In 1956 was ik negen jaar en verhuisden wij van Bentveld naar ‘de Verfdoos’, de creatie van architect Allert Warners aan de Slotermeerlaan. Ik was er meteen verliefd op.
Slotermeer was een wijk in aanbouw. Om de grond bebouwbaar te maken was zand opgespoten, gewonnen uit de Sloterplas, waar je nu heerlijk in kon zwemmen. Het zou de mooiste buurt worden van alle na de oorlog gebouwde wijken, afwisselend kwamen er eengezinswoningen en flats. Die flats vormden ‘stempels’ binnen een patroon van binnentuinen, grachtjes en brede lanen, zoals de Slotermeerlaan. En van al die flats was onze flat het mooist. De Algemene Woningbouwvereniging (AWV) had het aangedurfd om in tijden van woningnood een complex van twee flatgebouwen neer te zetten dat voor die tijd uitmuntte in originaliteit en luxe – en dat voor sociale woningbouw!
Het witbetonnen gebouw stond hoog op de poten en de speelse vorm werd nog extra opgevrolijkt door gekleurde glazen platen. De ingang van de portiekwoningen zat aan de achterkant, aan de Martinus Nijhoffstraat. Daar stonden ook achtkantige schuurtjes waar je met het voorwiel aan een haak je fiets moest ophangen. En dan de woningen zelf. Het waren doorzonwoningen met een grote huiskamer en een bijna even grote keukenkamer, waar je huiswerk kon maken terwijl je moeder stond te koken. Vanuit de huiskamer hadden we een fantastisch uitzicht over Amsterdam.
Ook hadden we drie flinke slaapkamers. En in de badkamer was een lavet met een ingebouwde wasmachine, bestaande uit een langzaam heen en weer draaiende vin en een centrifuge. Als je de vin eruit haalde kon je in het lavet een kind baden. Twee balkons hadden we. Bloembakken en stoeltjes op het voorbalkon, de vuilnisemmer, de schillenbak en de reservekan met olie voor de oliestook op het achterbalkon. Daar hingen we ook de was op. Behalve op zondag, want de overburen huurden niet van de AWV, maar van ‘het Oosten’ en waren dus katholiek. Zij hadden grotere gezinnen en kleinere flats.

Zwaar gesteven petticoats

We voelden ons uitverkoren: 10.000 mensen hadden de modelwoning in de Verfdoos bezocht en wij behoorden tot de 90 gezinnen die een woning kregen. Mijn moeder verkocht in Bentveld de Friese staartklok om de flat in te richten volgens de idealen van Goed Wonen, een stichting die arbeiders opvoedde om hun huis smaakvol en strak in te richten. Dus kregen we een teakhouten wandrek en in alle kamers rustig grijs linoleum, behalve in de keukenkamer waar zwart linoleum met gekleurde vlekjes lag, ‘confetti’ geheten. Dat was handig, want je zag er niets op, zelfs geen gekleurde muisjes. Ik kreeg twee rotan stoeltjes in mijn kamertje en een tomadorekje voor mijn boeken.
Voor mijn moeder was de verhuizing niet alleen een terugkeer naar haar geboortestad, maar ook het begin van een veel beter leven. Ze was woningbouw maatschappelijk werkster bij de ‘toeslagwoningen’ in Slotermeer en Geuzenveld, een project voor ‘zwak-sociale gezinnen’, zoals dat toen heette, en kon nu gewoon op de fiets naar haar werk.
Ik wilde zo snel mogelijk een echt Amsterdams kind worden. Dat viel nog niet mee. De scholen in Slotermeer konden de grote toestroom van nieuwe bewoners met kinderen uit de naoorlogse geboortegolf niet aan. De klassen zaten overvol en dus moest ik op de lagere school in Aerdenhout blijven en stuurde mijn moeder me daarna naar een mulo in Amsterdam-Zuid. Ik heb heel veel moeten zeuren om naar de Burgemeester Tellegenschool bij ons in de buurt te mogen. Daar zaten 44 schreeuwerige kinderen in één klas en ik vond het er geweldig. Mijn moeder zag met lede ogen aan dat ik me bij de ‘volkse sfeer’ aanpaste, met zwaar gesteven petticoats en een onvervalst Amsterdamse tongval. Om me een beetje bij te sturen deed ze me op stijldansen in buurthuis Ons Huis, waar je niet mocht rock-’n-rollen, want dat was ordinair.

