Roel Walraven woont op het WG-terrein. Een mooie lichte woning. Zijn vrouw voorziet het gesprek geregeld van snedig commentaar. “Ik zag meteen dat je geen colatype bent”, zegt ze als ik kies voor sap.

Onlangs was Walraven op de begrafenis van de vroegere CPN-parlementariër Marcus Bakker. “Ik heb Marcus goed gekend, zat 30 jaar met hem in besturen.” Ook Paul de Groot (1899-1986), bestuurslid sinds 1938 en vanaf 1962 bijna almachtig als partijvoorzitter, kende hij goed. “In 1966 maakten we bij hem thuis samen een verkiezingskrant, De Rode Amsterdammer. Ik bewonderde De Groot; die man stak met kop en schouders boven de anderen uit. Hij had scherp politiek inzicht, sprak zijn talen, luisterde. Of ik moeite had met de partijdiscipline? Nee. Maar ik zat grotendeels bij de leiding, en dan functioneer je anders dan een gewoon lid.”

Hij werd in 1930 geboren in de Indische buurt. “In die tijd een echte arbeidersbuurt. Ik groeide op in een communistisch gezin, mijn vader en moeder waren betrokken bij de Spaanse Burgeroorlog. Mijn moeder maakte kleertjes voor Spaanse kinderen en ik zamelde geld in. De mensen in die buurt waren strijdbaar.”

Zijn vader was koperslager bij de machinefabriek Werkspoor. Daar werkten 4000 mensen 48 uur per week. Het was crisis. “Mijn vader werd ontslagen en kon op dezelfde dag weer in hetzelfde werk beginnen, maar voor minder loon.”

Zijn ouders kwamen van Kattenburg en Oostenburg. Zijn vader kwam uit een gezin van tien. Bijna de hele familie was in dienst bij Werkspoor, ook zijn opa. Walraven: “Ik ben de enige die er niet terechtkwam. Na de ambachtschool ging ik op mijn 15de werken bij een metaalbedrijf. Ik was machinebankwerker, deed al het metaalwerk: veilen, hakken, machines in elkaar zetten.”
Ze waren in de oorlog actief in het verzet. “Mijn vader heeft in de oorlog geleerd te schieten. Mijn moeder verspreidde De Waarheid.” Op zaterdagmiddag werd er door een groep mannen bij hen thuis vergaderd. “Ik wist niet wat ze bespraken. Tot we op een keer op zo’n zaterdagmiddag huiszoeking kregen. Politie. Twee Duitsers en twee Nederlanders. Die hebben lang bij ons zitten wachten, maar toevallig was er die middag geen vergadering. Angstig, want je wist wat er kon gebeuren.”

Stalin de bevrijder

Na de oorlog had hij een sterke politieke interesse. Hij was vijftien toen hij lid werd van het Algemeen Nederlands Jeugdverbond (ANJV), de jongerenorganisatie van de CPN. “Ik kwam al snel in het bestuur en rolde zo van het ene in het andere bestuur. Dat is heel gek.”
De CPN had toen twee wethouders. “Die zijn er in 1948 uitgewipt, toen de Koude Oorlog begon. De CPN was tegen de Amerikanen en de PvdA tegen de Russen. We gaven flink op elkaar af.” Bovendien was er de concurrentie tussen de grote PvdA en de grote CPN. “Die machtsstrijd zat in de Koude Oorlog verweven.”

Hoe ziet hij achteraf de Sovjetunie en de meedogenloze Stalin? “Je moet dat in historisch perspectief zien. De Sovjetunie was het eerste land waar arbeiders en boeren aan de macht kwamen. Het werd voortdurend in zijn bestaan bedreigd. Toen begon de Tweede Wereldoorlog, en dat was een maatstaf voor hoe je de Sovjetunie beoordeelde. Dat gold ook voor Stalin, want hij was de verpersoonlijking van de Sovjetunie. Hij was bovendien de opperbevelhebber – de ‘generalissimo’ – van het leger.”

