was de vogel nog veel algemener in Amsterdam dan nu. "Vanwege de drukte in huis trok ik me geregeld op zolder terug en door het dakraam zag ik ze dan onder de dakpannen verdwijnen. De 'mieren van de lucht' noemde ik ze als kind." Gerard werd hovenier en begon samen met bewoners van Oud-West geveltuinen aan te leggen nog voor dit stadsdeelbeleid was.
Het was een activistische tijd. "Tijdens een vergadering van de groenwerkgroep van buurtbewoners, begin mei, hoorden we ineens allemaal het gegier in de lucht: de gierzwaluwen waren gearriveerd!" Het beschermen van deze vogels werd voor hem een levensdoel. Van verschillende stadsdelen kreeg de Gierzwaluwwerkgroep subsidies om nestkasten te kopen. De beste methode om nesten te redden en nieuwe te laten aanleggen, bleek het bijwonen van bouwvergaderingen te zijn. "Ik heb nu een netwerk van wel 300 mensen uit de bouwwereld die mij om advies vragen; aannemers, mensen van woningcorporaties. In de afgelopen twintig jaar heeft de werkgroep zo'n 8000-10.000 nestkasten opgehangen of laten inmetselen in de gevels. Bij de renovatie van oudbouw pleiten we steeds voor het openhouden van de zogenaamde boeidelen, oude ventilatiespleten tussen de muren en de dakgoot. Desnoods laten we de bouw stilleggen, zoals bij de renovatie van Het Schip in de Spaarndammerbuurt."
Tussen de gierzwaluw en Amsterdam zit het wel goed. En sowieso is deze stad een eldorado voor vogels: de helft van de Nederlandse vogelsoorten komt op Amsterdams grondgebied voor. "Als je naar vogels wilt kijken, ga niet naar Zuid-Limburg of nog verder weg", aldus de stadsecologen in een lezing over Beestenboek. "Hier in Amsterdam zijn de vogels het minst schuw. Je kunt het beste op safari gaan in je eigen stad!"