De sociale en culturele projecten waarbij Christiaan Pieter ‘Piet’ van Eeghen betrokken was vormen een onwerkelijk lange lijst. Hij was initiatiefnemer van het Prinsengrachtziekenhuis en de opvang van ‘Gevallen vrouwen en verwilderde jongens’, hij investeerde in sociale woningbouw via de Vereeniging ten Behoeve der Arbeidersklasse, en hij was mede-oprichter van het Vondelpark, het Stedelijk Museum en de Vereniging Rembrandt.

Mede dankzij Van Eeghen is de collectie Van der Hoop voor de stad behouden, met topstukken van Rembrandt en Vermeer, net als de grote schilderijen van het Chirurgijnsgilde. Hij stond aan de wieg van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (KOG), en hij heeft zich zeer ingespannen in de commissie die de komst voorbereidde van een nieuw Nationaal Museum, het Muzeüm Koning Willem I, waar nationale en Amsterdamse kunstschatten eindelijk een fatsoenlijke plaats zouden kunnen krijgen.

Kunst was voor Van Eeghen niet wezenlijk anders dan ziekenzorg, woningbouw of natuur: op al deze terreinen wilde hij de toegankelijkheid vergroten. Alle burgerinitiatieven op museum- en kunstgebied in 19de-eeuws Amsterdam waren met elkaar verweven en in dat complexe web was Van Eeghen de machtigste spin.

Moderne kathedraal

In 1874 kwam eindelijk de toezegging voor de bouw van een nieuw Rijksmuseum, op een plek die Van Eeghen had voorgesteld, vlak bij het Vondelpark, de plaats waar het uiteindelijk verrees en nog steeds staat. Toen duidelijk werd dat het gebouw er zou komen, besloot Van Eeghen te beginnen aan een volgend ambitieus project: bij een moderne hoofdstad hoorde een museum voor eigentijdse kunst, het statussymbool bij uitstek voor de 19de-eeuwse stad. Zo’n moderne kathedraal wilde Van Eeghen oprichten in Amsterdam.

Dit nieuwe burgerinitiatief kreeg de onuitsprekelijke naam ‘Vereeniging tot het Vormen van eene openbare verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam’ (VVHK). Van Eeghen was een man van weinig woorden, maar dat gold niet voor de namen van zijn verenigingen. De VVHK stond al snel bekend als de Vereeniging met de Lange Naam.

De oprichtingsvergadering van de Vereeniging met de Lange Naam was op 18 april 1874 bij Van Eeghen thuis. Hij was op dat moment een van de belangrijkste verzamelaars van eigentijdse, romantische kunst in Nederland. Zijn huis aan de Herengracht hing er vol mee. Qua thematiek was hij niet kieskeurig: hij verzamelde landschappen, zeegezichten, stadsgezichten, stillevens, historiestukken, tafereeltjes uit het dagelijks leven en religieuze voorstellingen, zoals het beroemde schilderij Maria Magdalena door Ary Scheffer. Hij bezat ook werken van andere bekende Nederlandse kunstenaars als Cornelis Springer, Nicolaas Pieneman, David Bles en Johannes Bilders.

Hoofdstedelijke trots

Van Eeghen had negen vrienden uitgenodigd die met hem ten minste twee eigenschappen deelden: ze hielden van moderne kunst en ze hadden veel geld. Dit gezelschap was de Gouden Bocht waardig. De meeste mannen kenden elkaar al jaren. Carl Becker, Claude August Crommelin en Josua van Eik waren tien jaar eerder al betrokken bij de oprichting van het Vondelpark. Leonard Marius Beels van Heemstede was zowel betrokken bij de oprichting van het KOG als bij de voormalige museumcommissie, waar Johan Carl Zimmerman secretaris van was geweest.

Andere directe werkconnecties van Van Eeghen waren Albertus Ravesteijn en Willem Hendrik de Vos, beide verzekeraar van beroep, en Hendrik Jan de Marez Oyens van het bekende bankiersgeslacht. De tiende oprichter van de VVHK was Cornelis Marinus van Gogh, die als kunsthandelaar het meest directe belang bij een museum had. Hij was een oom van de toen nog onbekende Vincent.

Van Eeghen nam als eerste het woord. Hij zei dat hij het al jaren betreurde dat Amsterdam geen stedelijke verzameling van eigentijdse kunst bezat. Hij wees erop dat kleinere steden als Dordrecht, Rotterdam en Den Haag wél zo’n museum bezaten. Amsterdam liep opnieuw achter; de hoofdstedelijke trots was in het geding. Vandaar dat Van Eeghen de aanwezigen had uitgenodigd met de vraag om de krachten te bundelen en ‘door samenwerking van eenige kunstvrienden, gerugsteund door het groote publiek, langzamerhand eene “Stedelijke Verzameling van Hedendaagsche Kunst” in het leven te roepen’.

Oudemanhuispoort

Het zou als vanouds een project vóór Amsterdammers, dóór Amsterdammers worden. Samen met kunsthandelaar Van Gogh had Van Eeghen al voor de vergadering een lijst van zo’n honderd potentiële donateurs opgesteld. De nog te verwerven kunstwerken moesten op termijn een plek krijgen in het Rijksmuseum, maar zolang dat nog niet af was moesten ze op tijdelijke tentoonstellingen in de Oudemanhuispoort en Arti et Amicitiae aan het grote publiek worden vertoond.

Binnen een half jaar hadden de mannen 7500 gulden opgehaald, genoeg om twee schilderijen te kunnen kopen. De eerste aankoop van de VVHK was een schilderij van Cornelis Springer, dankzij zijn realistische stadsgezichten een van de populairste Amsterdamse kunstenaars van dat moment. Het aankoopbedrag van Het stadhuis in Keulen was relatief hoog: 6500 gulden.

