Historici lijken geen genoeg te krijgen van buurtwinkels: het Amsterdam Museum wijdde een tentoonstelling aan het fenomeen, terwijl Thimo de Nijs een zoektocht ondernam naar de geschiedenis van de ‘verdwenen middenstand’. Sociaaleconomisch historicus Clé Lesger zette de opkomst van de detailhandel in twee Amsterdamse wijken af tegen bestaande theorieën over de vestiging van winkels. Pioniers in nieuwe wijken zouden vooral levensmiddelen verkopen en te vinden zijn op hoofdstraten richting binnenstad. Pas later volgen verkopers van minder courante consumptieartikelen, zoals juweliers en boekhandelaren.
Tijdens de aanleg van de Pijp bleken in 1876 inderdaad bakkers, een grutter en een sigarenwinkel hun deuren te hebben geopend. Vier jaar later volgden manufacturiers en boekhandelaren. Opvallend genoeg waren er toen ook al winkels te vinden met bijou- en galanterieën, confectie en juwelen. Lesger verklaart hun aanwezigheid uit het gebrekkige openbaar vervoer: de eerste Pijpbewoners moesten een flink stuk lopen naar lijn drie om in de binnenstad te kunnen winkelen.
Anders dan de theorie wil hadden winkeliers zich lukraak verspreid over de Pijp. De wijk was niet aangelegd vanuit een stedenbouwkundig doordacht stratenpatroon en particuliere projectontwikkelaars volgden de bestaande agrarische verkaveling. Vooral de eerste straten, zoals de Jacob van Campenstraat, kenden relatief veel winkelpanden. Pas rond 1900 komt de Ferdinand Bolstraat naar voren als radiaalstraat met een voorname winkelfunctie. De opname in het tramwegnet was daarbij een grote impuls. Toen later ten zuiden van de Pijp de Rivierenbuurt verrees, werd ook de Van Woustraat een favoriete winkellocatie. Langs beide straten en de Ceintuurbaan verdreven winkels met duurzamere consumptiegoederen de aanbieders van dagelijkse boodschappen.
Sommige woningbouwverenigingen konden voorkomen dat er winkels kwamen in hun voor woonruimte bestemde panden. Ook in de deftige Vondelbuurt bleef het winkelaanbod aanvankelijk beperkt: de P.C. Hooftstraat was nog een typische woonstraat. Vanzelfsprekend kochten de welgestelden aldaar meer luxe levensmiddelen dan de paupers in de Pijp en was er behoefte aan damesconfectie, bontwerken en lingerie.
CLÉ LESGER, DE KOLONISATIE VAN NIEUWE WIJKEN. STADSUITBREIDING EN HET VESTIGINGSPATROON VAN DE DETAILHANDEL IN AMSTERDAM (1875-1930), JAARBOEK AMSTELODAMUM 102 (2010) 86-119.

Maarten Hell

Juli/augustus 2011

Beeld: Rechts: ingang Van Ostadestraat met nr. 97; DRO-opname ivm vernieuwingsplan De Pijp; gezien naar ingang Ceintuurbaan (links), 13 september 1960. Collectie Beeldbank Archief Amsterdam.