Tafeltennis gaf in Nederland een vroeg teken van leven op 17 januari 1902: in Het Sportblad. Officieel orgaan van den Nederlandschen Voetbalbond verscheen een advertentie voor ‘ping-pong’-tafels van de Londense sportartikelenfabrikant George Bussey. Het duurde nog tot de jaren twintig voordat het spelletje populair werd, het eerst in Amsterdam. In december 1927 ontstond hier AMVJ Tafeltennis, de eerste en oudste tafeltennisclub van Nederland. In 1930 organiseerde AMVJ een toernooi met 80 deelnemers, onder wie twaalf vrouwen; in dat jaar ontstond ook de Amsterdamse Ping Pong Bond, later veranderd in Amsterdamse Tafel Tennis Bond. De Amsterdamse kampioenschappen groeiden in 1935 uit tot de Nederlandse kampioenschappen. Twee AMVJ-ers speelden de finale; Wim Groenendijk won.

Twee Amsterdammers hebben daarna de geschiedenis van het Nederlandse tafeltennis gedomineerd: Cor du Buy en Bert Onnes. Du Buy (1921-2011) werd in 1999 uitgeroepen tot beste Nederlandse tafeltennisser van de 20ste eeuw. Hij was in de jaren veertig en vijftig jarenlang bijna onverslaanbaar in eigen land en daarnaast een markant zakenman. Hij geldt bovendien als de ontdekker van Bert Onnes (1938-2018), die 24 nationale kampioenschappen zou behalen.

Eindeloos oefenen

Cornelis (Cor) du Buy kwam ter wereld aan de Nassaukade in Amsterdam, een nazaat van uit Noord-Frankrijk afkomstige Hugenoten. Als jongen voetbalde hij bij AFC. Bij clubavonden in Café Esser aan de Koninginneweg maakte hij kennis met tafeltennis: daar stond een groene, gammele, levensgrote pingpongtafel. Cor was direct verkocht. Voor zijn 14de verjaardag kreeg hij van zijn vader Cor sr., een zakenman, een eigen tafeltennistafel. Uren- en dagenlang oefende hij op zolder, met zijn vader, met vriendjes of solo. Hij begon bij Amudo, de jeugdvereniging van AMVJ, later speelde hij voor Kunst, Kennis en Kracht (KKK) en Sparta. Met die laatste twee clubs werd hij meerdere keren clubkampioen van Nederland.

Vijftien jaar oud speelde hij zijn eerste van in totaal 93 interlands; als zestienjarig jochie met stalen brilletje veroverde hij in 1937 voor het eerst de Nederlandse titel in het herenenkelspel. Vele volgden; de negende en laatste in 1955. Ook werd hij achtmaal Nederlands kampioen in het herendubbel en vijf keer in het gemengd dubbel, en won hij vijftien keer de NTTB-Cup, nog steeds een record.

Nadat Cor du Buy in 1938 voor de tweede keer Nederlands kampioen in het herenenkelspel was geworden, begon hij op aanraden van zijn vader met zijn oudere broer Jaap een bedrijfje in tafeltennisartikelen in de ouderlijke woning aan de Johannes Verhulststraat. Hij was toen zeventien jaar en zat nog op de hbs. Hij importeerde balletjes uit Duitsland waarop hij zijn naam stempelde. Met batjes en balletjes in zijn fietstas ging hij langs verenigingen en sportwinkels, terwijl broer Jaap fungeerde als agent van het bedrijfje. De verkoop liep uitstekend. Na de bevrijding gingen de broers zelf tafels maken, van hout uit Finland, in een houtwaren- en timmerfabriek in de Korte Korstjespoortsteeg en vanaf 1948 in een fabriek in Culemborg.

Cor du Buy verkocht het bedrijf in 1946 aan zijn broer. Cor bleef het visitekaartje, Jaap maakte het bedrijf groot. De naam Du Buy werd een begrip tot ver buiten de landsgrenzen. Het beste jaar was 1979 – Jaap had zich inmiddels ook teruggetrokken uit de zaak – met honderd personeelsleden en een omzet van ongeveer f 20 miljoen. Twee jaar later ging het bedrijf failliet. Nog steeds wordt er op allerlei plekken in de wereld op oude Cor du Buy-tafels gespeeld en kennen velen zijn de naam, vooral dankzij de letters op de tafels.

