Eind 19de eeuw begon het besef door te dringen dat er zuinig omgesprongen diende te worden met de in rap tempo verdwijnende natuurgebieden. Botanicus Frits van Eeden (vader van de auteur en psychiater Frederik) verhief rond 1880 nog als enige zijn stem tegen het kappen van het laatste oerbos in Nederland, het Beekbergerwoud. Maar enkele decennia later was er sprake van een ‘biologisch reveil’: de aandacht voor de levende natuur bloeide snel op. Dat was zowel merkbaar in de schilderkunst als in de literatuur (de Tachtigers), maar ook in de interesse van het grote publiek.

Een belangrijke rol speelden enkele onderwijzers, die de natuurstudie stimuleerden door publicaties en door aanschouwelijk onderwijs. Eli Heimans (1861-1914) was zo’n onderwijzer. Geboren in Zwolle, werkte hij vanaf 1882 op verschillende lagere scholen in Amsterdam, om ten slotte hoofd van de Hendrik Westerschool op het Weesperplein te worden. Hij nam zijn leerlingen mee op excursie naar het Sarphatipark en schreef er in 1893 een boekje over, getiteld Levende natuur, handleiding bij het onderwijs.

Dat boekje maakte diepe indruk op een collega, Jac. P. Thijsse, en toen ze elkaar ontmoetten op een vergadering van het Nederlands Onderwijzers Genootschap en Thijsse informeerde of er een vervolg kwam op het ‘Sarphatiparkboekje’, had Heimans gezegd: “Laat ons dat samen doen.” Het was het begin van een intensieve publicitaire samenwerking, resulterend in een reeks goed verkopende boekjes.

Jac. P. Thijsse (1865-1945) werkte van 1883 tot 1889 in Amsterdam op de lagere school in de Falckstraat, gaf daarna een jaar les op de Gemeentelijke Kweekschool, vertrok naar een school op Texel, maar keerde na twee jaar terug naar Amsterdam, waar hij hoofd van de Openbare School aan de Passeerdersgracht werd. Op dat moment kwam hij Heimans tegen. Aangemoedigd door de bijval die hun boekjes kregen, begonnen Heimans en Thijsse in 1896 het tijdschrift, Levende Natuur, waarbij ze de eerste vier jaar redactionele steun kregen van een geestverwant, Jasper Jaspers jr., schoolhoofd op Wittenburg, die ook gepubliceerd had over biologieonderwijs.

Haast

In 1901 gaven de uit het onderwijs afkomstige natuurminnaars de stoot tot de oprichting van de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging. De drijvende krachten waren naast Heimans een biologieleraar van de Tweede Vijfjarige HBS aan het Roelof Hartplein, Han Heinsius en biologieleraar Hendrik Heukels van het Eerste Vijfjarige HBS. Thijsse speelde in deze vereniging geen prominente rol, maar dat zal met zijn verhuizing naar Bloemendaal te maken hebben gehad. Ook wetenschappers, die al georganiseerd waren in specialistische verenigingen, sloten zich aan.

De aankoop van kwetsbare natuurgebieden was een van de doelstellingen. Toen nu eind 1904 het gemeentebestuur van Amsterdam de raad voorstelde om het Naardermeer te kopen en als afvalstortplaats te gebruiken, kwam de vereniging in actie. Het meer was een uniek natuurgebied, schreef zij in een uitvoerig exposé aan de gemeenteraad. De oplossing van de afvalproblematiek van Amsterdam – de centrale belt aan de Kostverlorenvaart gaf veel overlast – moest gezocht worden in verbranding. De bewering van Stadsreinigingsdirecteur Jacobus François de l’Espinasse,dat storten veel goedkoper was dan verbranden, klopte niet. Thijsse en Heimans fulmineerden tegen het voorstel, elk in zijn eigen natuurrubriek, in het Algemeen Handelsblad respectievelijk De (Groene) Amsterdammer.