Vertrouwen in de toekomst

In ons portiek woonden allemaal ‘nette arbeiders’ en middenstanders die een winkel hadden onder de Verfdoos. We veegden en dweilden bij toerbeurt de trappen en daarna rook het er weer naar vers beton. Natuurlijk waren er ook problemen. Het tochtte en we konden de ruzies van de buren letterlijk volgen – en die verliepen niet allemaal even netjes. Maar op Sinterklaasavond strooiden mijn moeder en ik snoepgoed in het hele trapportaal en bonsden wij op alle deuren waarachter jonge kinderen woonden.
Wonen in de Verfdoos maakte ons optimistisch en vol vertrouwen in de toekomst. Dankzij de loongolf werden we allemaal rijker en we genoten volop van de noviteiten die in onze buurtwinkels te krijgen waren: paprika’s bij de groenteman en langspeelplaten bij Hans Grünhut. Sommige kledingzaken werden zo succesvol dat ze wegtrokken uit de Slotermeerlaan, zoals de ouders van de broertjes Japie en Wimmie Groven, die een herenmodezaak in de Beethovenstraat begonnen. Andere gezinnen vertrokken naar een eengezinswoning in één van de nieuwere tuinsteden, zoals Osdorp. Wij geloofden dat door de stijgende welvaart kinderen van vijftien niet meer van school zouden gaan om te werken en dat de ruzies van de buren zouden stoppen. Zelfs de mensen in de toeslagwoningen zouden zich aanpassen aan onze sociaal-democratische normen.
Mijn moeder ging pas weg uit de Verfdoos toen ze 70 was. Niet de negen trappen waren het bezwaar: ze wilde met haar vriend samen een nieuwe start maken in een appartement in Zuid. Ikzelf woonde toen allang niet meer thuis, zelfs niet in Amsterdam. Jarenlang had ik niets meer te zoeken in Slotermeer.
Behalve dan in mijn dromen, ik droom regelmatig dat ik weer met mijn moeder en broer in de Verfdoos woon.

Hernieuwde kennismaking

Dan verschijnt in de Volkskrant van 15 januari 2010 een artikel over de renovatie van de Verfdoos. Architect Klaas Waarheid heeft het complex aangepast aan de eisen van 2010, “denkend vanuit het DNA en de positieve elementen van het gebouw” en rekening houdend met de wensen van diverse doelgroepen. Na ongeveer 35 jaar vind ik het de hoogste tijd voor een hernieuwde kennismaking.
Die kennismaking begint op Plein ’40-’45. Op de markt domineren grote, allochtone gezinnen het straatbeeld. Kinderwagens met drie, vier kinderen erin en ernaast zijn geen uitzondering, de ‘witte’ populatie is van mijn leeftijd en zit opvallend vaak in een scootmobiel.
Ik loop het ‘Tuinstadhuis’ in, het gebouw dat ik ooit gebouwd heb zien worden als hoofdkwartier van de NVV, de voorloper van de FNV, nu Stadsdeelkantoor. Een vriendelijke beveiligingsmedewerker bevestigt mijn eerste indrukken. In de tijd van toenemende welvaart trokken veel eerste bewoners weg, zoals mijn moeder en de broertjes Groven. Deze leegloop werd gekeerd door de komst van heel veel, te veel kansarme Marokkaanse gezinnen. De werkloosheid in Slotermeer/Geuzenveld is nu hoger dan in de rest van Amsterdam, net als de schooluitval. Het handjevol oudere Amsterdammers dat gebleven is, moppert dat de buurt hun buurt niet meer is. De fouten uit het verleden worden nu hersteld: de slechtste wooncomplexen gaan tegen de vlakte, er komen koopwoningen om beter gesitueerde bewoners in de buurt te houden. En wat de buurt mooi vindt, wordt behouden en aangepast aan de eisen van de tijd.
Dat is ook met de Verfdoos gebeurd. Als ik er voor sta is het net of ik een oude geliefde weer tegenkom. Aan de kant van de Slotermeerlaan is het complex nog even fris en mooi als vroeger; moeiteloos herken ik aan de gekleurde glasplaten de plek van mijn slaapkamertje. De winkels zijn aangepast aan het magere budget van de bewoners. De spectaculaire facelift zit aan de achterkant. Door twee enorme glazen kolommen met liften en trappenhuizen vinden de nieuwe bewoners hun weg naar de galerijen, die op de plek zitten van de vroegere achterbalkons. De architect heeft vaste plantenbakken in de nieuwe achtergevel geplaatst. Ze zijn allemaal leeg.