Haagse School

Vervolgens kocht de VVHK voor 775 gulden een wat kleiner werk van Johan Conrad Greive, een kunstenaar die bekend stond om zijn landschappen en stadsgezichten. Ook van hem bezat Van Eeghen een schilderij. De vereniging koos voor: Gezigt op het IJ vóór Amsterdam, een toepasselijk thema voor Amsterdamse verzamelaars. Na deze aankopen was de kas zo goed als leeg, maar de vereniging had zichzelf wel op de kaart gezet.

In de jaren daarop groeide de collectie van de VVHK gestaag. De vereniging verwierf vooral schilderijen van gearriveerde Nederlandse levende meesters. De collectie werd al snel een begrip, maar was niet erg vernieuwend. Dat was ook niet het doel van de vereniging. De bestuurders volgden hun eigen smaak en namen weinig risico in hun aankopen. Elke aankoop was een investering in de toekomst, dus daar mocht niet lichtzinnig over besloten worden. Pas na veel discussie kocht de vereniging in de jaren 1880 een aantal schilderijen van de door het impressionisme geïnspireerde Haagse School. Bestuurslid Van Gogh zorgde er niet voor dat de vereniging investeerde in de gewaagde schilderijen van zijn neefje.

Twee zalen

In 1879 kreeg de VVHK een zaal aangeboden in het Panoramagebouw, een groot, rond gebouw met koepel dat op dat moment in de Plantage verrees, maar dat was de vereniging niet deftig genoeg. Het doel was een apart Modern Museum binnen het nieuwe Rijksmuseum. De VVHK wachtte daarom rustig tien jaar in de Oudemanhuispoort, die inmiddels grotendeels door de universiteit in gebruik was genomen, tot de opening van het Rijksmuseum.

Dat moment brak eindelijk aan in 1885. In het nieuwe Rijksmuseum aan de Stadhouderskade kwamen verschillende collecties van het Rijk samen, maar ook het Museum Van der Hoop en een groot deel van de (kunst)historische collectie van de hoofdstad. Ook de nog altijd particuliere verzameling van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap verhuisde als bruikleen naar de monumentale nieuwbouw van Pierre Cuypers. Tot slot kreeg de Vereeniging met de Lange Naam twee zalen in het nieuwe museum tot haar beschikking.

Van Eeghen was zo verstandig geweest om voor de verhuizing van de collectie een aantal voorwaarden te stellen, want eenmaal ondergebracht in het Rijksmuseum viel de samenwerking niet mee. De VVHK had veel minder te zeggen over de inrichting van de zalen dan haar lief was, bovendien groeide met iedere nieuwe aanwinst van de vereniging het ruimtegebrek in het museumgebouw. Ze probeerde nog een extra zaal te krijgen, maar tevergeefs.

In het verenigingsverslag van 1889 vroeg het bestuur van de VVHK zich openlijk af ‘of niet het belang zoowel van het Rijk als van de Gemeente zou medebrengen, om spoedig een nieuw Museum, ditmaal uitsluitend voor Moderne Kunst, op te richten of althans krachtig te bevorderen’. Op 25 oktober van datzelfde jaar overleed Piet van Eeghen, op zijn drieënzeventigste verjaardag. Een jaar later liep de bruikleenovereenkomst met het Rijksmuseum af en dat maakte de weg vrij voor de bouw van een eigen museum voor deze moderne collectie: het Stedelijk Museum.

De eerste aanzet daartoe kwam van een andere rijke burger: Sophia Adriana Lopez Suasso-de Bruijn. Zij was weduwe van de steenrijke Joodse jonkheer Augustus Pieter Lopez Suasso. Lopez Suasso-de Bruijn was geen lid van de VVHK, maar ze was wel een verzamelaar. Bij haar dood liet ze haar verzameling, vermogen en huis na aan de gemeente, onder de voorwaarde dat deze er een museum van zou maken. De gemeente wilde dit legaat wel accepteren, maar vond haar woonhuis aan de Kloveniersburgwal niet erg geschikt als museum.

Amsterdams Historisch Museum

De doorbraak kwam in 1890 dankzij de indrukwekkende erfenis van Piet van Eeghen zelf. Volgens zijn wens schonken de kinderen zijn kunstcollectie aan de stad. Het ging om 115 schilderijen, ruim 800 prenten en tekeningen van Jan en Caspar Luyken en drie kleinere verzamelingen van tekeningen en prenten, van respectievelijk William Hogarth, Ary Scheffer en Sir David Wilkie. Daarnaast schonken ze uit de erfenis honderdvijftigduizend gulden (omgerekend ruim twee miljoen euro) voor de bouw van een nieuw museum.

Toen kon de gemeente echt niet meer terug. Stadsarchitect Adriaan Willem Weissman kreeg de opdracht. In 1895 opende het Stedelijk Museum zijn deuren, tien jaar na het Rijksmuseum. Weissmans ontwerp oogde niet erg vernieuwend, maar het ging er om wat er achter de gevel te zien was: moderne kunst, die hoorde bij een moderne metropool.

Zonder de Vereeniging met de Lange Naam was het Stedelijk Museum er niet gekomen, in ieder geval niet in 1895. Datzelfde geldt voor het Amsterdams Historisch Museum, dat in 1926 werd opgericht in de Waag als afsplitsing van het Stedelijk Museum. Daar kwam uiteindelijk de kunstcollectie van Van Eeghen terecht.

Dit is een bewerking van een hoofdstuk uit Geld, geloof en goede vrienden. Piet van Eeghen en de metamorfose van Amsterdam 1816-1889 door Laura van Hasselt (2023).

Header: Christiaan Pieter van Eeghen tussen 1880 en 1890 / Wegner & Mottu, Rijksmuseum