Jaap Edenbaan

Tijdens de sportieve loopbaan van Du Buy groeide het aantal tafeltennissers in Nederland explosief: in 1937 telde de Nederlandse Tafel Tennis Bond ongeveer 2000 leden, in 1955 meer dan 15.000. Overal in het land – in jeugdhonken, kazernes, gevangenissen en in De Bijenkorf – speelde hij demonstratiewedstrijden. Soms zat hij dan op een stoel, terwijl zijn tegenstanders heen en weer renden. Eind jaren vijftig vertoonde Cor du Buy zijn kunsten zelfs in Amerika en trad hij met andere tafeltenniscoryfeeën op in het voorprogramma van de basketballers van de Harlem Globetrotters. Demonstratiepartijen van de Amsterdammer met de viervoudig wereldkampioen Richard ‘Ricky’ Bergmann waren te zien bij ontbijtshows op Amerikaanse tv-zenders.

In 1955 hield hij ermee op: “Anders gaan ze straks nog zeggen: daar heb je grootvader Du Buy ook weer.” Drie jaar later werd hij lijstaanvoerder van een nieuwe politieke partij: het Sociaal Verband en Sportbelangen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar kreeg de partij 10.438 stemmen, genoeg voor een zetel. De ex-tafeltennisser was opeens raadslid. Hij zette zich vooral in voor meer en betere sportaccommodaties, want daaraan was een nijpend tekort; de aanleg van de Jaap Edenbaan gold als zijn grootste politieke succes. In 1960 emigreerde Du Buy met zijn gezin naar Australië, maar in 1962 was hij alweer terug, en werd vervolgens actief als bondscoach, als vertegenwoordiger voor de sportartikelenfabrikant Puma en als initiatiefnemer van het jaarlijkse Parooltoernooi voor recreatieve pingpongers in Amsterdam. Ook exploiteerde hij samen met zijn vrouw Carla en zoon Michiel een tennispark in Bergen.

Backhand

De ‘beste Nederlandse tafeltennisser van de 20ste eeuw’ was ook de ontdekker van het ‘grootste Nederlandse tafeltennistalent ooit’, de al even legendarische Bert Onnes. Onnes was een kleurrijke en rebelse sportman, met een backhand van fluweel, maar ook buitengewoon eigengereid. Hij lag voortdurend met iedereen overhoop: met de bond, met scheidsrechters, tegenstanders en ploeggenoten.

Tafeltennissen leerde hij samen met zijn oudere broer Hans in het Tafeltennis-Instituut van Cor du Buy aan de Lijnbaansgracht 241, tegenover melkfabriek De Eendracht (nu poppodium de Melkweg). In 1955 brak hij als 16-jarige door op het wereldkampioenschap in Utrecht. Hij versloeg drie topspelers uit Frankrijk, bereikte de achtste finales en was prompt de lieveling van het publiek. Er stond een speciale prijs klaar voor de beste Nederlandse prestatie: een Olivetti-typemachine. Die kwam hem toe. Maar toen hij liet doorschemeren het apparaat te willen verkopen, schonken de bondsbestuurders het apparaat aan zichzelf (de bond), vanwege de uitstekende organisatie van dit WK. Onnes was not amused. Het akkefietje was het eerste in een lange reeks van conflicten met de NTTB.

In die jaren was Sparta – de vereniging van Cor du Buy – de sterkste tafeltennisclub van Nederland. Toen Du Buy in 1960 naar Australië emigreerde en zijn Tafeltennis-Instituut sloot, zat Sparta zonder accommodatie. De club hief zichzelf op. De broertjes Onnes en topspelers als Paul Gimbel, Erik Goudsmit, Mauri Coltof en Arnout Claessens vonden onderdak bij AMVJ.

Van 1956 tot en met 1965 grossierde Bert Onnes in nationale titels. Hij won zeven titels in het enkelspel, behaalde acht keerde de titel in het dubbelspel en werd negenmaal de beste in het mixed dubbel. Vijf keer ging hij ervandoor met alle drie de nationale titels. Hij speelde bovendien 78 interlands en tafeltenniste op drie EK’s en vier WK’s. Tegen de Japanse en de Chinese topspelers kon hij niet op, mede wegens gebrek aan trainingsuren.

