Bijna vier jaar lang heeft ze niet in Amsterdam gewoond - en dat beviel haar maar matig. De rest van haar leven was ze zo Amsterdams als maar mogelijk is.
In januari 1954, op haar 21ste, was Adèle Hameetman (zoals haar meisjesnaam luidde) met haar kersverse echtgenoot Ben Bloemendaal naar Amerika geëmigreerd. Hem was een technische baan bij het vliegtuigbouwbedrijf Lockheed in het vooruitzicht gesteld. En zij verheugde zich hevig op het land van de ongekende mogelijkheden. Toen de visa in orde waren, ging ze onmiddellijk mee. Het feit dat ze zodoende contractbreuk moest plegen bij toneelgroep Puck, waar ze slechts enkele maanden eerder in vaste dienst was getreden, kon haar volstrekt niet deren. Weg uit het armelijke naoorlogse Amsterdam, op naar het moderne Amerika, waar de ijskasten en de tv-toestellen allang gemeengoed waren. Ze kon geen moment meer wachten. Maar de opwinding van het begin, toen alles in Los Angeles nog nieuw en spannend was, verdween alweer snel.
Hun huwelijk liep mis, omdat Ben Bloemendaal een racefanaat was die op zijn vrije avonden voornamelijk aan auto's sleutelde en ieder weekend aan races meedeed. Op een avond - alleen thuis - zat Adèle te bladeren in het fotoboekje Amsterdam by Night. Het was haar ooit door iemand cadeau gedaan, maar ze had er lange tijd niet in gekeken. Prompt kreeg ze last van heimwee. "Bij elke bladzij herinnerde ik me kleinigheden", schreef ze in een brief naar huis. "Er was niet één plekje dat ik niet kende."

Nieuwendijk 215

Zo keerde ze in december 1957, intussen gescheiden, in haar eentje terug naar Amsterdam. Haar man hield het huis, zei ze later, en zij hield zijn achternaam.
Toen ze in januari 2017 stierf, was ze 84 jaar oud. Daarvan had ze er dus ruim 80 in Amsterdam gewoond. De stad was haar epicentrum. Om preciezer te zijn: hartje stad. Ze werd (op 11 januari 1933) geboren aan de Bloemgracht 95-I, woonde vervolgens met haar ouders op een paar andere adressen (Prinsengracht 224, Leidsegracht 36, Groen van Prinstererstraat 28-I) en bracht uiteindelijk het grootste deel van haar jeugdjaren door aan de Ceintuurbaan 227-III, tegenover de Willibrorduskerk. Daar zouden haar ouders tot op hoge leeftijd blijven wonen.
Ook zelf legde ze daarna een schilderachtig parcours af: eerst inwonend bij de ouders van Ben Bloemendaal (Moerdijkstraat 12-I) en na haar terugkeer uit Los Angeles op diverse adressen rondom het Leidseplein, waaronder Leidsekade 83 - een roemrucht toevluchtsoord voor prille kunstenaars als Jan Cremer, Simon Vinkenoog, Anton Heijboer, Kitty Courbois, Ramses Shaffy en vele anderen die begin jaren zestig jong en hip waren. Adèle woonde daar met Donald Jones, haar tweede (en laatste) echtgenoot, Tot ze in 1964 naar Nieuwendijk 215 verhuisde, op het hoekje bij de Zoutsteeg, waar ze besloot haar ietwat jaloers aangelegde man de deur uit te sturen en als alleenstaande moeder hun pas geboren zoon John op te voeden. Bijna 40 jaar lang woonde ze daar. Om eind 2002 toch nog te verhuizen naar een sociale huurwoning aan de Snoekjesgracht, die officieel Oudeschans 152 heette. Op de deur stond A. M. Hameetman. En toen ze in haar laatste jaren door de ene na de andere beroerte werd getroffen, kwam er nog één keer een nieuw adres: Huize De Flesseman aan de Nieuwmarkt.

