Peter Pontiac was een geboren tekentalent en autodidact. Als middelbare scholier tekende hij op verzoek van klasgenoten blote vrouwen, voor een gulden of twee. Omstreeks zijn achttiende begon hij illustraties en strips te publiceren in magazines als Aloha (eerder Hitweek), Tante Leny Presenteert, Modern Papier en de muziekbladen OOR en Rolling Stone. Tot zijn vroege werk behoren tevens de omslagen voor bootleg-songbooks, illegale gestencilde uitgaven van teksten van popsongs. Voorop prijkten Pontiacs tekeningen van The Velvet Underground of Frank Zappa. Vanaf 1975 kreeg hij bredere bekendheid dankzij de Muziek Expres, dat elke maand opnieuw zijn kleurrijke prenten van popsterren paginagroot achterop plaatste.

Kraakpand

Pontiac werd in 1951 in Beverwijk geboren als Petrus Pollmann, de oudste zoon in een katholiek gezin met vijf kinderen, en groeide op in Haarlem. Hij trok in bij een hippiecommune in Leiden en als twintiger kwam hij vervolgens in Amsterdam te wonen, veelal op tijdelijke adressen. Rond 1982 woonde Pontiac in het Zebrahuis, de zwart-wit beschilderde kraakpanden aan de Sarphatistraat.

De panden hadden veel aanloop van jonge punkertjes en verslaafden, die de nodige problemen met zich meebrachten. De laatsten werden geweerd onder het motto: ‘Punks, no junks!’. Maar ook Pontiac was verslaafd aan harddrugs. Vanaf zijn negentiende gebruikte hij vijftien jaar lang opium, cocaïne en heroïne. Voor hem werd een uitzondering gemaakt, zo besloot de huisvergadering. ‘Op grond van zijn talent’, aldus kunstenaar Hugo Kaagman, bewoner van het eerste uur. ‘Pontiac had geen uitkering, stal niet, werkte voor zijn brood en zijn tekenwerk was van hoge kwaliteit.’

In zijn tekeningen en interviews was Pontiac openhartig over zijn drugsgebruik: ‘Het had (aanvankelijk) nog iets romantisch, scoren in de Binnen Bantammerstraat bij ouwe Chinese mannetjes, die het zelf ook gebruikten. Ze vonden het heel grappig dat er blanke jongens waren die opium gebruikten.’ Terugkijkend in 2011 concludeerde hij: ‘Ik heb de beste jaren van mijn leven verpest.’

Stripwinkel Lambiek

Het jaar 1984 was een keerpunt. Pontiac ontvluchtte Amsterdam, wist af te kicken en vond rust in lommerrijk Bussum, zijn relatie met vriendin Ipie en de geboorte van hun dochter. Het gezin woonde vervolgens bijna vijfentwintig jaar in Bussum, in villawijk het Spiegel. Achteraf kan verondersteld worden dat het Pontiac voor een vroege dood behoed heeft. Volgens kunstenaar Willem de Ridder, voor wie Pontiac veel illustraties heeft gemaakt, was Bussum ‘de slaapkamer van Amsterdam’.

Voor openingen van exposities en voor vrienden en collega’s kwam Pontiac wel terug naar de stad. Doorgaans was dat bij stripwinkel Lambiek in de Kerkstraat, het honk waar hij en veel andere kunstbroeders een warm onthaal kregen bij eigenaar Kees Kousemaker. Hij werd de officieuze huistekenaar van de zaak.

Bij het twintigjarig bestaan van Lambiek in 1989 vervaardigde Pontiac een tweetal vogelvluchtplattegronden boordevol komische details. De ene geeft het interieur van de winkel weer, de andere de plattegrond van het centrum, waarboven Lambik als naamgever van de winkel met bolhoed en pintje op een torenhoge stapel stripalbums zit. Na het klaren van de dubbele titanenklus verzuchtte Pontiac: ‘Dit doe ik nooit meer.’

Een paar jaar later overtrof hij zichzelf met een nog uitgebreidere stadsplattegrond, niet minder rijk aan details: de grimmige vogelvluchtkaart getiteld Junkie Mokum. Pontiac vervaardigde hem voor stichting Mainline, een belangenvereniging voor mensen die drugs gebruiken.

Indianenopperhoofd

Begonnen in de marge van de samenleving en de underground ging Pontiac meer en meer illustraties maken voor officiële opdrachtgevers als NRC, Algemeen Dagblad, Vrij Nederland, de VPRO-gids en de Uitkrant. Zijn tekentalent werd ook door het establishment erkend en geprezen. In 1997 ontving hij de Stripschapprijs voor zijn gehele oeuvre en in 1998 de Professor Pi-illustratorprijs van de stad Amsterdam.

Was de naam Pontiac een begrip geworden – met voor sommigen een cultstatus – de familienaam Pollmann was zo goed als vergeten. Begin jaren zeventig had Peter als aankomend kunstenaar voor het pseudoniem Pontiac gekozen. Niet zozeer naar het Amerikaanse automerk, maar eerder omdat Pontiac de naam was van een indianenopperhoofd, een befaamd leider van een opstand in de achttiende eeuw. Pollmann klonk hem te Duits in de oren; zijn vader was fout in de oorlog – goed fout, zogezegd: oorlogsverslaggever aan het Oostfront. In het boek Kraut uit 2000 verhaalt Pontiac de bizarre levensloop van Pollmann sr. Kraut werd alom zeer geprezen. Het was de eerste graphic novel in Nederland.

