In Engeland en Amerika is de naam van Anthony Trollope (1815-1882) nog steeds een begrip. Dit blijkt alleen al uit het feit dat er in de afgelopen tien jaar liefst vier biografieën over hem verschenen. Trollope was een kleurrijke figuur. Hij werkte bijna zijn leven lang bij de Engelse posterijen. Het was zijn grote verdienste dat hij daar de brievenbus introduceerde, waardoor je niet langer naar het postkantoor hoefde om je brief te posten. Er zijn schrijvers met een minder blijvende nalatenschap.

Trollope publiceerde een kleine vijftig, veelal buitengewoon lijvige romans. Maar hij schreef ook reisverhalen en biografieën over William Thackeray, Cicero en Lord Palmerston. Hij haalde deze hoge productie door elke dag vroeg op te staan en al vóór zijn ontbijt enkele uren achter zijn bureau plaats te nemen. In zijn Autobiografieschrijft hij dat hij daarbij zijn horloge op tafel legde en zichzelf de eis stelde elk kwartier minstens 250 woorden te schrijven. Ook tijdens zijn vele trein- en bootreizen (als inspecteur van de posterijen moest hij regelmatig op pad) was hij voortdurend aan het schrijven. In een berucht geworden uitlating noemde hij het schrijverschap een ambacht dat te vergelijken is met dat van de schoenmaker, waarbij het er om ging zo zorgvuldig mogelijk het stiksel aan te brengen. Het deed zijn reputatie weinig goed bij mensen die een meer verheven visie op het schrijverschap hebben.

Trollope maakte zich nooit druk over de plot of de intrige. Een boek van Trollope moet je dan ook niet lezen om het verhaal maar om de karaktertekening, die altijd levensecht is. Zoals een Nederlandse recensent in 1870 constateerde: “In waarlijk zeldzame mate bezit Trollope de gaaf om zijne personen zoo aanschouwelijk voor te stellen, dat wij als met hen leven en denken en gevoelen, blij zijn wanneer ’t hen wèl gaat, droevig zoodra hun leed overkomt.” De romans spelen vaak in sociaal afgegrensde groepen, zoals zijn beroemde zesdelige reeks over het fictieve Engelse plaatsje Barchester. Hierin wordt met humor de geestelijkheid en de middenklasse van het Victoriaanse Engeland geschetst, waarbij de schrijver vooral aandacht voor de onderlinge ditjes en datjes die elk mensenleven kenmerken. In bijna alle romans van Trollope speelt verder de liefde een hoofdrol. Het zijn romantische verhalen waarin de jonge heldin allerlei maatschappelijke moeilijkheden moet overwinnen voordat zij met de man van haar dromen kan trouwen. Drakerige liefdesverhalen dus; geen wonder dat Trollope door de intelligentsia niet altijd serieus genomen werd. In De Gids werd Trollope ooit in de hoek gezet als een van die schrijvers “die de hoofden en harten vullen met onbeduidendheid en beuzelingen”, hoewel de recensent (Simon Gorter, de vader van de Tachtiger Herman Gorter) moest erkennen dat Trollope daarbij “een levendige stijl” hanteerde en dat zijn boeken “aangenaam genoeg geschreven zijn”.

Deze auteur met de vloeiende schrijfstijl kwam in 1862 op bezoek in Holland.

Humbug!

In de 19de eeuw was Nederland voor veel Engelsen geen vanzelfsprekende reisbestemming: het vlakke landschap vormde voor hen bepaald geen attractie. En Holland was voor hen ook niet zo makkelijk te bereiken. Trollope vertelt dat hij liefst achttien uur onderweg was, met de stoomboot van Londen naar Rotterdam: het waren “eighteen hours of steamboat misery”. Gelukkig lagen de plaatsen die hij tussen 13 en 23 september 1862 tijdens zijn korte tripje door Holland aandeed allemaal dicht bij elkaar: Rotterdam, Den Haag, Leiden, Haarlem en Amsterdam. Trollope was ook nog even in Broek in Waterland, een plaatsje dat toen blijkbaar al een onvermijdelijke trekpleister was voor elke toerist. Het viel hem enorm tegen. Hij klaagt dat je er voorturend op sleeptouw wordt genomen door gidsen, die hij consequent weigerde te betalen. Ze zullen, zo vermoedt hij, wel boos op hem geweest zijn. Omgekeerd was Trollope boos op Broek. Het toeristische karakter irriteerde hem: allemaal humbug!