Op de beslissende raadszitting op 14 december 1904 werd met twee stemmen verschil de aankoop afgestemd. Financiële en hygiënische overwegingen – het vervoer en de watervuiling die het drinkwater uit de Vecht mogelijk in gevaar brachten – gaven de doorslag, natuurbehoud kwam niet te berde. Haast was geboden, benadrukte wethouder Cornelis Blooker, omdat de koopoptie eind dat jaar afliep, waarop een raadslid interrumpeerde met de opmerking: “Straks koopt Thijsse het.” En zo ging het inderdaad.

In februari 1905 schreef de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging allerlei organisaties aan om samen te werken in een actie om het Naardermeer te behouden. Zo kwamen op 22 april 1905 vertegenwoordigers van zeventien groeperingen en wat belangstellenden bijeen. Thijsse belichtte het doel van de bijeenkomst en na enige discussie viel het besluit om een onafhankelijke nieuwe vereniging te stichten.

f 155.000,-

De start van ‘Natuurmonumenten’ verliep moeizaam. Gelukkig kwamen er geen kopers opdagen toen in juni 1905 het Naardermeer in veiling kwam. Nu was het zaak om de aankoopsom bijeen te harken. Johannes Th. Oudemans, entomoloog (insectenkundige) en lector zoölogie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een wervende brochure en werd in december op de eerste algemene vergadering tot voorzitter gekozen. Bestuurslid Piet van Tienhoven stelde voor een hypothecaire lening uit te schrijven, die was al snel volgetekend en op 3 september 1906 droeg eigenaar jhr. Louis Rutgers van Rozenburg het Naardermeer voor f 155.000,- (ƒ 7000,- minder dan de gemeente Amsterdam had geboden) over aan de vereniging. De 3% rente werd gedekt uit de opbrengst van riet en pacht.

‘Vogelenpiet’ Van Tienhoven – zoon van oud-burgemeester Gijs van Tienhoven en assuradeur – en de tien jaar oudere Thijsse bepaalden daarna heel lang het gezicht van Natuurmonumenten. De grootste geldschieters waren koffiehandelaar Carl Rehbock en Thijsses vriend Adolphe Burdet, en befaamd vogelfotograaf, die getrouwd was met de dochter van het puissant rijke echtpaar Van der Vliet-Borski.

De kring van natuurminnaars wist Jac. P. Thijsse flink uit te breiden door ‘zijn’ populaire Verkade-albums. Herhaaldelijk stak hij nog de loftrompet over de jonggestorven Eli Heimans, die overigens geen rol in ‘Natuurmonumenten’ heeft gespeeld. Heimans’ zoon Jacob, een bioloog, deed dat later wel. De Heimans en Thijsse Stichting beheert nu een bibliotheek en een archief op het gebied van natuurbehoud en -educatie en bekroont tweejaarlijks publicaties met een Bronzen Spreeuw. De stichting is gevestigd in het Hugo de Vries Centrum, vlak bij de Koningszaal van Artis, waar Natuurmonumenten werd opgericht.

Kader

Vogelrijk meer

Jac. P. Thijsse bezocht al in de jaren 1890 het vanwege zijn vogelrijkdom unieke Naardermeer. Soms nam hij Engelse vogelaars mee, op verzoek van Artis-directeur Coenraad Kerbert, zijn vroegere biologieleraar op de kweekschool. Kort na de oprichting van de Nederlandsche Ornithologische Vereeniging in 1901 stelde Thijsse die vereniging voor om het meer te kopen. Het werd als een utopisch plan afgedaan. Vijf jaar later was het moerassige meer behouden.

Beeld: Het Groote Museum in Artis is dezer dagen in verbouwing. Rechts de Koningszaal, waar Natuurmonumenten werd opgericht, midden de entree, links de Tijgerzaal. Fotograaf Henk Thomas

Marius van Melle

Aprilnummer 2020