“Ja, ’k zou haast zeggen, dat ik, vanuit de wieg, het leven zingende ben doorgegaan”, zegt de jonge koordirigent Sam Englander in 1926 in een interview met Maurits Hamburg van het Joodse tijdschrift Vrijdagavond. Hij maakt snel carrière. In de Grote Synagoge verzorgt hij met het koor de sjoeldiensten, treedt hij op bij choepa’s (huwelijken) en bij bijzondere gebeurtenissen als het bezoek van koningin Wilhelmina in 1924, en geeft hij concerten met religieuze muziek. “Rustig van leiding, klein en strak-precies van armbeweging, kort en bondig z’n bevelen gebarend en z’n wil in de ijle lucht boetserend, weet hij het stemmenmateriaal te buigen en te kneden...”, schrijft Hamburg. Het Koor der Grote Synagoge staat bekend als ‘het koor van Englander’.

Samuel Henri (Sam) Englander wordt op 26 september 1896 geboren in de Plantage Franschelaan (nummer 7), nu de Henri Polaklaan; hij is het tiende kind van Nathan Englander en Lea Englander-Rimini. De Englanders zijn een echte Amsterdamse familie, die teruggaat tot de 17de eeuw. Vader Nathan overlijdt in 1913 en moeder Lea blijft achter met acht kinderen – drie zijn op jonge leeftijd overleden. Allemaal wonen ze nog thuis. De oudste kinderen werken en dragen bij aan het gezinsinkomen. Drie zijn diamantslijper, net als hun vader, hun grootvaders en diverse ooms, neven en nichten. Ook Sam gaat in 1913 in de leer, bij Mozes Wolf Goudeket. Maar hij heeft een passie die zijn leven een andere wending geeft: de koormuziek.

Al vanaf zijn 14de zingt hij met zijn jongere broer Louis in het koor van de Rapenburgerstraat Synagoge, begeleid door Victor Schlesinger, de gazan (voorzanger), en valt op door zijn heldere sopraanstem. Sam volgt lessen bij de populaire koordirigent en componist Israël Oltman, krijgt zang- en spreektechniek van de alt Bertha van Ancum en pianoles van Isidor Bos. Dirigeren leert hij van dirigent en componist Frederik Roeske. Op z’n zestiende wordt hij tweede dirigent van het Koor van de Grote Synagoge, vier jaar later eerste dirigent. Hij blijft het koor leiden tot in de oorlogsjaren.

Over-IJers

Sam Englander is niet de enige in het gezin die met muziek bezig is. Zijn oudere broer Meijer zingt Franse liederen onder de naam Max Breval en geniet enige bekendheid als “den muzikalen Scharensliep”. Tussen 1914 en 1922 is hij zanger bij diverse operagezelschappen. Maar anders dan broer Sam vindt hij in de muziek niet zijn broodwinning.

Sam Englander zal in zijn carrière vele koren leiden. Als hij in maart 1921 trouwt met Judith Biet (1899-1943) staat in de huwelijksakte nog wel vermeld dat hij werkt als diamantslijper, maar feitelijk is hij inmiddels bijna fulltime koordirigent. Met het synagogekoor treedt hij in radio-uitzendingen en concerten onder de wereldlijke naam Amsterdamsch Joodsch Koor ook buiten de synagoge op. Als vertolker van het Jiddische volkslied verricht het koor pioniersarbeid, in het bijzonder door het maken van plaatopnamen. In juni 1928 neemt het gezelschap deel aan een muziekconcours vanThe Jewish Chroniclein Londen en wint de eerste prijs. Drie van zijn andere koren brengen daags erna een aubade aan hem bij zijn huis in de Kazernestraat. Eén daarvan is het ‘rode’ koor Kunst en Strijd uit Noord.

De Arbeiderszangvereniging Kunst en Strijd is in 1921 opgericht. Een paar weken na Englanders benoeming tot dirigent treedt het gemengde zangkoor in april 1922 voor het eerst op, nog geen maand later volgt de 1-mei-viering.Het Volkschrijft: “Dit tweede Amsterdamsche Roode koor dat uit Over-IJers bestaat, mag er zijn en de daverende ovatie die de zangers en zangeressen ten deel viel, was ten volle verdiend.” Die ‘Over-IJers’ zijn in hoofdzaak arbeiders in de scheepsbouw en de textielfabriek Hollandia-Kattenburg aan de Valkenweg. (Het andere Amsterdamse socialistische koor is De Stem des Volks.)

Feest

Kunst en Strijd treedt veel op bij bijeenkomsten van de SDAP en de vakbonden. Geleidelijk wordt het repertoire gevarieerder, ook liefdesliederen en klassieke liederen komen op het programma. De recensent van Het Volk, Paul Sanders, vraagt zich in 1926 zelfs af of de koorleden soms ‘polyglottisch’ zijn: er worden Franse, Latijnse en zelfs Russische teksten gezongen. Het Wolgaliedvindt hij prachtig, maar of de uitspraak correct is, durft hij niet te zeggen.

Englander is nog geen dertig jaar oud als hij datzelfde jaar al zijn 12,5-jarig jubileum kan vieren, met een concert in de Grote Zaal van het Concertgebouw en een feest in het gebouw van de Handwerkers Vriendenkring aan de Nieuwe Achtergracht. Bijna al zijn koren zijn erbij: ook Onderling Genoegen en Animato uit Amsterdam en Kunst en Strijd Bussum. De jubilaris wordt bij binnenkomst met fanfares begroet.

