In de jaren tachtig staan ze er dagelijks achter het station met velen geparkeerd: Mercedessen W123 diesel. Tegen de perronkap aan, lekker gratis. Op de daken de plompe lichtbak ‘TAXI’, op het koetswerk de zwart-witte blokbandstickers. Chauffeurs zitten om de hoek in The Haring Shop tegenover de gevangenis. Het viskot van echtpaar Schooneveld leunt tegen het toiletgebouw van het station aan. Haring krijg je er op toast. Verder hangen er Ajaxposters en klinkt het naar Hazes, en niet alleen vanaf cassettebandjes – Dré koopt er zelf ook zijn haring. Voor de deur staan bontjassen en mannen met lange haren in het Bargoens naar de gevangenismuur te schreeuwen.

Andere chauffeurs zitten verderop bij Broodje van Jaap, hoek Amstelveenseweg-Karperweg. In het houten gebouwtje – tot 1931 politiepost – verkoopt Jaap tot diep in de nacht goedkope koffie, broodjes en snacks. Een medewerkster: ‘Ik kwam uit een dorp en hier, tussen alle taxichauffeurs die klaagden over van alles, heb ik mijn Amsterdamse grote bek gekregen.’

Het ooit voorname station ernaast is afgegleden tot kantine voor buschauffeurs. In de voormalige dienstwoning wonen twaalf Turkse rangeerders, daar ondergebracht door de NS. In een loods op het oude rangeerterrein vindt de politie in 1984 gestolen schoenen en kleding ter waarde van 1 miljoen gulden. Bij een andere inval treffen ze 600 kilo marihuana aan. Hoe kon het zo ver komen? En waarom lieten stedenbouwers het Havenstraatterrein na de laatste trein ongemoeid?

Dwarsligger

In 1915 bouwt H. van Emmerik het bakstenen station Willemspark, een gebouw ‘als een landhuis’, naar ontwerp van Karel de Bazel. Van binnen heeft het de allure en detaillering die dan nog bij treinreizen horen. Links bevinden zich de stationsrestauraties tweede en derde klas, er is een bagagedepot en de stationschef woont onder het dak. De directeur van de Hollandse Elektrische Spoorweg Maatschappij (HESM) trekt in de villa uit 1921 ter linkerzijde. Van hier vertrekken stoomtreinen richting Amstelveen, Uithoorn, Alphen aan de Rijn. Er liggen zeven sporen en twee perrons. De toegang tot het rangeerterrein is in de Havenstraat, tegenover de gevangenis die is gebouwd in 1890.

De stad is sinds 1900 vanaf de Overtoom en het Concertgebouw in aantocht. Bij de invulling van zijn Uitbreidingsplan Zuid uit 1917 bijt H.P. Berlage zich stuk op het Havenstraatgebied. Hier geen weilanden en boerderijen maar een rangeerterrein, een gevangenis, een tramremise en een station. Berlage krijgt geen greep op de rommelige, industriële stadsrand. De rails vormen een dwarsligger in zijn stedenbouwkundige plan om de Schinkel- en Stadionbuurt eind jaren twintig tot een geheel te maken.

Neerbuigende kolenboeren.

Sonja Straatman woont sinds haar geboorte in 1927 in de Schinkelbuurt: ‘Het was een arme buurt waar de kinderen bij de ouders sliepen. In huis één kachel, wassen deed je in het badhuis in de Zocherstraat.’ Over de treinen bij het Haarlemmermeerstation: ‘Ik zág ze, maar meerijden was er niet bij. Arremoe. Je líep naar Bovenkerk.’

De Haarlemmermeerlijn ontsluit de polder en zorgt ervoor dat boeren uit Sloten hun handel naar de veiling in Aalsmeer kunnen vervoeren. Omgekeerd wordt de stad bevoorraad met steen, turf, hout, kolen, levensmiddelen. Vanaf 1925 adverteert de Nederlandsche Anthraciet Handelsmaatschappij met kolen en eierbriketten die aan de Havenstraat te koop zijn.

Van goederenwagons worden ze overgeladen op vrachtwagens en schuiten. Op het rangeerterrein tegen de tramremise staan schuren waar de cokes worden gebroken en verpakt. Straatman: ‘We kregen kolen aan huis maar als we tekort hadden, werd ik er op uit gestuurd. Vreselijk, die neerbuigende kolenboeren. Dat ze moeite moesten doen voor een klein zakje.’

Net vóór de Schinkel, waar het rangeerterrein overgaat in het enkelspoor richting Amstelveen, lag een voetgangersbrug. Straatman: ‘Toen ik wat ouder was, stak ik het spoor zó over, maar dat zei ik thuis niet. Er liepen ook bewoners uit de Schinkelbuurt die vanwege de crisis moesten meewerken aan het Amsterdamse bos.’ De HESM verhuurt medewerkers lapjes grond langs het spoor zodat ze met een moestuin makkelijker in hun levensonderhoud kunnen voorzien – de tuinen bij de Stadiongracht zijn hier de erfenis van.

Niemandsland

Als tijdens de bezetting de brandstof schaars wordt, komt het busvervoer stil te liggen. De Haarlemmermeerlijn krijgt het dan druk met hongerige Amsterdammers die richting de boeren reizen. De bezetter vervoert er gevangen mee naar Westerbork.

In 1950 valt het doek voor het passagiersvervoer; de Haarlemmermeerlijn legt het af tegen het goedkopere en fijnmaziger busnetwerk. Het plantsoen voor de entree wordt een bushalte. Broodje van Jaap opent zijn deuren. Achter het kopstation worden de perrons afgegraven en het rangeerterrein wordt, op een paar sporen na, kolenopslag. Kolenboer Mayer van kolenbedrijf Oranje-Nassau is de grootste handelaar en bouwt links naast het toegangshek een kantoor.