Oase

Kortom: haar leven heeft zich, alles bij elkaar, vrijwel geheel afgespeeld binnen een paar luttele vierkante kilometers in het oude centrum van Amsterdam. Zelden was er een markantere Amsterdammer dan zij. Haar gehechtheid aan de stad was dermate groot, zei Hans Dorrestijn eens, dat ze al heimwee kreeg als ze over de Utrechtsebrug de stad uit reed.
Een van de weinige keren dat Adèle Bloemendaal het pertinent oneens was met een journalist, had dat dan ook alles te maken met de stad. Toen ze nog maar net op de hoek Nieuwendijk / Zoutsteeg woonde, in de zomer van 1964, werd ze daar geïnterviewd door Conny Sluysmans van De Telegraaf. De verslaggeefster noteerde correct wat Adèle had verteld, maar toonde zich niet erg onder de indruk van de locatie. In haar artikel repte ze van "een stukje vermolmd Amsterdam" en beschreef ze de Zoutsteeg als "een naargeestig, somber straatje, waar men over brokken steen moet springen om niet te vallen, en waar hier en daar planken liggen om gaten in het plaveisel te overkoepelen".
Maar voor Adèle Bloemendaal was dit nieuwe adres, op tweehoog boven een schoenwinkel van Van Haren, een oase. Te meer omdat ze op loopafstand niet alleen alle winkels vond die ze nodig had, maar ook alle horecagelegenheden. Tot haar vaste adressen - vaak in de nachtelijke uren na terugkomst van een optreden buiten de stad - behoorden Warstein en Kafka in de Spuistraat, Crignon en De Pilserij in de Gravenstraat. Die frequenteerde ze graag. De Pilserij bracht het door haar zelfs tot nationale bekendheid, omdat ze er in de zomer van 1994 samen met Jenny Arean de opnamen maakte voor het stemmige tv-duet Amsterdamse kroeg, naar een gedicht van Simon Carmiggelt.

Puck

En dan te bedenken dat Adèle Maria Hameetman na de middelbare school nauwelijks wist wat ze verder zou gaan doen. Het werd de tekenacademie, want ze leek talent voor mode tekenen te hebben. Op die school ontmoette ze in 1951 de artistiek bevlogen medeleerling Cor Pisuisse, die samen met zijn vriend Leen Jongewaard het amateurcabaretgroepje De Kijkdoos runde. Volgens deze Pisuisse (geen familie van de in 1927 vermoorde cabaretpionier met dezelfde achternaam) was Adèle bij uitstek geschikt om cabaretière te worden. Hij noemde haar "hypermodern, een persoonlijkheidje en heel sexy". Haar debuut was meteen raak.
In maart 1953 speelde De Kijkdoos, net als veel andere artiesten en gezelschappen in die tijd, benefietvoorstellingen voor de slachtoffers van de Zeeuwse watersnoodramp. Het groepje trad op in het kleine zaaltje boven bioscoop Kriterion. Veel publiek kwam er niet. Maar op een avond zat de directie van het jeugdtheatergezelschap Puck in de zaal, op zoek naar uitbreiding van het acteursbestand. Adèle en Leen werden ter plekke geëngageerd. "Adèle was een blonde stoot, een barokke, geile meid die geweldig ordinair kon zijn", zei Puck-directeur Egbert van Paridon later.
Zo begon het allemaal. Al kwam haar carrière eigenlijk pas echt op gang toen ze in 1957, een illusie armer, uit Amerika terugkeerde naar Nederland. Want bij Puck bleef ze slechts een paar maanden, omdat de aangevraagde visa voor Amerika sneller werden toegekend dan Adèle en Ben Bloemendaal hadden gedacht. Toen ze de benodigde documenten in handen hadden, wilde zij onmiddellijk weg. De smeekbeden van Puck om nog tot de zomer te blijven, hielpen niet. Op een dag in januari kwam ze opeens niet meer opdagen. Haar personeelsdossier vermeldt met kwaaie rode potloodletters in de kantlijn: 'Contractbreuk'.