Een praatje aanknopen

De Verfdoos is nu een maand of vier weer helemaal bewoond, maar bij de bellentableaus ontbreekt meer dan de helft van de naambordjes. Ik kan zonder aan te bellen de entree in, de elektronische toegangsdeur is geforceerd. Dat krijg je als buitenspelende kinderen geen deurmat meer tussen de deur kunnen leggen, want als je te vaak aanbelt wordt je moeder kribbig.
In de hal hangt een brief van de huismeesters: “Beste bewoners, nu jullie in dit mooie nieuwe gebouw wonen is het de bedoeling dat het ook netjes blijft. Er gaan wat zaken fout.” Ik zie wel wat er fout gaat: troep op de galerijen en de entree, zwerfvuil, lekkende vuilniszakken. Verontrustend is het einde van de brief: “Als wij een brief ophangen, is het niet toegestaan deze weg te halen. Dit bepalen wij.” Mijn pogingen om een praatje aan te knopen met de nieuwe bewoners stranden.
Bij de ‘kleine’ Verfdoos, de seniorenflat met de ingang aan de Van Moerkerkenstraat, het tweede deel van het complex, lukt het wel. Frans, Henny en Dinie zijn sinds hun 18de jaar lid van de AWV. Begin jaren tachtig kwamen ze in het andere deel (de ‘grote’ Verfdoos) wonen. In het begin waren ze, net als wij destijds, dolgelukkig met de flat. Er woonden ook buitenlanders, aanvankelijk niet meer dan één gezin per portiek. Dat was het beleid en er waren geen problemen. Maar vanaf 1990 waren ze nog de enige autochtone bewoners.
Ze hebben zich enorm kwaad gemaakt op de AWV. Buitenlanders …. dat is nou eenmaal zo. Maar waarom zoveel en dan ook nog mensen die zo van het platteland kwamen en niet wisten hoe je een modern huis moest bewonen? Op gegeven moment hield Henny op om de buren te bewegen ook een keer de trappen te vegen en te dweilen: “Frans zei dat ze met die lange jurken de boel wel schoonveegden.” Een eerdere renovatie om de flat te isoleren, werd heel slecht uitgevoerd – als de buren spruitjes kookten (of knoflook) genoot de hele flat mee. De balustrades van de bakons gingen roesten en zaten los, en een likkie verf kwam er niet aan te pas.
Net als in 1956 konden ook nu de scholen de toeloop niet aan, met dit verschil dat de nieuwe generatie kinderen het Nederlands slecht beheersten en de ouders ‘andere gedragscodes’ hadden. Op het hele schoolplein is maar één blond koppie te zien en dat is de kleindochter van Diny. Voor balletles moet ze naar een andere buurt.

Terug na de renovatie

Toch keerden Frans, Henny en Dinie na de renovatie terug, zij het naar de kleine Verfdoos, bestemd voor 55-plussers zonder thuiswonende kinderen. Waarom? “Omdat ik van een beetje reuring hou. En het uitzicht is hier prachtig”, zegt Frans. Voor Henny had de terugkeer niet gehoeven, de kinderen zijn naar Purmerend vertrokken en winkelen doen ze niet in “die armoezaken” in de buurt.
En, het moet gezegd, de woningen zijn vanbinnen prachtig geworden. Wél zijn door de verbeterde isolatie de plafonds lager en de kamers een paar centimeter kleiner dan eerst. Ook moeten ze nu elektrisch koken, omdat er stadsverwarming is gekomen. Wokken kan niet meer. De buitenlandse gezinnen in de grote Verfdoos hebben nu massaal gasflessen in de berging staan, wat nogal gevaarlijk is. En die lege bloembakken moeten ‘ooit’ door woningbouwvereniging Stadgenoot gevuld worden, de rechtsopvolger van de AWV. Henny heeft er niet op gewacht en alvast een palm in de hal van de kleine Verfdoos gezet.
De situatie is nu deze: de grote Verfdoos is ‘zwart’, er wonen grote gezinnen, en het is er alweer een troep; de kleine Verfdoos, de seniorenflat, is ‘wit’, en netjes. Ook hier ontbreken veel naambordjes op het bellentableau in de keurige ontvangsthal. Maar dat heeft een andere oorzaak. Er staan namelijk nog veertien appartementen leeg. Stadgenoot krijgt ze niet verhuurd aan de doelgroep 55-plus. Terwijl de oude bewoners huurgewenning krijgen, moeten nieuwe bewoners € 600,- betalen. Dat is nog wel binnen de huursubsidiegrens, maar toch een hoop geld voor een flat in een probleemwijk. Want dat is het, ondanks de goede bedoelingen, nog steeds: een probleemwijk.
Henny, Frans en Diny zijn nu bang dat de norm verruimd wordt. Ze houden wel van kinderen, daar niet van. Maar het moeten geen kinderen zijn die in het portiek kakken en de boel vernielen. Het is duidelijk: hier is sprake van cultuurverschillen die niet meer met strooigoed op Sinterklaasavond te overbruggen zijn.
“Heb jij geen zin om hier te komen wonen”, vragen ze bij het afscheid. Het gekke is dat ik niet meteen nee zeg. Ik wil wel weer in de Verfdoos wonen om te geloven dat alles beter gaat worden. En bovendien heb ik na al die jaren buiten Amsterdam ook wel weer eens zin in een beetje reuring.