Schoolhoofd Martien Broekhuijsen van de School der 2e klasse S in de Lepelstraat was meer dan alleen een betrokken onderwijsman: hij zette zich onvermoeibaar in voor de kinderen in de Lepelbuurt. Er zaten veel Joodse kinderen op zijn school die volgens hem de buurt niet uitkwamen en “... zullen blijven in hun oude, ongezellige omgeving, zwervend langs de vuile straten”. Hij organiseerde sportactiviteiten en uitstapjes en had daarbij een scherp oog voor de financiering ervan. In het Nieuw Israelietisch Weekblad verschenen regelmatig advertenties en ingezonden brieven waarin hij ouders opriep om hun kinderen tegen een kleine betaling deel te laten nemen aan naschoolse activiteiten, steevast ondersteund door een aanbeveling van rabbijn Lodewijk Hartog Sarlouis. Met de kindercommissie van de vakbond regelde hij middagen voor kinderen waarop lichtbeelden werden vertoond. Toegang drie cent.  

Martien Johan Broekhuijsen, geboren in Voorburg in 1871, behaalde in 1889 op de Rijkskweekschool te Haarlem de gewone akte voor onderwijzer. Hij vond zijn eerste baan als onderwijzer aan de School der 1e klasse No. 86 in Amsterdam, en een kamer in de Eerste Hugo de Grootstraat 12. Scholen met een nummer waren armenscholen en gratis toegankelijk. Het onderwijzerssalaris hing af van het aantal leerlingen en bedroeg in zijn geval f 500,- per jaar. 

In 1897 had hij ook de hoofdakte op zak en werd hij hoofd van de School der 2e klasse S (later School 117). Een tweede-klasse-school droeg een letter en was er net iets beter aan toe: de ouders betaalden een beetje schoolgeld. Verzekerd van een goede baan én een woning kon Broekhuijsen nu trouwen met Cornelia ‘Nel’ Spruitenburg (1862-1956) uit de Haarlemmermeer. Hij had haar leren kennen door haar broers, die met hem in Haarlem op de kweekschool hadden gezeten. 

Toverlantaarns
Als schoolhoofd had hij naast het lesgeven tijd voor nevenactiviteiten, zoals de ontwikkeling van nieuwe leermiddelen. Het lager onderwijs had door de voering van de leerplicht (voor kinderen van zes tot twaalf jaar) in 1901 een groeiende behoefte aan aanschouwelijk lesmateriaal, bijvoorbeeld schoolplaten en atlassen. Bij aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde kwamen ook de toverlantaarns van de firma Merkelbach & Co. goed van pas.

Fotograaf en filmer Wim Merkelbach interesseerde zich voor moderne techniek, zoals technisch speelgoed, fotografie en de toverlantaarn. Met hem begon Broekhuijsen een samenwerking in de productie van stereofotokaarten voor het aardrijks-kundeonderwijs. Ze namen hun ‘Aardrijkskundige Beeldengalerij’ voortvarend ter hand. Broekhuijsen volgde in de aardrijkskundeles een ‘synthetische leergang’, waarbij de directe omgeving van de leerlingen het beginpunt vormde: de eigen provin-cie. Een leerjaar verder kwam Europa aan bod en weer een klas hoger de rest van de wereld. Uit de Catalogus van Stereoscoopplaten uit 1905 blijkt dat hij de ‘Beeldengalerij’ opzette in collecties, die de opbouw van het vak volgden.

De stereofotokaarten vonden aftrek in heel Nederland. De afdeling Onderwijs van Amsterdam kocht bij Merkelbach grote hoeveelheden in. Voortbordurend op het succes in het onderwijs gaven Merkelbach en Broekhuijsen ook honderden stereofotokaarten uit voor thuis, onder de naam ‘Stereoschat voor school en huis’. Die waren met tien cent per stuk goedkoper dan de kaarten voor de scholen en afgedrukt op witglanzend karton, wat de indruk van een echte fotoafdruk versterkte. De tekst was viertalig: Nederlands, Duits, Engels en Frans. Achterop stempelde Broekhuijsen in paars-blauwe inkt een nummer en zijn handtekening.

Twee petten
In 1912 raakte het ondernemende schoolhoofd in een schandaal verwikkeld. Samen met zijn collega en vakbondsgenoot Jan Coenraad Holtzappel, hoofd van School 129, zette hij in maart een eigen opleiding voor leerkrachten op, de A.C.T.O.V.O: de Amsterdamsche Cursus tot Opleiding van Onderwijzers en Onderwijzeressen. Die particuliere kweekschool was bijna een familieonderneming.

Martien Broekhuijsen trad op als directeur en was verantwoordelijk voor de lessen in lezen, schrijven, rekenen, wiskunde en zang. Zijn zwager Hugo Spruitenburg, ook een schoolhoofd, stond in de brochure vermeld voor ‘paedagogiek’, diens broer Frederik, hoofd van School 23, gaf aardrijkskunde en Engels. Martiens broer Willy was ‘candidaat in de wis- en natuurkunde’ en deed ‘Physica en Nat. Historie’. Ten slotte verzorgde een onderwijzer op de school van Holtzappel, Warner Hopman , de lessen Duits, tekenen en geschiedenis. Zo werd de Lepelstraatschool ook een Normaalschool, een opleiding voor onderwijzers, en kwam zij in aanmerking voor een overheidssubsidie van 700 gulden voor iedere leerling die na vier jaar het examen haalde.