Suikerspinkapsel

De start in 1957 was rommelig en onoverzichtelijk, maar ook veelzijdig. Ze speelde mee in het beginnende cabaretclubje Lurelei, voordat Jasperina de Jong daar de leading lady werd. Ze werkte mee aan cabaretprogramma's van Jaap van de Merwe, Albert Mol, Max Tailleur en Johnny Kraaykamp. Ze speelde (voornamelijk kleine) rolletjes bij toneelgroep Ensemble. Een mijlpaaltje was haar prominente rol in het succesvolle theaterprogramma Met blijdschap geven wij kennis, naast Gerard Cox en Frans Halsema.
Intussen verscheen ze ook steeds vaker op de televisie. Op twee totaal verschillende manieren: als het elegante, oogverblindende middelpunt in een reeks voyante tv-shows van regisseur Rob Touber én als Tante Door met het gulle prethoofd en het uitzinnige suikerspinkapsel in de legendarische serie 't Schaep met de 5 Pooten (1969-1970). De ene hit na de andere kwam uit die serie voort, van 't Zal je kind maar wezen tot en met Als je mekaar niet meer vertrouwen kan. Alles klopte: in de teksten van Eli Asser weerklonk de actuele zorg over het behoud van de verloederende Amsterdamse binnenstad, de muziek van Harry Bannink nodige uit tot carnavalesk meedeinen en de drie hoofdrolspelers (Adèle Bloemendaal, Leen Jongewaard en Piet Römer) kenden elkaar van haver tot gort uit de tijd dat ze alle drie bij Puck werkten. En de authentieke Amsterdamse tongval was hen geen van drieën vreemd - die rolde als vanzelfsprekend over hun lippen.
Achteraf is het onvoorstelbaar dat de reeks slechts één seizoen heeft geduurd. Asser ruziede met regisseur Joes Odufré over het geestelijk vaderschap van de serie en met de acteurs over de interpretatie van zijn teksten, tenslotte ruziede iedereen met iedereen. In latere jaren heeft Adèle nog in diverse andere series gespeeld, maar het succes van 't Schaep is nooit meer geëvenaard.

Sublieme wartaal

Wel belandde ze in de jaren zeventig, mede door de populariteit die Tante Door haar had opgeleverd, in een heel andere wereld. In een map met ongebruikte teksten van de dichtende Drs. P stuitte ze op het nummer Wat heb je gedaan, Daan? Ze moest onbedaarlijk lachen om de evidente onzin van de tekst, met de sublieme wartaal in de refreinregel: "In de hele met z'n allen van die dingen niks meer aan". Als parodie op de toenmalige carnavalsnummers zette ze het op de plaat en scoorde prompt een hit. Ze belandde in de Top-40 zelfs bij de bovenste tien. En in de daaropvolgende jaren was er elk jaar een nieuwe. Allengs raakten de parodistische bedoelingen op de achtergrond en werd er steeds meer gemikt op de echte carnavalspret. Tot niet alleen Adèle, maar ook het publiek erop uitgekeken raakte.
Na al die jolijt was het eind jaren zeventig slecht gesteld met haar imago. Maar toch moest haar allerbeste tijd toen nog beginnen. Nadat haar weer eens een ondermaats script voor een nieuwe productie was aangeboden, besloot ze het heft definitief in eigen handen te nemen. Op kleine schaal speelde ze vanaf 1982 een theaterprogrammaatje dat niet voor niets Adèle's keus heette. Geheel naar haar eigen smaak vertelde ze verhaaltjes en zong ze liedjes die ze zelf had verzameld. Daaruit groeiden op den duur enkele veelgeprezen theatershows waarin haar eigen ideeën waren uitgewerkt door topauteurs als Jan Boerstoel, Hans Dorrestijn en Willem Wilmink.
Probleemloos zijn die tournees nooit verlopen, want Adèle Bloemendaal raakte er nogal gauw op uitgekeken als een programma eenmaal klaar was. Ze genoot van het maken van een nieuwe show, maar haakte af zodra er elke avond moest worden opgetreden. Haar grootste angst was te sterven op weg naar Winschoten, zei ze.
Zover is het niet gekomen. Ze werd getroffen door diverse beroertes, moest stoppen met optreden en verloor tenslotte zelfs haar spraakvermogen. Adèle Bloemendaal stierf in januari 2017, kort na haar 84ste verjaardag, en werd gecremeerd op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Het was een koude dag.