Doorleefde persoon

In hetzelfde jaar vierde het GVB zijn honderdjarig jubileum. Er was een feestelijke optocht van oude trams en bussen, en personeelsleden en relaties kregen een grote doos cadeau. Het jubileumgeschenk bevatte behalve het obligate jaarverslag tien grote kleurrijke tekeningen, historische stadsgezichten met trams, bussen, ponten en metro’s uit vroegere tijden. De tekeningen waren vervaardigd door gerenommeerde striptekenaars, ook Pontiac was van de partij.

Algemeen directeur van het GVB was destijds jonkheer André Testa, een flamboyante figuur, in de pers wel omschreven als ‘de kleurrijkste bobo van ons land.’ Tussen de in het grijs geklede stadshuisambtenaren viel hij op met zijn jasjes in bonte tweedruiten. Pontiac tekende hem op de vluchtheuvel naast de Stopera, in een jasje met Olivier B. Bommel-ruiten.

Testa was een zelfverklaard stripfanaat en fervent verzamelaar. Het GVB zetelde toen in het monumentale Scheepvaarthuis; in het rijkgedecoreerde directievertrek kwam Pontiac zijn prenten aan Testa tonen. In bruine Breitneriaanse tinten had hij een regenachtige Dam bij avond getekend, met paardentram en passanten. Testa herinnerde zich Pontiac goed: ‘Het was een beetje een doorleefde persoon. Dat kon je aan zijn gezicht zien.’

Burgemeester Van der Laan

Dezelfde indruk kreeg burgemeester Van der Laan in 2011. In dat jaar opende fietsverhuurbedrijf MacBike een nieuwe winkel aan het Waterlooplein. Medeoprichter Jos Louwman vroeg Pontiac een reclameplaat te maken, een stadsgezicht in frisse kleuren met de Westertoren en een grachtenbrug vol fietsers. Het tafereel hing uitgeprint op een groot doek opgespannen tussen steigerpijpen aan de wand.

Van der Laan kwam het onthullen, waarna burgervader en tekenaar door de rijwielverhuurder aan elkaar werden voorgesteld. De ontmoeting werd later door Pontiac in een strip weergegeven. In een gemeenschappelijke tekstballon delen Van der Laan en Pontiac dezelfde gedachte: ‘Wat ziet die man er grauw uit.’

De twee zieken bevroedden elkanders omineuze lot. Pontiac was al vele jaren clean, maar werd alsnog door zijn gebruikersverleden ingehaald. Rond 2010 was hepatitis C geconstateerd, waarschijnlijk een gevolg van het gebruik van vuile naalden. Hij kreeg bovendien met levercirrose te kampen.

Het was eveneens in 2011 dat Pontiac vereerd werd met de toekenning van de Marten Toonderprijs. Gefinancierd door het Ministerie van OCW was de oeuvreprijs voor striptekenaars niet minder prestigieus dan de P.C. Hooftprijs voor literatoren. De prijsuitreiking vond plaats in de Grote Kerk te Breda. Na de toespraken steeg er onder de gotische gewelven een groots applaus op. ‘Een ongelofelijke staande ovatie, heel langdurig. Meer dan ontroerend,’ weet striptekenaar René Windig nog.

Zesplankenkoorts

Inmiddels was Pontiac samen met zijn vriendin weer in Amsterdam gaan wonen, op een etage in Oud West. Alsof de duvel ermee speelde was hij met een groots project begonnen, een onderwerp dat hem al jaren fascineerde en hij evenzo lang voor zich uit had geschoven: een boek over de dood. Het had als werktitel ‘Styx of: De zesplankenkoorts’. Net als Kraut zou het een in hoge mate autobiografisch album worden, een hoogstpersoonlijk en onverbloemd verslag van zijn ziekte, behandelingen en spoedig naderende einde. Het werd een race tegen de klok. Pontiac overleed in 2015, in hetzelfde jaar verscheen Styx, postuum en onvoltooid.

Striptekenaar Typex (Raymond Koot) herinnert zich het levenseinde van zijn vriend Peter: ‘Hij is tenslotte in het OLVG overleden. We hebben vervolgens een nachtwake gehouden bij zijn kist, in zijn werkkamer in West. Het afscheid was in de Pacific in het Westerpark, het werd een rock en roll-feest, met bevriende bands die gratis kwamen spelen. De kist stond aan de zijkant opgesteld. Iedereen was er, honderden mensen. Er was muziek, er werd gedanst. Iedereen was dronken, het was een ontlading.’

De volgende dag werd Pontiac op Sint Barbara begraven. Op de houten grafstèle staat in hoogreliëf zijn schuilnaam rondom het logo van het gelijknamige automerk: de kop van het rebelse indianenopperhoofd.

Header: Tekenaar Peter Pontiac / Jos Lammers, Hollandse Hoogte, ANP