Sieto en Marijke Hoving waren in de jaren vijftig en zestig pioniers van een nieuwe Nederlandse cabaretstroming. Met “geëngageerd cabaret voor fijnproevers” (NRC, 2016) concurreerden ze met de ‘Grote Drie’: Wim Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans. Tingel Tangel was zijn tijd vooruit en de kraamkamer van een nieuwe cabaretgeneratie. Veel kleinkunstenaars deden er ervaring op, onder wie Henk van Ulsen, Paul Deen, Rob de Nijs, Donald Jones, Conny Stuart, Harry Sacksioni en Albert Mol. Het eigenzinnige duo had een grote afkeer van “reglementering van geest door betuttelaars en bedillers”. “Op z’n zachtst gezegd zijn het heel merkwaardige en uitzonderlijke mensen met een uitermate stijfkoppig doorzettingsvermogen”, aldus Wiebe Cnossen, die als pianist lange tijd deel uitmaakte van de Tingel Tangel-familie.

Sieto Hoving werd op 22 september 1924 in Delft geboren in een streng gereformeerd gezin. Na de Tweede Wereldoorlog ging hij studeren aan de toneelschool in Amsterdam, waar hij onder meer les kreeg van Ton Lutz en waar hij Marijke Tauber (Oudkarspel, 1925) ontmoette. Met haar expressieve mimiek gold zij als een briljante comédienne. Na de toneelopleiding speelde Sieto bij het Rotterdams Toneel en vervolgens bij de Nederlandse Comedie, waarvan het repertoire bestond uit klassieke stukken, zoals de jaarlijkse ‘Gijsbrecht’ van Vondel op Nieuwjaarsdag.

Al snel kwam hij erachter dat die stijl van spelen en de repertoirekeuze niet bij hem pasten. Hij bleek meer aanleg voor blijspelen te hebben – zijn ‘serieus’ toneelspel werkte bij het publiek op de lachspieren. Sieto trad toe tot het ABC-Cabaret van Wim Kan. Marijke had daar al in 1953 haar debuut gemaakt in de cabaretvoorstelling De bedriegertjes. “Ik kon ademloos naar Wim Kan kijken. Dat vond ik zalig, zo met het publiek praten in plaats van in je rol tegen andere spelers. Cabaretier leek me opeens geweldig, nog leuker dan acteur. Zo zijn we begonnen”, zei Hoving in 1964.

Geuzennaam

Met acteur en studievriend Henk van Ulsen werkten de Hovings aan hun eerste cabaretvoorstelling, die de naam Tingel Tangel kreeg. In 1956 was de première in het Leidsepleintheater. De titel getuigde van zelfspot. Hij was ontleend aan de verschrikte uitroep van toneelregisseur Ferdinand Sterneberg toen Henk van Ulsen hem vertelde dat hij met de Hovings een cabaretprogramma ging doen. “Wat doe jij in zo’n tingeltangel?” De term tingeltangel betekende zowel ‘slechte piano’ als ‘cabaret van gering allooi’, en werd de geuzennaam van niet alleen het eerste programma, maar later ook het theatergezelschap en het theater aan de Nieuwezijds Voorburgwal.

Marijke en Sieto Hoving waren niet tevreden over de eerste voorstelling. In de zomer van 1957 vonden ze hun richting. Ze kwamen per toeval terecht bij een voorstelling van het Münchner Lach- und Schießgesellschaft en zagen daar scherp en provocerend amusement, met het publiek niet in een standaardtheaterzaal, maar aan kleine tafeltjes in een caféruimte. De Zuid-Duitse troep inspireerde de Hovings tot de cabaretvorm die in Nederland opzien baarde: een snelle opeenvolging van sketches, liedjes en conferences waarbij met de nodige provocatie de maatschappij onder de loep werd genomen.

Tingel Tangel bood geen ‘verstrooiingscabaret’ voor een groot publiek, zoals Wim Sonneveld en Toon Hermans deden, maar was heel klein, zonder decors en microfoons. Weinig andere middelen werden ingezet dan een simpel basiskostuum en de eigen stem, mime en beweging. Sieto was de man van het woord, Marijke de vertolkster van vreemde types met een pokerface en pretoogjes. Zij zagen zichzelf als “de kamermuziek van het naoorlogse cabaret”: “Ik zou best in Carré kunnen staan, maar dan in de kleedkamer.” (Algemeen Handelsblad, 1989). Vanwege de verbouwing van het Leidsepleintheater tot bioscoop verhuisden ze in 1957 naar Le Chevalier d’Or, een bar in de Beethovenstraat, waar zo’n zestig mensen aan tafeltjes konden zitten. Met de slogan “’t Kleinste theater met de grootste bek” werd daar hun tweede programma aangekondigd: Niet voor lange tenen.

