“Binnen der Stadt van Amstelredamme ende haere vrijheydt zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven”, luidde een bepaling in een keur over de “staet ende conditie van persoonen” die in 1644 in Amsterdam van kracht werd. Vanuit mondiaal perspectief was dat opmerkelijk. In het overgrote deel van de wereld was slavernij in de 17de eeuw immers nog heel gewoon. Maar niet in Amsterdam dus. En evenmin in de rest van de Republiek, al stond dat daar zelden zo expliciet in een officieel document als hier, uitgevaardigd door een stadsbestuur.

Ondanks deze krachtige uitspraak kwam een groep historisch onderzoekers van diverse samenstelling op 29 september 2020 met een hard oordeel over het slavernijverleden van het Amsterdamse stadsbestuur. Dat was vanaf het eind van de 16de eeuw tot ver in de 19de eeuw “actief, wereldwijd, grootschalig, veelzijdig, en langdurig” betrokken geweest bij slavenhandel en slavernij, en de gevolgen daarvan zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar en voelbaar in de stad. Zo formuleerde Nancy Jouwe namens de vierkoppige redactie de conclusies bij de aanbieding van het boek De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek.

Burgemeester Femke Halsema en wethouder Rutger Groot Wassink namen het boek in ontvangst. Zij vertegenwoordigden de opdrachtgever voor dit onderzoek naar het slavernijverleden van het Amsterdamse stadsbestuur, als mogelijke opmaat voor excuses van de gemeente aan de nazaten van de slachtoffers. Of die excuses er moeten komen, lieten de onderzoekers over aan de politici, maar zij pleitten bij de aanbieding wel uitdrukkelijk voor ‘erkenning’ van het slavernijverleden. Burgemeester en wethouder gaven te kennen daarvan ook serieus werk te willen maken.

De opdracht voor het onderzoek naar het Amsterdamse slavernijverleden werd gegund aan het gerenommeerde Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, dat vervolgens een beroep deed op tientallen onderzoekers die in de voorbije jaren allerlei facetten hebben uitgezocht van de Nederlandse betrokkenheid bij slavernij in Oost en West. Want in tegenstelling tot wat nog vaak gedacht wordt, waren Nederlanders niet alleen in Suriname en de Cariben, maar ook in de Indonesische archipel en andere Aziatische regio’s grootschalig en structureel betrokken bij slavenhandel en slavernij.

De kracht van dit boek is de caleidoscopische opzet. Er wordt aandacht besteed aan vele aspecten van de slavernij en de slavenhandel. Natuurlijk staat er veel in over de handelwijze van hoofdrolspelers VOC en WIC, maar ook individuele slavenhouders en het verzet van de tot slaaf gemaakten komen aan bod. We kunnen lezen over het leven op een Surinaamse plantage én over kritische presentaties van slavernij op het toneel in Amsterdam omstreeks 1800. Een heel nuttig gedeelte gaat over de omgang met het slavernijverleden sinds de afschaffing in 1863 tot aan de huidige tijd.

Wie al een beetje met het onderwerp vertrouwd is, zal veel bekende zaken tegenkomen, maar tenzij u een echte kenner bent voorspel ik dat er ook heel wat bij zit dat nieuw voor u zal zijn. Zo werd ikzelf bij voorbeeld verrast door een artikel over de glazen kralen die in Amsterdam werden geproduceerd en die op allerhande plaatsen in Azië, Afrika en Amerika zijn aangetroffen. Ze werden door slavenhandelaars gebruikt als betaalmiddel, maar ook in transacties tussen slaven. De blauwe kleur van de kralen had een belangrijke symbolische functie in verschillende Afrikaanse religies.

Het onderzoek ondersteunt de conclusies op overtuigende wijze. Het Amsterdamse stadsbestuur was institutioneel betrokken bij de slavernij, doordat het vanaf het begin bestuurders leverde aan de VOC (opgericht in 1602) en de WIC (1621). Nog veel verder ging de betrokkenheid van het stadsbestuur tussen 1683 tot 1795, toen de stad een van de drie aandeelhouders was van de Sociëteit van Suriname, die de gelijknamige kolonie door middel van slavenarbeid exploiteerde.

Naast deze betrokkenheid in hun bestuurlijke hoedanigheden hadden talrijke bestuursfamilies ook persoonlijke belangen in de slavenhandel en slavernij, zoals stadssecretaris Jonas Witsen, die in 1701 drie Surinaamse plantages erfde van zijn vrouw en daarmee ook 346 tot slaaf gemaakte Afrikanen. Plantages waren vooral in de 18de eeuw een geliefd beleggingsobject voor rijke Amsterdamse families en dus ook voor stadsbestuurders.

De opdracht voor dit boek werd gegeven vanuit een besef van ‘schuld en boete’ en legde de volle nadruk op de rol van het stadsbestuur. De onderzoekers hebben breder gekeken. Zij geven een vollediger beeld van de slavernij en slavenhandel en dat is winst voor de lezer. Maar hoe zit het met ‘Amsterdam’? In sommige bijdragen is de relatie met Amsterdam bijzaak. In andere artikelen speelt het verhaal uitdrukkelijk in Amsterdam, maar is de rol van het stadsbestuur of zijn leden minimaal of zelfs geheel afwezig. Daar begint het begrip ‘stad Amsterdam’ een probleem te worden. Want het boek maakt dan wel duidelijk dat in het dagelijks leven van Amsterdam in de eeuwen van de slavernij de mensenhandel op allerlei momenten en plaatsen opdook, en dat vele Amsterdammers er dus gewild of ongewild mee in aanraking kwamen, maar waren daarmee ook zo’n beetje alle Amsterdammers verantwoordelijk voor de slavernij?

Dat willen de onderzoekers allicht niet beweren, maar door de onbepaaldheid van het begrip ‘Amsterdam’ wordt wel geregeld die indruk gewekt. “Dit boek is een terreinverkenning naar de Amsterdamse betrokkenheid bij de wereldwijde slavernij”, schrijven de redacteuren in hun inleiding, die eigenlijk een conclusie is. Ik zou op dit punt meer terughoudendheid willen aanbevelen. Terecht zei burgemeester Halsema, nadat zij het eerste exemplaar in ontvangst had genomen, dat wij ons in de 21ste eeuw niet verantwoordelijk kunnen voelen voor misdaden die eeuwen geleden zijn begaan, maar dat wij ons er wel bewust van moeten zijn – en ook van de invloed die deze geschiedenis nog steeds heeft in de hedendaagse samenleving. Voor de erkenning en het toegankelijk maken van die pijnlijke geschiedenis is dit boek een mijlpaal. Meer precisie inzake de schuldvraag zal ook helpen om de samenleving in het reine te laten komen met deze last van het verleden.

MAARTEN PRAK IS HOOGLERAAR ECONOMISCHE EN SOCIALE GESCHIEDENIS AAN DE UNIVERSITEIT UTRECHT.

DE SLAVERNIJ IN OOST EN WEST

Het Amsterdam onderzoek

- Pepijn Brandon, Guno Jones, Nancy Jouwe en Matthias van Rossum (red.)

- Het Spectrum

- 448 blz.

- € 24,99

November 2020