Bloedneus

Onnes was een spectaculaire speler. Hij speelde “tafeltennis zoals Onze Lieve Heer het bedoeld had”, schreef journalist Ad van Liempt eens. “De mooiste backhand uit de geschiedenis van het tafeltennis. Een polsbeweging zo flitsend dat geen tegenstander er een antwoord op had. Hij schoot, met zijn backhand, uit de heup. Het is de moeilijkste slag die er bestaat [...]. Onnes had zo’n formidabel balgevoel en zo’n gepolijste techniek dat de kenners hun handen stuk klapten: het was tafeltennis van een andere planeet.” De overlevering wil dat Onnes wel eens een oefenpotje speelde met een sigarettenpeuk in de rechterhand en alsnog won.

Bij AMVJ had hij als teamgenoten Paul Gimbel en Mauri Coltof. De club werd tussen 1961 en 1964 vier keer achter elkaar nationaal kampioen. Het was een tijd vol avonturen. Coltof: “Wij waren jonge honden, en allemaal aan de drank.” AMVJ speelde in 1962 voor de Europacup in Belgrado tegen de Joegoslavische kampioen Partizan. De treinreis naar Belgrado duurde lang, de reservespeler Gerrit Horlings sliep in het bagagenet, maar de vermout kostte slechts een kwartje en er was damesgezelschap in de coupé. Onnes kreeg als gevolg van royale drankinname een bloedneus tijdens de wedstrijd, die dan ook met 5-1 verloren ging. Coltof en Onnes kregen ruzies die zo hoog opliepen dat het AMVJ-bestuur Onnes uiteindelijk uit de ploeg zette.

Bert Onnes nam nooit een blad voor de mond en lag voortdurend met de tafeltennisbond overhoop. Hij protesteerde tegen nieuwe service-regels, hij weigerde bij internationale wedstrijden in de bondsoutfit te spelen, enzovoort. Voor straf werd hij in 1965 niet uitgezonden naar de wereldkampioenschappen van 1965 in Ljubljana. Hij schreef zich als individuele speler in, maar de bond weigerde die inschrijving te bevestigen. Onnes spande een kort geding aan, dat hij verloor. De bondsvoorzitter zei dat hij hem nooit meer in een nationaal team zou opstellen: “Bert Onnes staat altijd klaar met een grote mond. Hij weet alles beter dan de anderen.”

Blessure

In 1968 kreeg hij last van een slepende blessure aan zijn linkerarm en was hij lang uit de roulatie. Onnes leidde enige tijd een tafeltennisschool in Amsterdam. Hij keerde terug op het hoogste niveau, maar kampioen werd hij nooit meer. Hij ging werken als sportinstructeur bij diverse clubs en bij de Vrije Universiteit. Ook was hij korte tijd bondscoach. In zijn nadagen speelde hij ‘semiprofessioneel’ voor clubs als Maasbree, Wibats (Den Haag) en Steeds Hoger/TBS (Rijswijk).

In 1975 stopte hij resoluut met tafeltennis en deed hij zijn medailles en bekers de deur uit. Thuis in de Bellamystraat kwam een snookertafel. De liefde voor die sport droeg hij over aan een van zijn zoons, René, die een begenadigd snookerspeler werd. Bert Onnes werd steeds meer een einzelgänger, met periodes van drank en drugs. Hij kreeg darmkanker en een hersenbloeding en overleed in 2018, toch nog tachtig jaar oud. Tafeltennisjournalist Ted van der Meer vergeleek hem met de legendarische schaker Bobby Fischer: “Absoluut briljant, maar tegelijk krankzinnig.”

WILFRED VAN BUUREN IS HISTORICUS MET ALS SPECIALISATIE SPORTGESCHIEDENIS EN SPORTERFGOED.

kader

Solidair met Joodse medespelers

Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerden Cor en Jaap de Buy en enkele andere spelers op het NK van 1941 uit te komen, omdat Joodse tafeltennissers waren uitgesloten. Een week eerder had het hoofdbestuur van de Nederlandse Tafel Tennis Bond (NTTB) bekend gemaakt dat die beter niet mee konden doen. Op dat moment had de Duitse bezetter nog niet aan Joden de toegang tot sportfaciliteiten verboden. (Die maatregel kwam later in hetzelfde jaar.) Vóór het kampioenschap ontving vader Du Buy een telegram van bondsvoorzitter Johannes Lambertus Hiemstra, waarin hij aanraadde dat zijn beide zoons beter wel konden spelen, anders zou er wel eens een “reisje oostwaarts” kunnen volgen. Alle spelers bleven bij hun beslissing.

Dit artikel stond in het Septembernummer 2019.

Beeld: Toernooi in de grote zaal van het AMVJ-gebouw aan het Leidsebosje (vermoedelijk 1930).