Over de Nederlanders wil hij ondertussen enkele vooroordelen wegnemen. Lang niet iedere Hollander blijkt een dronkaard of een moordenaar te zijn (de Nederlanders hadden blijkbaar nogal een reputatie in Engeland). En dik en plomp zijn ze ook niet allemaal. Eigenlijk lijken ze volgens Trollope opvallend veel op Engelsen, al zijn ze gemiddeld een stuk kleiner en hebben ze de absurde gewoonte om Franse hoeden te dragen. Trollope: “Put on his head a hat made in England, and you will take him for an Englishman a little undersized.”

Een andere eigenaardigheid ervaart hij als hij in de gereformeerde kerk een dienst bijwoont. De schrijver, die een aantal van zijn bekendste boeken liet afspelen in een milieu van geestelijken, vindt het merkwaardig dat alle mannen in de kerk hun hoed ophouden. En dat de vrouwen tijdens de dienst voortdurend op luide toon met elkaar zitten te kwekken. Trollope vindt de Nederlanders sowieso erg luidruchtig, zoals hij ook ervoer tijdens zijn bezoek aan de beurs en aan de kermis. Op de kermis maakten de Nederlanders zelfs tot diep in de nacht herrie, zonder overigens dronken te zijn. Trollope constateert het met nadruk. “Men and women with loud screams rushed hand in hand through the streets, catching excitement from each other, till they moved along with the fury of bacchanals. But yet there was no drunkenness; and as far as I could tell, no other evil was produced than nights made sleepless by noise and streets made impervious by crowds.”

Het land van Rembrandt

Het hoofddoel van Trollopes reis vormde de ook in het buitenland op dat moment al zeer vermaarde Nederlandse schilderkunst uit de 17de eeuw. Trollope bekijkt in Den Haag en Amsterdam de ook nu nog bekende werken: De Stier van Paulus Potter, Bartholomeus van der Helsts Schuttersmaaltijd, en een reeks van schilderijen van Gerard Dou, waarvan het Keukenmeisje op Trollope de meeste indruk maakte. De onverbeterlijke flirt Trollope schrijft dat alleen al dit bevallige meisje een bezoek aan Holland meer dan waard maakt. Van Rembrandt, de verpersoonlijking van de 17de-eeuwse realistische Nederlandse schilderkunst, noemt hij De anatomische les van dr. Tulp en, vanzelfsprekend, de Nachtwacht. Daarbij merkte hij wel op dat hij de Nachtwacht slecht belicht vond en op een onhandige plaats opgehangen. Het ‘Rijksmuseum’ was toen nog gevestigd in het Trippenhuis op de Kloveniersburgwal, door Victor de Stuers later in zijn beroemde artikel ‘Holland op zijn smalst’ gekarakteriseerd als een pakhuis met voorwerpen die “op de meest onpraktische wijze op elkaar gestapeld [zijn], geen ruimte, geen licht”. Ook de collectie zelf viel Trollope wat tegen. Diverse Engelse musea zouden meer en betere Hollandse meesters bevatten, waarbij hij onder andere Albert Cuyps Gezicht op Dordrecht noemt, in een privécollectie in Londen.

De 17de-eeuwse Nederlandse schilderkunst was beroemd om zijn huiselijkheid, eenvoud, eerlijkheid en burgerlijkheid. Dat zal ook precies Trollope hebben aangetrokken, die in zijn boeken immers ook bij voorkeur tafereeltjes uit het alledaagse leven schetste. Maar in zeker opzicht waren de Nederlandse meesters niet levensecht genoeg. De schuttersstukken van Van der Helst en van Rembrandt vond hij bijvoorbeeld te rommelig en te weinig samenhang vertonen. Op zichzelf waren de schutters ieder voor zich geslaagd als portret. Maar als compositie was het te veel een samengeraapt groepje. Een zelfde kritiek had hij op De anatomische les van Rembrandt.

In de draaimolen

Trollope bezocht Amsterdam zoals gezegd in de maand september. De doorgewinterde kermisliefhebber weet dat september de maand was van de Amsterdamse kermis. Over de 19de-eeuwse kermis – die altijd werd gehouden op de Botermarkt, het huidige Rembrandtplein - is reeds veel geschreven. Als bronnen worden meestal krantenberichten uit die tijd gebruikt, maar soms ook reisverslagen van buitenlandse bezoekers. Buitenstaanders zien vaak dingen die ons zelf ontgaan juist omdat ze zo gewoon en alledaags zijn.