“Het Sovjetleger sloeg bij Stalingrad als eerste de Duitsers terug. De bewondering voor de Sovjetunie en voor Stalin was groot. Je kan lang praten over de fouten van Stalin, die waren er, maar voor ons was hij het symbool van de bevrijding. Dat gold niet alleen voor communisten. Velen volgden op een landkaart hoe de Russen optrokken naar Berlijn.”

Als partijbestuurder ging hij geregeld naar Moskou. Hij was er op historische momenten. In juli 1953 voor het eerst, met een jeugddelegatie van het ANJV. De stad was zwaar beschadigd door de oorlog. Op 5 maart was Stalin overleden en hij kwam toen in het mausoleum naast Lenin te liggen. Walraven: “Je zag z’n gezicht en z’n jasje. Ik was in 1956 op een receptie met Chroestjov, ik geloof dat ik hem nog een hand gegeven heb ook.” In 1978 bezocht hij Moskou vanwege de actie tegen de neutronenbom en in de jaren tachtig drie keer voor de promotie van Amsterdam in de campagne om de Olympisch Spelen in 1992 voor de stad te binnen te halen.

Ineens op zes

In 1966 kwam Walraven in de gemeenteraad. Tot zijn stomme verbazing. Als voorzitter van de jeugdbeweging was hij lijstduwer. “Ik was dat een paar keer; je tekent een formulier, en dat is het. Op een avond komt de krant - De Waarheid - en toen stond ik op nummer zes. Ik zei: ‘Verrek! Dan kom ik in de gemeenteraad.’ Ik had helemaal niet de ambitie, maar als de partij vond dat het nodig was, dan deed je het.”

“In het begin zat ik in de raad als een kat in een vreemd pakhuis. Dus ik vroeg aan de fractievoorzitter: ‘Wat moet ik eigenlijk doen?’ ‘Luisteren! En niks zeggen!’ Dat was zo bij alle fracties; je moest niet haantje de voorste spelen.” Gijs van Hall was burgemeester. Volgens Walraven was hij een steile, wat autoritaire man. Het college was ouderwets en formeel, het grootste deel zat in streepjesbroek. Tegelijk met hem kwamen in 1966 ook de frivole provo’s in de raad. “Met de provo’s hadden wij niet veel op. Ook wij waren een vrij steile beweging.”

De herdenking van de Februaristaking was destijds een belangrijke kwestie in de Amsterdam politiek. Er was een langlopend conflict tussen de CPN en het stadsbestuur over de vraag wie er achter de staking zat. Walraven: “De kwestie was of de staking spontaan ontstond of georganiseerd was. Dat was de kern. Wij communisten weten hoe het gegaan is. De CPN haalde op de Noordermarkt haar kaders bij elkaar. Onder andere Dirk van Nimwegen sprak daar de mensen toe. De partij heeft toen de kaders in de bedrijven laten oproepen om te staken. Die staking is georganiseerd door de illegale CPN.”

Eerdere stakingsplannen vormden de grondslag. “Op basis daarvan is besloten te protesteren tegen de jodenvervolging, na de eerste razzia.” Toen kwam het cruciale moment of de oproep zou worden opgevolgd. “Dat kon de CPN-leiding niet voorzien, maar het werd in Amsterdam een algemene staking. Velen staakten alleen uit verontwaardiging. Maar de stoot kwam van de communisten.”

Auto met chauffeur

Het was een gigantische gebeurtenis. Doorslaggevend was dat de trams niet reden. Iedereen wist daardoor dat er iets aan de hand was. De bedrijven liepen leeg. “Je had toen bedrijven van duizenden mensen. En die gingen met honderden naar andere bedrijven om op te roepen tot de staking, zo kreeg je grote optochten. Mensen protesteerden.”

Jarenlang hield het stadsbestuur ’s ochtends een herdenking en de communisten ’s avonds. “In 1968 hebben Harry Verheij van de CPN en Ed van Thijn van de PvdA de gezamenlijke herdenking hersteld. Ik ben daarvoor. Het punt is dat geschiedschrijving niet objectief is. In veel geschiedenisboeken wordt met de waarheid geschoven. Ik ben zelf uiteindelijk ook niet objectief.”

