‘Dans drukt dans uit en verder niets.’ Hans van Manen sprak dit motto in 1987 uit bij zijn inauguratie als bijzonder hoogleraar kunst en cultuur aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Niet slecht voor een ongeschoold straatschoffie, dat op z’n veertiende begon als krullenjongen bij toneelkapper Herman Michels, altijd wilde dansen en zichzelf alles leerde. Slavist en kunsthistoricus Sjeng Scheijen portretteert hem als iemand die onafhankelijk wil zijn, dienstbaar aan niemand, extreem creatief was en altijd omringd door vrienden. Er zijn veel foto’s en anekdotes. Scheijen beschrijft de Nederlandse ballethistorie en analyseert al Van Manens balletten: ‘Door de openheid en helderheid bieden ze veel mogelijkheid voor het publiek om erotisch te associëren.’ Hij schrijft uitvoerig over de historische context van alles en iedereen waar Van Manen mee te maken krijgt. Van Manen zei na het lezen van de eerste hoofdstukken dan ook gekscherend: ‘Wat leuk dat ik er ook in sta.’

Leidraden in het leven van dit ‘gelukskind’ zijn: verstop je nooit, doe alles uit overtuiging, schaam je nooit voor wie je bent. Van Manen noemt zichzelf, vooral vroeger, ‘een opvallend, nichterig type’: ‘Ik heb een bloedhekel aan mijn stem, want dan hóór je het stigma. En van die kleine pasjes kom ik ook niet af. Ik heb wel eens wijdbeens door de Leidsestraat gelopen. Met een zeer lage stem sprak ik mensen aan. Hielp allemaal niets. Ik bleef “zang” krijgen (vroeger het woord voor schelden tegen homo’s, red.). Dan ging ik meteen tekeer: handen in mijn zij en schelden. Ik liet me nooit intimideren.’

Gelukskind. Het leven van Hans van Manen

Sjeng Scheijen

- Prometheus

- 424 blz.

- € 20,99