Kunst en Strijd waagt zich ook aan opera’s. Een van de eerste is Orfeo ed Euridicivan Christoph von Gluck in het gebouw van de Maatschappij voor den Werkenden Stand met het orkest van de VARA. De recensies zijn lovend, maar het Nieuw Israelietisch Weekblad(NIW) is zuinig: “De toehoorders hebben braaf geapplaudisseerd en genoten blijkbaar veel van deze uitvoering.” Het blad benadrukt nog maar eens dat Englander natuurlijk vooral bekend is als leider van het Koor der Grote Synagoge en dat het verschil tussen de traditionele en liturgische Joodse muziek en het socialistische en profane lied groot is.

Het zit de conservatieve Joodse gemeente niet lekker dat Englander zowel het ene als het andere doet. De kerkenraad van de Nederlands Israëlietische Hoofdsynagoge (NIHS) heeft er moeite mee als het eigen koor buiten de synagoge optreedt onder de eigen naam. Daarom zijn de uitvoeringen elders onder de naam Amsterdamsch Joodsch Koor.

Hindernis

Englander worstelt ermee. Voorafgaand aan zijn 12,5-jarig jubileumconcert zegt hij dat het mannenkoor in de synagoge “op zichzelf al een onvolledigheid is”. Bij het omwerken van composities voor gemengd koor naar mannenkoor gaat muziek verloren en ook de bemoeienis van het Rabbinaat is een hindernis. “De mooiste composities worden vaak zoo gesnoeid, dat ’t stronkje, dat overblijft, doodgaat.” Een minder strenge censuur is gewenst, zegt hij.

Het NIW tikt hem op de vingers. Englander is kennelijk vergeten “... dat een Synagoge geen concertzaal is en een Synagogedienst niet in de eerste plaats een kerkelijk muziekfeest, dat gearrangeerd wordt om componisten en muzikale executanten te laten schitteren”. Sterker nog: “Wij hebben wel eens de meening hooren verkondigen, dat het rabbinaat tegenover den muzikalen drang van onze corypheeën wat al te tolerant is.”

Zijn carrière buiten de synagoge gaat onverminderd voorspoedig. De kranten roemen Englanders kwaliteiten als “markante figuur in de Amsterdamse muziekwereld”, die erin slaagt “de zang der koren uit de gewone volksklasse te veredelen” en “als herscheppend kunstenaar, de vocale volkskunst en de Nederlands-Joodsche cultuur aan zich heeft verplicht”.

In de crisisjaren is de dirigent actief voor het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen, dat Joodse vluchtelingen uit Duitsland opvangt. Met Kunst en Strijd, in het bijzonder met directeur Anton Kuil, is de relatie hecht. Kuil noemt hem een voortreffelijk dirigent en daarbij “een warmvoelend mens die het de normaalste zaak van de wereld achtte, met de gebruikelijke bak fruit, zieke koorleden op te zoeken”, weten we uit een typoscript van Louis Nieweg, de enige van het synagogekoor die de Tweede Wereldoorlog zal overleven.

Ovatie

Koorzingen blijft in die vooroorlogse jaren populair als altijd; meedoen aan wedstrijden is een belangrijk deel van het plezier. In 1939 neemt Englander er nóg een Joods koor bij, de mannenzangvereniging Harpe Davids. De Joodse zangkunst is “een onmisbaar ornament” van de Joodse cultuur, schrijft hij aan zijn oud-leraar Victor Schlesinger. “Alleen een Joodse dirigent kan de Joodse ziel en het Joodse gemoed van zijn zangers peilen.” En er is een nog groter belang: “In deze dagen, waarin het Joodsche volk overal vertrapt en verneederd wordt, moeten wij onze vitaliteit dubbel demonstreeren, moet de wereld nog meer en nog sterker gewaar worden dat wij, dood, laster en venijn ten spijt, zijn en blijven een levend en levenwekkend element in het bestel der algemeene cultuur en beschaving.”

Harpe Davids weet voor het eerst een koorwedstrijd te winnen, en verslaat daarbij het ‘gojse’ koor Harmonie – dat ook onder leiding van Englander staat… De “jidden” zijn gek van vreugde, noteert hij. “Ze gaan voor me door ’t vuur. Ze zeggen we hebben gezongen als goiem– en nu leeren we pas een beetje zingen.”

Kort voor de Duitse inval voert Englander met Kunst en StrijdAvodath Hakodesh(‘Heilige Dienst’) uit van Ernest Bloch (1880-1959), een ‘rapsodie’ op de Joodse liturgie, vol met Joodse muzikale thema’s en gezongen in het Hebreeuws. Het Volknoemt het optreden vooraf “een belangrijke kunstdaad”. “Het is te hopen dat dit ondernemende koor voor zijn moedig initiatief beloond wordt met een stampvolle zaal.”

Omdat het stuk door niet-Joodse mannen en vrouwen wordt gezongen, moet hij toestemming vragen aan de Opperrabbijn. Die krijgt hij, maar hij moet wel op zoek naar nieuwe zangers: veel mannelijke koorleden zijn gemobiliseerd. De respons is overweldigend. Daags na het concert roemt het katholieke dagblad De Tijdde dirigent: “Englander’s ontplooiing dezer klankvisioenen maakte een overschoonen indruk.” Het publiek uitte zich in “hartelijkste toejuichingen”, die “oplaaiden tot een geweldige ovatie”.

Sobibor

Een herhaling zit er niet in. Enkele maanden na het allerlaatste concert van Kunst en Strijd in maart 1941 mogen Joden niet langer lid zijn van een niet-Joodse vereniging. Pogingen van het bestuur om Sam Englander en zijn gezin onder te brengen in een interneringskamp voor ‘Joden met bijzondere verdiensten’ in Barneveld lopen op niets uit. Op 11 juni 1943 wordt het hele gezin in Sobibor vermoord.

FRITS SLICHT IS OUD-LERAAR GESCHIEDENIS.

Meinummer 2020