Onlangs scheerde Magere Hein langs bij Rika Jansen, maar de zangeres van het Amsterdamse levenslied gaf niet thuis. Ze wilde de negentig nog halen en dat is jongstleden oktober gelukt. Onvervalst en ontwapenend noemde Telegraafjournalist Henk van der Meyden haar ooit. En bovendien behept met een fingerspitzengefühl voor wat het publiek wil.
Die fijngevoeligheid ontwikkelde ze naar eigen zeggen achter de viskraam van haar vader op de Lindengracht, waar ze als jong meisje al flink moest meewerken. “Daar leer je de mensen kennen, dan weet je precies: die kijkt alleen maar en koopt helemaal niets, en die kan ik wel wat verkopen.” Met een moeder die graag zong en een oudere zuster die als zangeres succes boekte onder de naam Maria Zamora, bedacht Rika al jong dat ze ook artieste wilde worden.
De oorlog, die zo zei ze, haar jeugd afpakte, gooide roet in het eten. Haar moeder was weggevoerd naar Duitsland en haar vader zat ondergedoken. Op straat maakte ze dingen mee die ze nooit meer zou vergeten, zoals die keer op het Centraal Station waar ze een groep uit huis gehaalde (Joodse) kinderen zag. “Er werden emmers water op de grond gegooid en ze likten het water op, zo’n dorst hadden ze.” Daarom spoorde ze zo’n twintig jaar later haar toenmalige partner Kees Manders aan een lied voor haar te schrijven over de verdwijnende Jodenbuurt. Dat werd Amsterdam huilt.

Zwarte Riek

Met haar ravenzwarte haar en kittige figuurtje was Rika een aantrekkelijke verschijning. Ze liet zich de aandacht van het andere geslacht goed smaken. In 1944 raakte ze zwanger van een man die gehuwd bleek. Haar goede vriend Otto nam de honneurs waar en trouwde met haar – het was inmiddels haar tweede huwelijk. In januari 1945 werd Riekie geboren. Maar bij Rika kriebelde het. Toen de oorlog was afgelopen wilde ze terug naar haar moeder – verloren jaren inhalen.
Ze greep haar kans toen ze kon gaan zingen in een Haarlems café. De kop was eraf. Samen met een tante draaide ze later een acrobatennummer in elkaar, Rika was de ‘parterre acrobate’, dat wil zeggen degene die op vloer lag (of stond). Ze deed het met plezier en in decente kleding. “Want van bloot heb ik nooit gehouden”, zo noteerde Het Vrije Volk. In 1952 auditeerde het duo voor de revue Mijn hart kreunt voor jou die in Carré opgevoerd zou worden. Producent Kees Manders (broer van Tom alias Dorus) zag wel wat in die ambitieuze jonge vrouw.
Ze werden verliefd en hij nam haar (zang)carrière ter hand. “Kees deed alles voor me”, zei Rika tegen De Telegraaf. “Ik vond dat in het begin prachtig, want wie was ik? Wat kon ik?” Midden jaren vijftig, toen het Jordanese repertoire goed scoorde, lanceerde Kees Manders zijn Rika met veel tamtam als Zwarte Riek. Gestoken in rode baaien rok en wit jakje zong ze ’k Heb rooie en witte radijs. In 1956 brak ze definitief door met Me wiegie was een stijfselkissie. Manders liet haar in een vierspan door de Jordaan rijden, waar ze als ‘prinses van de Jordaan’ werd onthaald. “Niemand, zelfs niet Johnny Jordaan of tante Leen kan aan de roem van zwarte Riek tippen”, schreven sommige kranten.

