Er was een tijd dat wielrenners iedere week wel ergens in Amsterdam het verkeer platlegden. De eerste tien jaar na de Tweede Wereldoorlog had – letterlijk – bijna iedere Amsterdamse buurt zijn eigen wielerronde. Er waren de rondes van de Indische Buurt, het Vondelpark, de Albert Cuijpstraat, de Staatsliedenbuurt, de Vismarkt, de Orteliusstraat, alsook de Kruideniersrace in de Westerstraat, het Havencriterium, en ga zo maar door.
Demarrages op de Elandsgracht, valpartijen in de Lutmastraat en duizenden mensen langs de kant – het is nauwelijks nog voor te stellen. De nu 80-jarige ex-renner Jean Mehagnoul herinnert het zich nog goed. “Je reed de Ronde van de Lindengracht en het was net alsof je in een groot circus verzeild was geraakt. Van de Lijnbaansgracht tot aan de Brouwersgracht zag het helemaal zwart van de mensen. Overal geschreeuw, gejuich, aanmoedigingen. En daar stond je dan als populaire jongen van de Bickersstraat. De stoepen stonden vol met mensen, de kooplui van de Lindengrachtmarkt stonden mannetje aan mannetje, met de buik ingehouden. Zoiets maak je nu niet meer mee.”
Wielerkenner Bertus Raats schreef er het zesdelige Amsterdams wegwielrennen over, een ode aan de Amsterdamse buurtwielrennerij. Met veel gevoel weet hij de sfeer van de straatraces op te roepen: het geschetter van de wedstrijdomroeper, de alomtegenwoordige geur van massageolie. “Soms wel tienduizenden mensen kwamen op de wedstrijden af”, zegt Raats nu. “De hele buurt hing over de balkonnetjes, ze puilden uit. Er was ook verder niets in die tijd, alleen maar radio. Je kon wel naar Ajax tegen Blauw-Wit, maar dat was duur. Hier werd de sport bij je voor de deur gebracht.”
Nergens waren zoveel wielerwedstrijden als in Amsterdam. Raats: “In andere Nederlandse steden had je dat niet. In Den Haag was toentertijd één ronde, in Rotterdam misschien een paar. Renners kwamen helemaal uit Friesland en Limburg naar Amsterdam om prijs te rijden. En alle wedstrijden waren top. Iedere wedstrijd kon je bij wijze van spreken weer wereldkampioen in eigen stad worden. Als je zo’n wedstrijd won, hoorde je bij de vaderlandse top.”

Beslijkte plunje

De 71-jarige Raats, naar eigen zeggen nog van de generatie die “met een fietsband om de nek” zijn wedstrijden reed, groeide op in de bloeiperiode van het Amsterdamse buurtwielrennen: van ruwweg 1947 tot 1956. Als elfjarige stuitte hij per toeval op zijn eerste straatrace, de toen beroemde Ronde van de Indische Buurt. “Ik hoorde muziek buiten en ging kijken wat er aan de hand was. Er bleek een wielerwedstrijd gaande. Ik kende niemand, ik wist zelfs niet eens wat een peloton was. Ik hoorde namen als Henk Faanhof en Hein van Breenen omgeroepen worden, maar pas een paar jaar later besefte ik wie dat waren toen ze naar de Tour de France gingen. Maar vanaf dat eerste moment was ik besmet. Die wielermicrobe is nooit meer weggegaan.”
De eerste Amsterdamse wegrace had al in 1923 plaatsgevonden in het Vondelpark. Aan die wedstrijd deden al meteen de Belgische Tourwinnaar Firmin Lambot deel, en verder stonden er Duitsers, Engelsen, Italianen en Fransen aan de start. De Nederlanders, ons land was toen een kleine wielernatie, speelden vooral tweede viool.
Een onverdeeld succes was die eerste wedstrijd niet. “Tot overmaat van ramp was de wedstrijd een soort water- en later modderballet”, schreef organisator George Hogenkamp. “De te lichte banden sneden in het schelpgruis en gaven bij tientallen de geest. De beste man van het veld, Juul van Hevel, die bijna een ronde uitliep, moest door kettingbreuk opgeven. De wedstrijd werd steeds minder overzichtelijk, doordat de renners en hun nummers, onherkenbaar door de modder, niet meer goed te volgen waren.” De Belgische vedette Omar Huysse werd tot winnaar uitgeroepen, aldus Hogenkamp. “Helaas moet ik ook gewag maken van het feit dat de aankomst der renners, in hun beslijkte plunje, door het opdringerige publiek zeer moeilijk was vast te stellen en dat volgens Omar Huysse zelf, niet hij, maar Lucien Buysse de wedstrijd had gewonnen.”
In de jaren erna waren er nauwelijks wielerwedstrijden in Amsterdam. Er gold zelfs lange tijd een wedstrijdverbod. De overheid was de wielersport niet gunstig gezind. “Als je als renner in de jaren twintig trainde, dan stak een koddebeier een stok tussen je spaken”, zegt Raats. “Wielrennen gold als gevaarlijk, niet alleen voor mensen, maar ook voor paarden, die op hol konden slaan. Wielrenners werden gezien als barbaren die als snelheidsduivels over de weg gingen. Pas in de jaren dertig veranderde dat beeld.”