Jan Baars groeit in de jaren vijftig op in de Leimuidenstraat. ‘Als kind namen we het pontje, de Schinkel over. Op het rangeerterrein kon je ongestoord kattenkwaad uithalen. Je hoefde niet te vertellen waar of je geweest was – je kwam pikzwart thuis.’

Bas Pruyser uit 1950 woonde aan de Amstelveenseweg bij de Koninginneweg, de ‘goede kant’ van de Amstelveenseweg. ‘Ik kwam vanaf mijn tiende in de havenloodsen. Ik hielp bloemenman Ab Buis, die bij ons op de hoek stond, met verkopen en zijn handkar terugbrengen. Bloemenmannen stalden hun karren achter het station en ze kochten er vanaf de vrachtwagen handel in. Er werd onderling ook gehandeld – niks met bonnetjes. Als het koud was zaten ze in café Bos (hoek Amstelveenseweg-Vaartstraat). Die paarse en rode koppen hadden ze niet alléén van het weer. De drank won het uiteindelijk ook van Ab Buis. Hij hing zich op. Ik ben daarna nooit meer achter het station geweest. Het was niemandsland, je kwam er niet zomaar.’

Romneyloodsen

In 1972 rolt ook de laatste goederentrein het station uit. Aardgas verdringt de kolen. Het seinhuis uit 1918 wordt gesloopt. Een houthandel op het terrein, Peperkamp, huurt de vrijgekomen grond van de NS om er de eerste golfplaten romneyloodsen neer te zetten. Naar de mores van het terrein verhuren de broers Peperkamp die illegaal onder. Op de plek van de kolenloodsen komt Witbak, recycling van sloopmateriaal. Tot de sloop heeft mevrouw Kamstra, weduwe van de Witbak-eigenaar, in het kantoor van Oranje-Nassau gewoond. Zij liet geld na aan de Agneskerk, die als dank het pleintje voor de entree naar haar vernoemde.

Volgens de wetten van de organische groei komt het Havenstraatterrein steeds voller te staan. Jan Baars: ‘Een houthandel, garages, sloperijen, handelaren, opkopers. Veel zwart, veel illegaal, nergens geen garantie! “Vrije sector-jongens.” Ik kwam er met mijn auto en dat scheelde een hoop met BOVAG-garages. Ze hadden altijd wel oude onderdelen of haalden iets van de sloop.’ Sonja Straatman: ‘Het werd er steeds schimmiger. Ik liep er met de honden, maar zag elke keer andere gezichten bij de loodsen. De mannen die ik er nog kende zaten er nog, maar je kon moeilijk van ze verwachten dat ze het hele end met me zouden meelopen.’

Eind jaren zeventig grijpt de NS in en neemt het beheer van de loodsen over. Peperkamp gaat terstond failliet. In 1975 is er een nieuwe huurder gearriveerd, de Elektrische Museumtramlijn Amsterdam (EMA). De club krijgt van de NS toestemming om het station en de spoorlijn te gebruiken voor ritten met historische tramstellen. Ze betrekken ook enkele loodsen voor stalling en restauratie. Achter het station leggen ze een keerlus aan en op het voormalige rangeerterrein blijven twee sporen in bedrijf.

Een dorp in de stad

Begin jaren negentig draagt de NS het terrein en station over aan de gemeente – de spoorweg niet. Jaarlijks poetst de EMA het bord ‘De toegang tot de spoorweg is verboden’ op, zodat de gemeente alleen mag dénken over herontwikkeling. Voor andere huurders is het echter duidelijk: maak geen toekomstplannen.

Oud-ijzer- en papierhandel Bechthold, sinds 1969, vertrekt om buiten de stad uit te groeien tot een grote firma. De loods wordt overgenomen door een handelaar die hier al in auto’s, inboedels en witgoed handelt. Kosten zijn er nauwelijks. De gemeente rekent geen huur als huurders tekenen voor vrijwillig vertrek als er een goedgekeurd bestemmingsplan is.

Als het terrein in 2005 wordt aangesloten op riolering, komen er ook een parkeermeter en een fietspad. ‘Doodlopend’ wordt ‘doorgaand’. Stedenbouwers krijgen greep op de vrijstaat. Er woont een man in een oude bus, een klavecimbelbouwer bouwt aan zijn instrumenten en een gestolen auto staat al maanden mos te vergaren.

Gideon Italiaander strijkt er neer en start er zijn imperium (nu acht filialen). Een jazzmuzikant met een loods zegt in 2005 tegendaklozenkrant Z!: ‘Het is hier net een dorp maar dan midden in de stad. De mensen zijn makkelijker. Ik ga de plek missen, vooral de natuur. Hier hoor je hanengekraai. Je kunt hier het gevoel hebben dat je helemaal alleen bent. Dat vind ik rustgevend.’

Sonja Straatman komt in een comité tot behoud van ‘de rafelrand’. ‘Ik heb de raad toegesproken en gezegd dat mensen die hier al zo lang hard werken, hier thuishoren. Dat je die niet zomaar kunt wegsturen. Ik barstte nog in tranen uit – ik zei dat ze mijn as er moesten uit strooien.’ Inmiddels is ze daarop teruggekomen: ‘Het is een troosteloos gebied geworden.’

In 2023 wordt het bestemmingsplan aangenomen. De spoorlijn wordt verplaatst naar de Karperweg. De woonwijk komt er.