Het Uiltje

Met de opbrengst van Rika’s platen kocht Manders nachtclub Het Uiltje aan het Thorbeckeplein (nummer 5), waar Rika haar levensliederen ten gehore bracht. Maar ze begon genoeg te krijgen van Zwarte Riek. De naam noodde tot een zekere familiariteit van de (mannelijke) bezoekers en de populariteit van het Jordanese genre was tanende. Met tranen in de ogen zette ze de schaar in haar lange zwarte haren en Zwarte Riek verdween van het toneel. Maar achter de schermen werkten Rika en Kees keihard aan een ‘nieuwe’ Rika Jansen.
Begin juni 1960 was het zover. Manders verbouwde Het Uiltje naar Frans voorbeeld en doopte het om tot Moulin Rouge. Hier presenteerde hij Rika als vedette, een “zingende, dansende en conférence-houdende vrouw rondom wie een show is opgebouwd, compleet met dansmeisjes en zangnummers” (Stan Huygens in De Telegraaf). Een nieuwigheid in Nederland. Rika speelde graag typetjes en daarvan bracht ze er in de wervelende Chi Chi Chi-show dertien ten tonele: van een eenvoudig boerinnetje tot Catharina de Grote. Alles in kostbare, zelfgemaakte kostuums. Het publiek applaudisseerde bij elke nieuwe act.
Ter gelegenheid van de 100ste voorstelling organiseerde Manders een galavoorstelling in de Moulin Rouge. Vele beroemdheden uit de theaterwereld gaven acte de présence, zoals de acteur Ko van Dijk. Cabaretier Wim Sonneveld danste er uitbundig een charleston en vertrouwde showbizzjournalist Henk van der Meyden toe dat hij al zes keer was wezen kijken. “Zo’n show is uniek in de wereld. Het is tenminste echt!” Conny Stuart deed ook een duit in de zak: “Er is al zo veel burgerlijkheid in ons cabaret. Daarom vind ik Riek zo heerlijk. Het is tenminste eerlijk.” Rika haalde weliswaar niet alle noten, ze zong wel recht uit het hart en daar werd ze haar carrière lang om gewaardeerd.

Spraaklessen

Niet alles was hosanna. Ze kampte met een ‘complex’. Kees Manders beschreef in Over Kees Manders hoe zij tijdens een ontvangst in het Catshuis “wijselijk haar mond hield, terwijl ze anders altijd de boventoon voerde en het middelpunt ban de belangstelling was.” Haar Amsterdamse accent zat haar dwars, ook binnen de Amsterdamse theaterwereld. Ze nam spraaklessen om ervan af te komen.
Het idee rijpte ondertussen voor een onewomanshow. Manders kocht het vervallen Rembrandttheater en herbouwde het in zijn oorspronkelijke, intieme staat met veel rood pluche. Na een jaar hard repeteren voor Tussen Plumes, Pluche en Plastic stond er een energieke Rika op de planken, “voor de Bloedraad van alles en iedereen die in Nederland verstand heeft van de kleinkunst.” Aan het slot van de premièreavond trakteerde het publiek haar op een ovatie.
Dat smaakte naar meer. Ondanks waarschuwingen dat ze zou ‘verzuipen’, werd besloten de show ook naar Carré te brengen. “Rika houdt van vechten”, zei Manders. “Zij is pas gelukkig met succes als het haar moeite gekost heeft.” Zenuwachtig was ze wel. Nu was dat niets nieuws – eenmaal op het podium verdwenen de zenuwen vanzelf, wist ze uit ervaring. “Zodra ik bezig ben voel ik me de gelukkigste vrouw van de wereld. Ik ga ook nooit het toneel op met het idee dat ik moet werken. Nee, ik denk: heerlijk jongens, daar gaan we samen een gezellige avond van maken.”
En dat was precies wat er op 28 maart 1963 in een stampvol Carré gebeurde. Op “stormachtige wijze” veroverde Rika het publiek met nummers in de stijl (en kleding) van theaterberoemdheden als Maurice Chevalier, Yvette Guilbert en Juliette Gréco. Met als klap op de vuurpijl Rika in verentooi als de Franse artieste Mistinguett, weerkaatst door twintig spiegels.