De bij die razzia opgepakte joden zijn allemaal vermoord. Was de staking dus nutteloos? Walraven: “Dat is nou de vraag. De Februaristaking heeft de jodenvervolging niet kunnen tegenhouden. Dat is gewoon een feit. Maar mensen zagen voor het eerst dat je iets kon doen. Dat je niet weerloos hoefde te staan. Dat je niet alleen was. Je was met velen. Dat gaf een stoot tot het verzet.”

In 1982 werd hij van raadslid wethouder. Hij is er bescheiden over. “Daar moet je niet teveel tegenaan kijken. Het is hard werken, zwoegen. Heel nuttig werk. Maar ik dacht nooit: zie mij eens zitten. Als je uitgenodigd werd bij bijeenkomsten vonden mensen het leuk als je met de ambtsketting kwam en in een auto met chauffeur. Dat is vreemd. Mensen hechten meer aan autoriteit dan ik er zelf ooit aan hechtte.”

Hij vond het mooi dat hij wethouder personeelszaken werd. Kort daarvoor was er nog een ambtenarenverbod voor communisten. “Dat vond ik in zekere zin wel een triomf: nu was een communist de wethouder personeelszaken, die 30.000 ambtenaren bestuurde.” Het zette zich onder andere met de nota Adam en Eva in voor gemeentelijk voorkeursbeleid voor vrouwen en immigranten. Daarnaast had hij sport in zijn portefeuille.

Het belangrijkste wapenfeit voor hem was de rehabilitatie van de gemeentelijke stakers van 1955. In 1955 was er een grote staking bij het overheidspersoneel om de sociale voorzieningen te verbeteren. “Het gemeentebestuur besloot alle stakers te straffen. Mensen werden in rang teruggezet en anderen werden enkele dagen gestraft. De ongeveer 60 gangmakers werden ontslagen. De kop van de staking werd er afgeslagen.”

Eerherstel stakers

Toen hij wethouder werd, ging de directeur van de afdeling Personeelszaken weg. “Bij zijn afscheidspraatje zei hij: ‘Walraven, als je één ding goed wil doen, dan moet je nog eens kijken naar die stakers uit 1955. Dat is de zwartste dag uit de geschiedenis van de afdeling Personeelszaken. Wij moesten toen in één nacht de brieven naar die mensen klaarmaken en versturen. Dat heeft veel ellende veroorzaakt.’”

Later verscheen een kleurenbijlage van Vrij Nederland waarin ontslagen mensen aan het woord werden gelaten. De gevolgen voor hen en hun gezinnen waren schrikbarend. “Ik liet het aan Jan Schaefer lezen, die naast me zat. ‘Godverdomme’ zei hij, ‘dat kan toch niet.’ Toen hebben we samen besloten dat daar wat aan moest gebeuren en het in B&W gebracht. Toen konden we het voor die mensen oplossen.”

“De rehabilitatie was sowieso belangrijk. Eerherstel. Ze vonden dat ze opkwamen voor een rechtvaardige zaak en tóch ontslagen waren. Ook regelden we een vergoeding voor gederfde inkomsten en kregen ze pensioenrechten. Ik zie nog wel eens een van de stakersvrouwen. Die zegt dan: ‘Ik ben nog van je op vakantie geweest!’”

Roel Walraven heeft de bloei en ondergang van het Amsterdamse communisme meegemaakt. Met de val van de muur in 1989 was ook het lot van de CPN bezegeld. De partij ging op in GroenLinks. Hij mist de grote ideologieën in de huidige politiek. “Het ergert me dat ze alles berekenen; het gaat om geld en niet om ideeën. Een politicus moet een idee hebben over de stad. Er is geen visie op de maatschappij.”

“Ik ben een communist zonder partij. Een socialistische maatschappij op de oude manier kan niet meer, maar in een nieuwe vorm kan het mogelijk zijn. Nodig blijft nationalisatie van banken, verzekeringen, gezondheidszorg en nutsbedrijven. Dat bewijst de crisis. De kern van de economie moet in handen zijn van de staat. Dan kan de rest zich vrij ontwikkelen.”

Beeld: Roel Walraven (rechts) in zijn huis aan de Tweede Helmersstraat. Stadsarchief Amsterdam / Frans Busselmans

Serge Markx
Juni 2010