Zonen van kleine middenstanders

Eind jaren dertig waren er sprintwedstrijden in de Westerstraat, met als startplaats de Noordermarkt. De straat werd in vier stroken verdeeld, met in iedere baan een renner. “Liefst 40.000 toeschouwers” berichtte Het Nieuws van den Dag op woensdag 7 september 1938 over een van die sprintwedstrijden. Het waren de beginjaren van de Amsterdamse renner Gerrit Schulte, een van Nederlands eerste internationale wielergrootheden.
De Tweede Wereldoorlog betekende voor veel coureurs het voorlopig einde van hun carrière. De Duitse bezetter en de materiaalschaarste maakten het koersen in Amsterdam vrijwel onmogelijk. Desondanks werden er tot 1944 hier en daar nog wedstrijden gereden: in 1940 bijvoorbeeld de Hartjesdagronde in de Dapperbuurt, in 1941 de Ronde van Frankendael in de Watergraafsmeer en in 1943 de Ronde van het Mosveld in Noord.
Ook na de oorlog bleef de materiaalschaarste groot. Voor fietsbanden moesten renners een aanvraag indienen. Lang niet iedereen kon zich een echte racefiets veroorloven. Raats: “Wij hadden thuis geen nagel om onze rug te krabben. Ik heb een jaar of twee, drie moeten sparen voor een racefiets.”
In de jaren twintig en dertig was wielrennen nog vooral een elitesport, vertelt Raats. “Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat door de populariteit van de straatwedstrijden. De jongens die eind jaren veertig meereden kwamen uit het gewone volk, hoewel het ook niet de allerarmsten waren. Het waren vaak zonen van kleine middenstanders – groenteboeren, slagers, cafébazen – mensen die toch genoeg geld hadden om aan een racefiets te komen.”
De prijzen liepen uiteen van rookworsten, gebruikte scheerapparaten of strijkijzers tot fietsmateriaal. “De eerste prijs was meestal een raceframe”, zegt Jean Mehagnoul, “de tweede prijs een stel wielen en zo liep het af naar beneden. Later kreeg je wel geld en was je eigenlijk een verkapte prof, maar dat mocht niemand weten, anders mocht je niet meedoen aan de Olympische Spelen.” Mehagnoul zat twee keer in de Olympische selectie, maar deed uiteindelijk nooit mee aan de Spelen. “Ik had een te grote mond”, zegt hij nu.