Sentimenteel

Rika had niet alleen Nederland ingepakt: uit het buitenland stroomden de aanbiedingen binnen. Ze toerde de halve wereld rond en stond tussen de bedrijven door avond aan avond in het Rembrandttheater. En toch was ze niet waar ze wezen wou. Tegen Het Vrije Volk zei ze: “Straks ga ik het nog heel anders doen. Wat heb je ’t fijn gedaan, zeggen de mensen. Ik ben ze dankbaar voor hun compliment, maar ik geloof ze niet.”
In de zomer van 1964 waren de glamourachtige pluimen en pailletten opeens verdwenen. Geen dure kostuums, groot orkest of enorme decors in haar nieuwe theaterprogramma, alleen Nederlandstalige liedjes zonder pretenties en sterallures. Ze was, vertelde ze aan De Telegraaf, eindelijk zichzelf. “Toen ik Zwarte Riek was, was ik mezelf niet. Dacht je dat ik ooit in een baaien rok in de Jordaan heb gelopen? En de Rika Jansen van vorig jaar, die was ik ook niet! Dat was allemaal te internationaal, ik wilde het allemaal te chic doen, ik wilde zo graag een wereldster worden.” Rika was weer die onvervalste Amsterdamse met het hart op de tong, die ook gewoon weer plat praatte. Ze moest alleen oppassen dat ze zich zichzelf met nummers als Amsterdam huilt in toom hield. Het nummer greep haar elke avond weer aan. “Ik ben nu eenmaal altijd sentimenteel geweest.”
Niet iedereen waardeerde de nieuwe weg die ze was ingeslagen. De Leeuwarder Courant noemde haar mopjes op het kantje af en De Tijd meende: “Hoewel Rika Jansen niet de vrouw is voor de conference, kon zij het ook ditmaal niet laten.” Haar Jiddische liedjes en Amsterdam huilt zong ze weliswaar ‘hartveroverend’, maar “het publiek was kennelijk opgelucht toen het naar huis mocht.”

Vechtersjas

Zo zoetjes aan raakte Rika moe van de showbusiness. Ze had alles wel zo’n beetje meegemaakt en voor het geld hoefde ze het ook niet meer te doen. In 1968, toen het slechter ging met zijn gezondheid, zette Manders zijn nachtclubs te koop, inclusief hun woning boven de Moulin Rouge. Het stel trok zich terug in een villa in Zandvoort. Af en toe overviel Rika de onrust. “Het is ook geen vrouw die stil kan zitten”, zei Manders. Maar van een grote comeback kwam het niet. Ze had er toch geen zin meer in. “Ik heb nu een veel te goed leven, daardoor zal het wel komen.”
Maar de relatie tussen Rika en Manders kraakte, en barstte uiteindelijk. Gebroken trok Rika zich terug in de flat die het stel voor hun oude dag in het Spaanse Fuengirola had gekocht. Publiekelijk vroeg ze zich af of de ‘bezittersdrang’ van Manders haar artistieke ontplooiing niet had geremd. Het geluk lachte haar nog een tijdlang toe toen ze de 23 jaar jongere Duitse slagersknecht Hardi Seidl ontmoette. Ook deze relatie hield geen stand en Rika nam een overdosis slaaptabletten. Niet omdat ze dood wilde, ze wilde alleen maar lang, heel lang slapen.
Als de vechtersjas die ze was (en is) krabbelde ze weer op. Maar onlangs zei ze tijdens de presentatie van haar levensverhaal Zwarte Riek in haar huidige woonplaats Zandvoort, dat ze meer downs dan ups in haar leven heeft gehad. Met als grootste verdriet de vroegtijdige dood van haar dochter in 1994. “Daarna was het mooie er wel vanaf.”

Beeld: Rika Jansen met haar racefiets op het Thorbeckeplein, 2 april 1965. Nationaal Archief/Jac. de Nijs, Anefo.