Broekhuijsen zette dus een tweede pet op: hij was ambtenaar in dienst van de gemeente én directeur van een particuliere cursus. Dat had meer dan de schijn van belangenverstrengeling. Het blad De Volksschool – orgaan van de Bond van Nederlandse Onderwijzers – maakte er in mei 1912 melding van, onder de kop ‘Misbruik van ambtelijke positie’. 

En misbruik wás het. Op de gemeentelijke School 129 van Holtzappel werden leerlingen voorbereid op het toelatingsexamen voor de Gemeentelijke Kweekschool; Hopman zat er in de examen-commissie. De twee heren speelden de namen en adressen van alle kandidaten – niet alleen de gezakten – door aan Broekhuijsen. Die schreef ze in voor zijn eigen particuliere cursus, in sommige gevallen zonder dat de ouders ervan wisten. Zo was hij verzekerd van een gestage stroom leerlingen, terwijl Holtzappel en Houtman als docenten van de A.C.T.O.V.O daar weer hun voordeel mee deden. Broekhuijsen adverteerde met de zin: “Uw zoon of dochter wil onderwijzer(es) worden?” en vermeldde een slagingspercentage van 86%.

‘Kinder-exploitanten’
Onderwijswethouder Simon de Vries Czn. moest na de artikelen in De Volksschool wel ingrijpen. Hij nodigde alle betrokkenen en de redacteuren van het tijdschrift uit voor een stevig gesprek op het stadhuis. Volgens het weekblad De Amsterdammerwerden de redacteuren daar “moedwillig-onbeleefd en uit de hoogte behandeld, in onaangename be-woordingen toegesproken, gepaard aan vuistslagen op de tafel, alsof zij de beschuldigden waren...”

Hij had inderdaad de adressen van de gezakte leerlingen van zijn twee collega-docenten gekre-gen, verklaarde Broekhuijsen. Maar de twee heren waren niet bij hem in dienst en hadden dus niet in strijd met hun positie als ambtenaar gehandeld. Holtzappel hield vol dat hij niet meer dan elf leer-lingen had opgegeven bij Broekhuijsen en alleen “op verzoek van hun ouders”. De redacteuren van De Volksschool’ gaven toe dat ze hun beschuldiging niet juridisch hard konden maken. De wethouder concludeerde dat er niets van corruptie was bewe-zen. De zaak leek afgehandeld.Leek, want een Rotterdamse krant schreef in juli 1912: “... is de zaak afgedaan? Wanneer ge zóó denkt, kent ge de Amsterdamse onderwijzers niet.”

En inderdaad: in oktober 1912 kwam het geval alsnog ter sprake in de gemeenteraad, op verzoek van het SDAP-lid Johannes van Kuijkhof, zelf on-derwijzer. Inmiddels was gebleken dat Holtzappel en Hopman wel degelijk als leraren in de brochures van de A.C.T.O.V.O vermeld hadden gestaan, en dus tegen wethouder De Vries hadden gejokt. In zijn haast om de opleiding draaiende te houden had Broekhuijsen bovendien nog een collega van School 129, Johan Traast, aangesteld voor het vak Nederlands, terwijl Traast helemaal geen oplei-ding voor dit vak had genoten. De Amsterdammerschreef dat hij “in zijn begeerlijkheid naar de subsidies” een wel “zeer zakelijke en practische heer” was gebleken: de “kinder-exploitanten” hadden “ten eigen financiëele voordeele” misbruik gemaakt van hun positie als ambtenaar.

Partijdig
Het vergrijp was des te erger omdat de ouders van de leerlingen meestal “min- of onvermogend” waren en met het doorplaatsen naar Broekhuijsens school op kosten waren gejaagd. De wethouder had niet zomaar partij mogen kiezen voor de onderwij-zers, aldus De Amsterdammer: hij had zich “meer dan grievend” en “sterk getuigend van een partij-dige opvatting” gedragen. Hij had de zaak daardoor “nog onverkwikkelijker [...] gemaakt dan zij al was”. Maar wethouder De Vries bleef erbij dat Holtzappel en Broekhuijsen niets te verwijten viel; de raad legde zich daarbij neer. Raadslid Van Kuijkhof ving bot.

De wethouder concludeerde dat er niets van corruptie was bewezen. De zaak leek afgehandeld.

Acht jaar later maakte de Lager Onderwijswet een einde aan de mogelijkheid van (particuliere) opleidingsklassen. Broekhuijsen deed de A.C.T.O.V.O in 1937 van de hand en verhuisde in 1950 met zijn echtgenote naar een ruime villa in Bussum, waar hij in 1956 overleed.

De gemeente hief in 1934 de Lepelstraatschool op. In 1941 kwamen in het gebouw een Joodse HBS en een deel van het Joods Lyceum. Najaar 1943 trok een dependance van het Amstellyceum erin en vervolgens de Ambachtsschool Patrimonium. Met de komst van de Weesperstraat ging het gebouw in december 1963 tegen de vlakte. Een kinderspeelplaats herinnert nog aan de plek waar het schoolgebouw heeft gestaan.

Oktobernummer 2021