Omkleden bij toeschouwers thuis

De meeste renners werkten overdag. Mehagnoul zat in de meubelmakerij. “Ik werkte tot drie uur ’s middags en dan pakte ik de fiets en ging de weg op om te trainen. Ik heb nooit helemaal voor het wielrennen geleefd, je kon er ook niet van leven. Als ik in deze tijd wielrenner was geweest dan had ik misschien wel € 1,5 miljoen verdiend. Ik kon zo hard op kop rijden, dat ze schreeuwend achter me zaten.” Het was eenvoud troef in het buurtwielrennen. Omkleden deden de renners gewoon bij de toeschouwers thuis. “Je vroeg mensen langs het parcours of je je even bij hen kon omkleden”, zegt Mehagnoul. “Soms was er een kleedlokaaltje van een sportvereniging, maar meestal niet.”
De boeken van Raats staan bol van de galgenhumor en wielerromantiek. Zoals zijn verhaal over omroeper en wielerverslaggever Toon van Lachterop. Van Lachterop deed verslag van de straatraces voor Radio Stad, dat de wedstrijden altijd pas rond zeven uur ’s avonds uitzond, een dik uur na de race. Maar Van Lachterop gaf doodleuk vanuit het toilet in het plaatselijke café een meeslepend verslag ten beste van de finish. En de winnaar speelde voor de microfoon het spel mee, nahijgend en al.
Het Nederlandse wielrennen beleefde begin jaren vijftig ook internationaal zijn eerste bloeiperiode. Renners als Wim van Est en de Amsterdammers Henk Faanhof, Hein van Breenen en Daan de Groot boekten successen in de Tour de France. Mede als hommage aan de Nederlandse successen ging de Tour de France in 1954 zelfs in Amsterdam van start. Het was de eerste keer dat de Tour buiten Frankrijk begon.
Alle buurtwielrenners droomden van een grote carrière in de Tour of op de baan, maar slechts een enkeling schopte het zover. “Gerrit Schulte en later Peter Post waren twee van de weinigen die met de ervaring van het straatracen groot werden. De Amsterdamse straatrenners fietsten vaak kort: ze begonnen op hun zevende de met wedstrijden en op hun 21ste kwam huisje, boompje, beestje. Velen stopten ermee na het trouwen.”

Gemeente grijpt in

Uiteindelijk ging de Amsterdamse buurtwielrennerij aan haar eigen populariteit ten gronde. De gemeente vond de vele wedstrijden niet meer verantwoord. De straatronden werden per 1 januari 1956 aan banden gelegd. “Het College van B&W gaat van het standpunt uit dat het niet langer geoorloofd is de openbare weg enige uren voor het verkeer uit te sluiten en de voetgangers/toeschouwers tegen betaling van entree toegang tot het afgesloten parcours te verlenen”, stond in de Amsterdamse kranten. De straatraces waren voorbij. Zonder entreegeld was het onmogelijk voor de organisatoren om uit de kosten te komen. De collectebus leverde te weinig op.
Raats had de pech dat hij pas begon met wielrennen toen de hoogtijdagen van de buurtronden al bijna voorbij waren. “Ik heb in 1955 de laatste maand van het seizoen nog meegemaakt. Daarna had je nog wel de rondes van het Florapark en het Vondelpark, maar met de vele wedstrijden was het gedaan. Begin jaren vijftig waren er tussen mei en september 20 tot 25 wedstrijden in Amsterdam, nu hooguit nog een handvol per jaar.”
Het Amsterdamse wegwielrennen verplaatste zich naar de polders rond Purmerend en Ilpendam. Af en toe duiken er weer oude wedstrijden op, zoals de Ronde van het Vondelpark of de Ronde van de Elandsgracht, om na een of twee edities te verdwijnen. Anno 2010 is er nog maar één echte straatrace in Amsterdam: de Ronde van het Purmerplein in Noord, die iedere Hemelvaartsdag wordt gehouden. “Maar dan staan er geen duizenden mensen langs de kant”, zegt Raats. “Hooguit een paar honderd.”
Achteraf gezien is de gouden tijd van de buurtwielrennerij heel kort geweest, zegt Raats. “Maar die periode dreunt nog altijd na onder oude Amsterdammers. Ik hoor het nog vaak: ‘Weet je nog wel, de Ronde van de Ortelius, de Ronde van de Vismarkt, wat wás dat mooi.’”