In de 19de eeuw zag de kermis er heel anders uit dan wij nu gewend zijn. Je had nog niet de grote mechanische attracties, de botsauto’s en de goktenten. Wat had je wel? Trollope noemt als belangrijkste attractie de ambulante theatertjes in allerlei afmetingen, waarin toneelspelers hun kunsten vertoonden. Hij probeerde zo’n voorstelling bij te wonen, wat hem echter niet lukte omdat hij en zijn vriend, zijn collega bij de post John Tilley, als buitenlanders werden herkend al snel omringd werden door nieuwsgierigen. Trollope was dan ook een opvallende figuur met een rijzige gestalte en een markante baard, die bovendien bekend stond als een luidruchtig heerschap. In zijn reisverslag schrijft hij dat er voortdurend naar hem gestaard en over hem gefluisterd werd.

De tweede grote attractie van de kermis noemt Trollope de draaimolens, die - in vergelijking tot wat hij in Engeland gewend was - van enorme afmetingen waren. De houten paarden waren in groepjes van drie aan elkaar gezet, paarden, leeuwen en eenhoorns. Enigszins tot zijn verbazing moet hij constateren dat niet alleen kinderen in de draaimolen plaats nemen. Hij zag verschillende volwassen vrouwen van 25 jaar en ouder zorgeloos pret maken, de oudere vrouwen zogenaamd de kinderen begeleidend, “pretending to protect the children, but enjoying the motion with sober delight”. En Trollope zou Trollope niet zijn als hij op zijn beurt niet met die jonge leuke vrouwen zou willen meedoen. Zo zag hij een “demure Dutch damsel” (een ingetogen Nederlandse juffrouw) met wie hij wel één van de houten griffioenen had willen bestijgen. Maar het ontbrak hem aan durf haar te vragen.

Over de bezoekers van de Amsterdamse kermis zegt Trollope dat hem opviel dat bijna iedereen in streekdracht was. “The whole city was full of people in strange rural costumes, - the women wearing huge awkward gold ornaments upon their faces, broad pendants of gold hanging from machinery fixed carefully under their caps and round their heads, and bands of gold across their foreheads, - with high square-topped bonnets.” Het zijn de befaamde gouden oorijzers, gecomplementeerd met vierkanten mutsjes. Hij vond het merkwaardig dat Nederlandse vrouwen zich nog steeds in de dracht van hun grootmoeder wilden hullen. In Engeland waren de streekdrachten allang uitgestorven. Mogelijk ging het om bezoekers van buiten Amsterdam. Het is bekend dat de Amsterdamse kermis bezoekers uit de hele regio trok – tot Haarlem en Utrecht toe.

Ten slotte bezocht Trollope de Beurs van Zocher op de Dam, die hij ’s middags rond een uur of drie het boeiendst vond, want dan was de handel op zijn hoogtepunt. De finesses van het geroep en geschreeuw ontgingen hem echter totaal: “… why is it that they scream and yell as though all Pandemonium were unloosed, who can understand but they who are initiated?”

Foul of smells

Trollopes verslag geeft een aardig beeld van Amsterdam anno 1862. Hij noemt de stad pittoresk, maar hij staat ook versteld van de ongelooflijke herrie en de stank: “a city foul of smells,” schrijft hij in zijn reisverslag dat hij in The Cornhill Magazine liet afdrukken.

In Nederland weet ondertussen bijna niemand meer wie Trollope is. Alleen Maarten ’t Hart schijnt zijn verzamelde werken gelezen te hebben, waarvan hij op aanstekelijke wijze verslag doet in zijn essaybundel De som van misverstanden. Tijdens zijn militaire diensttijd moest hij elke dag twintig minuten heen en weer reizen tussen huis en kazerne. Hij berekende dat hij 300 dagen in de trein zou zitten en bij elkaar 12.000 minuten zou moeten opvullen met lezen. Hij zocht naar een schrijver die deze tijd kon volmaken en hij vond Anthony Trollope. ’t Hart schrijft dat hem tijdens het lezen met regelmaat de tranen over de wangen rolden van het lachen.

Toch zijn zijn romans – waarvan enkele met groot succes voor televisie zijn bewerkt - niet meer in het Nederlands verkrijgbaar. Zijn Autobiografie is nog wel leverbaar. En die is ook heel vermakelijk.

A. van der Zeijden is historicus en is werkzaam voor het Nederlands Centrum voor Volkscultuur.

Anthony Trollopes ‘My tour in Holland’ werd afgedrukt in The Cornhill Magazine van november 1862, blz. 616-622. Het tripje wordt kort vermeld in de biografieën van R.H. Super, The chronicler of Barsetshire. A life of Anthony Trollope (Ann Arbor 1988), blz. 151-152 en N. John Hall, Trollope. A biography (Oxford/New York 1993), blz. 245.