Donderpreek

Hun publiek bestond uit het denkende deel van de natie, “dat niet zo snel op zijn teentjes is getrapt”. Alles kon gezegd worden. Cabaret was, in de woorden van Sieto Hoving, een donderpreek “waarvoor de kerkgangers graag het traktement van de dominee willen betalen”. Wiebe Cnossen zei later dat een bezoek aan Tingel Tangel “een kuur was die je moest ondergaan”; het publiek had slechts te incasseren. Hoving in 1989: “Je mag nooit rekening houden met het publiek, je mag je maatstaven nooit lager leggen dan die van jezelf. Je moet bovendien eerbied voor jezelf hebben, behoorlijk veel eerbied zelfs.”

Hij was veeleisend voor zijn publiek, maar nog meer voor zichzelf. Met ijzeren discipline en een keihard arbeidsethos bereidde hij zijn conferences voor. Hij schreef alle teksten zelf; veel ghostwriters, zoals ‘Maz Den’ en ‘Kees de With’, waren eigen pseudoniemen. “In mijn conferences heb ik het nooit over iets dat ik verzonnen heb. Het gaat erom ernstige zaken te vertalen in cabaretvorm. Daarvoor moet je zorgen dat je altijd méér weet dan je zegt, een heleboel meer. Gelukkig lees ik pijlsnel”, zei hij in 1961. Hij las zes kranten per dag en alle opinie- en weekbladen, praatte met talloze mensen en ging naar vele Amsterdamse raads- en Haagse Kamerzittingen. Ter voorbereiding van een conference over de toenmalige minister van Financiën, Henk Hofstra, las hij zelfs diens lijvige en praktisch onleesbare Socialistische Belastingpolitiek.

Na een jaar in Le Chevalier d’Or zochten de Hovings naar een meer in het oog lopende plek, “met Tingel Tangel op de pui”. Nieuwezijds Voorburgwal 320 werd in november 1958 het nieuwe adres (restaurant Haesje Claes zit er tegenwoordig). Een pijpenla. Volgens Hans van Straten, journalist van Het Vrije Volk, wekten de houten wanden de indruk van “een verenigingsgebouw in Slotermeer”. Het theater werd gerund als een familiebedrijf, met Sieto en Marijke Hoving die “vadertje en moedertje speelden”, aldus Wiebe Cnossen. Alles deden ze in eigen beheer. Het weekblad TV: “Koop aan de kassa een kaartje bij Marijke Hoving, geef uw jas af aan Paul Deen, laat een plaats aanwijzen door Wouter Denijs, bestel een kop koffie bij Riek Schagen en drink uw glas met Sieto Hoving.”

Onafhankelijk

In 1963 liep het huurcontract af. Slechts enkele tientallen meters verderop vonden ze onderdak in een leegstaand rijksmonument uitcirca 1725, Nieuwezijds Voorburgwal 282.Ooit was burgemeester Hendrik Bicker (1682-1738) de eerste bewoner;de gemeente kocht het dubbelhuis in 1835 van zijn nazaten. Van 1910 tot 1957 zat de Prinsenschool (genoemd naar pedagoog en onderwijzer Pieter Johannes Prinsen) erin, waar onder meer choreograaf Hans van Manen naar school ging. De panden werden gesplitst: het linkerdeel kreeg een eigen voordeur (huidige huisnummer 282a) en deed dienst als nieuw onderkomen voor de Engelse Kerk. De begane grond en het souterrain rechts werden theater, boven kwam een woonhuis.

De verbouwing begon in de zomer van 1963 naar tekeningen van de Rotterdamse architect Herman de Haan. Het kamertje van het schoolhoofd werd een mini-foyer met bar en een mini-keuken waar voor de voorstelling maaltijden van Sieto ‘de chef’ werden geserveerd. In het voormalige handwerklokaal kwam de loge en klas 1A veranderde in een zaaltje met 145 stoelen. Het podium was minuscuul: vier meter lang, nog geen meter diep. De verbouwingskosten van twee ton betaalden de Hovings uit eigen zak. Overheidssubsidie was voor de Hovings uit den boze: cabaret “moet onafhankelijk zijn, ook van de staat”.

Er was grote behoefte aan een theaterzaaltje van deze omvang en steeds meer cabaretgroepen traden in Tingel Tangel op, waaronder Don Quishocking, Ivo de Wijs en Tekstpierement van Jos Brink. Maar met het uitbaten van een eigen theater betraden de Hovings een terrein dat ver afstond van hun artistieke bedoelingen: de wereld van vergunningen, voorschriften, belastingen en ontheffingen. Zakelijk inzicht was niet hun sterkste punt. Ze vroegen een veel te lage huur in verhouding tot de kosten aan personeel, pianostemmers en elektriciteit. “Die jongen is alles, behalve commercieel”, zei Annie M.G. Schmidt en dat was volgens Sieto “het enige positieve dat ze ooit over ons had gezegd had”.

Vilein

Als moralisten met een vileine ondertoon gaven de Hovings het Nederlandse cabaret een scherpte die destijds niet gebruikelijk was. Ze fileerden hete hangijzers als het militarisme, het kapitalisme, het koningshuis, milieu en euthanasie. Het Algemeen Handelsblad noemde Sieto in 1960 de “enige politiek cabaretier in ons land”, maar zelf wilde hij daar niets van weten. De term “politiek cabaret” was synoniem voor hokjesgeest, “en daar ben ik als de dood voor”. Hij was een politicus zonder partij. De inhoud van de voorstellingen paste niet binnen partij- of geloofskaders. De boodschap was: doe wat je zelf fijn vindt, vecht met energie voor je eigen ideeën en leef naar je eigen smaak en maatstaven.

Het analyseren van de wereldpolitiek werd voor Sieto belangrijker dan amuseren. Mede door de opkomst van jong cabarettalent als Freek de Jonge en Youp van ’t Hek en de opmars van het televisieamusement begon de belangstelling voor Tingel Tangel in de jaren zeventig af te nemen. De Hovings konden en wilden zich niet aanpassen aan de nieuwe tijdgeest: “Ik heb alleen met mijzelf te maken, met mijn eigen zaak. Komen ze niet, dan komen ze niet en dan moet ik zien hoe ik verder door het leven kom.” (De Tijd, 1988.)

Clairy Polak wond er in 1986 geen doekjes om in het voorwoord van haar boek Het is nooit beloofd dat het leuk zou worden naar aanleiding van dertig jaar Tingel Tangel: “[Sieto] is net een gereformeerde dominee wiens kerk leegloopt. Vroeger ademde de hele zaal mee met zijn grappen, nu moet hij de lach eruit timmeren.” Het theater was nooit een vetpot geweest, maar nu was de financiële situatie dramatisch. “Bij ons staat het al jaren stil of gaat het zelfs achteruit. In de WW kunnen we ook niet, wij zijn niet in loondienst. En voor een bv zijn we te klein. Zelfs al zouden we willen ophouden, we zouden het ons gewoon niet kunnen permitteren”, aldus Sieto zelf in het boek.

Reclamespotje

Intussen stond cabaretier Paul Haenen met zijn Margreet Dolman-voorstelling voor uitverkochte zalen in Bellevue, De Kleine Komedie en De La Mar. Met zijn partner Dammie van Geest zocht hij naar een eigen theater voor hun programma’s. Begin 1989 konden ze theater Tingel Tangel overnemen. De Hovings mochten nog vijf jaar lang vier weken spelen zonder vergoeding en kregen f 15.000,- voor de inventaris. Tingel Tangel heette voortaan het Betty Asfalt Complex. Van de vier weken spelen per jaar kwam weinig terecht. “Hij heeft één keer twee weken hier gestaan, en toen kwam er helaas nog steeds niemand kijken”, aldus Dammie van Geest.

Toch schitterden Sieto en Marijke Hoving nog één keer. In een reclamespotje voor de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij (NCM) speelde Sieto een ondernemer in pyjama die de slaap niet kan vatten omdat hij wordt geplaagd door wanbetalers. Als zijn vrouw – Marijke – suggereert: “Dan verkoop je toch gewoon de boot”, schiet hij overeind en zegt: “Dát had je nou niet moeten zeggen.” Met het spotje oogstten ze kortstondig meer faam en een veel groter publiek dan ooit in hun cabaretcarrière. (En de zieltogende NCM was gered.)

Op 19 januari 2016 overleed Sieto Hoving, 91 jaar oud. In de rouwadvertentie werd geciteerd uit een gedicht van J.H. Leopold: “Zoek heil en heul in uw gedichten; doe als ik en denk om roem en eer geen ogenblik, maar vind in verzen vrede en zielsgeluk.” Marijke Hoving, inmiddels 93 jaar, woont in een verzorgingstehuis.

BART GIELEN IS HISTORICUS EN PRESENTATOR. IN HET BETTY ASFALT COMPLEX PRESENTEERT HIJ BARTS BOEKENCLUB.

Juli/Augustus 2019