Schilder Carel Willink is begraven op begraafplaats Zorgvlied. Op de zwarte zerk van Labradorgraniet staat zijn naam in goudkleurige letters. En er staan nog twee namen op. Die van Sylvia Willink-Quiel, schilderes en beeldhouwster, Willinks vierde en laatste echtgenote. Van haar vermeldt de steen alleen haar geboortejaar, 1944, want zij is nog onder ons. De andere naam is die van Frieder Weissmann, ooit een wereldberoemd dirigent. Hoe kwam hij in het graf van Carel Willink terecht?

Ik zocht contact met Sylvia Willink, die enthousiast reageerde en me voorzag van talrijke foto- en geluidsbestanden. Op 23 januari 1893 werd in het gezin Weissmann in Langen, bij Frankfurt, een jongen geboren. Op de akte werd vermeld dat beide ouders van ‘Israelischer Religion’ waren en het kind als voornaam Samuel kreeg. Vader Ignatz Isidor Weissmann was leraar en chazzan, voorzinger in de Joodse gebedsdienst. Toen Samuel vier was verhuisde de familie naar Frankfurt, waar Ignatz chazzan werd aan de hoofdsynagoge, een functie die hij zou vervullen tot 1937.

Grammofoonplaten

Samuel studeerde aanvankelijk rechten aan de universiteit van Heidelberg, maar al spoedig vertrok hij naar München waar hij tot 1914 aan de universiteit de vakken filosofie, kunst- en muziekgeschiedenis volgde. Hij veranderde zijn voornaam in Friedrich of Frieder, niet alleen vanwege het alom aanwezige antisemitisme, maar ook vanwege zijn eigen afkeer van het culturele Jodendom in Oost-Europa, waar zijn ouders vandaan kwamen, en waar hij niets van moest weten.

In oorlogsjaar 1914 solliciteerde hij in Frankfurt naar een baan als concertdirigent, koorrepetitor en componist. Een lange reeks tijdelijke contracten als dirigent en repetitor zou volgen, tot hij in 1921 werd benoemd tot koorrepetitor en dirigent aan de Berlijnse Staatsoper.

In hetzelfde jaar begon Weissmanns samenwerking met het grammofoonplatenbedrijf van Carl Lindström, als huisdirigent voor de Lindström-labels Parlophon en Odeon. Tot 1933 zou hij er zo’n tweeduizend opnamen maken. Ondanks de tekortkomingen van de toenmalige techniek was er in de jaren twintig veel vraag naar orkestrale opnamen, en voor de registratie van klassiek repertoire was Weissmann in feite een pionier. De kwaliteit van de platen liet nog veel te wensen over en veel dirigenten moesten in de jaren dat de grammofoon nog in de kinderschoenen stond niets van dit medium weten.

Weissmann maakte met zijn Lindström-opnamen geschiedenis. Zo werden in 1923 met Weissman als dirigent, 32 jaar oud, voor het allereerst alle negen symfonieën van Ludwig van Beethoven opgenomen. Bij de Negende Symfonie moest worden afgezien van het slotkoor, omdat dit in de beperkte opnameruimte voor solisten, koor en orkest niet te realiseren viel. Zelfs met een gereduceerd orkest van dertig leden was het dringen geblazen.

Operettepotpourri

Met het orkest van de Berliner Staatsoper werd Weissmann voor Parlophon-Odeon verantwoordelijk voor het grootste deel van de klassieke opnamen in Duitsland. Hij begeleidde tal van zangers en zangeressen. De belangrijkste was wel Richard Tauber. Beroemd is de plaat waarop Tauber in duet met zichzelf Flüsterendes Silber, rauschende Welle zingt, opgenomen op 11 maart 1933.

Dankzij de grammofoonplaten, maar ook de vele radio-optredens rees de ster van Weissmann als topdirigent in heel Europa, de Verenigde Staten en in Zuid-Amerika. In de crisisjaren vanaf 1929 ging het echter ook met de platenindustrie bergafwaarts. Het zwaartepunt van de opnameactiviteiten verplaatste zich bij Lindström richting amusementsmuziek en Weissmann ging mee in die trend. Hij ging zich toeleggen op potpourri’s van operettes als Der Bettelstudent en Die Lustige Witwe en ‘karakterstukken’ als In einem chinesischen Tempelgarten.

Hij stelde een huisorkest samen dat de naam Wiener-Bohème Orchester kreeg. De opnamen met dit orkest van componisten als Johann Strauss en Franz Lehár bereikten hoge verkoopcijfers. Tot het beroepsverbod voor Joden van kracht werd dirigeerde Weissmann ook regelmatig de Berliner Philharmoniker, als tweede dirigent naast de grote Wilhelm Furtwängler.

Zwarte nazi-uniformen

Aanvankelijk hield hij zich niet bezig met Hitlers machtsovername. Dat zou snel veranderen: op een ochtend stond Weissmann voor zijn orkest en zag dat alle musici waren gekleed in zwarte nazi-uniformen. De concertmeester stelde Weissmann gerust: ‘Er verandert toch niets, alles blijft hetzelfde.’ Op 23 juni 1933 dirigeerde hij zijn Wiener-Bohème Orchester voor een opname getiteld Walzer auf Walzer.

Het zou zijn laatste plaatopname op Duitse bodem worden. Daags erna, op zaterdag 24 juni, begaf Weissmann zich naar het Anhalter Station. Om de schijn van een definitief vertrek te vermijden was hij met slechts wat handbagage van huis gegaan. Zijn drie honden had hij met pijn in het hart aan de zorg van zijn huishoudster toevertrouwd. Alles moest hij achterlaten, zijn riante huis, al zijn partituren, eigen composities, foto’s, dagboeken en persoonlijke herinneringen. Hij pakte de D-trein naar Amsterdam. Die avond arriveerde hij op het Centraal Station.

De Concertgebouwdirectie regelde meteen een woning voor hem, en concerten. Zo stond hij vijf dagen na zijn vlucht naar Nederland al met het Concertgebouworkest in de Rotterdamse Groote Schouwburg in een Verdi- en Puccini-programma. Op 24 november 1933 leidde Weissmann het orkest in het Concertgebouw in een programma met Brahms, Debussy en Wagner.

Nare berichten

Van 1934 tot 1937 had Weissmann een aanstelling als dirigent in Teatro Colón, in Buenos Aires, een van de belangrijkste operahuizen in de wereld. Elk seizoen leidde hij daar 56 radioconcerten. Hij kon zowel in Nederland als in Argentinië dirigeren, omdat de theaterseizoenen elkaar afwisselden. Hij verwierf het Argentijnse staatsburgerschap en in 1937 trad hij in het huwelijk met Rosita Chevallier-Boutell, een achternicht van Lord Kitchener. Vanaf 1937 dirigeerde hij in de Verenigde Staten onder meer het Cincinnati Symphony Orchestra en het New York Philharmonic Orchestra.

Uit nazi-Duitsland bereikten hem in die jaren nare berichten over de Jodenvervolging. In januari 1939, enkele maanden na de Kristallnacht, overleed zijn vader. Met hulp van de sopraan Ankie van Wickevoort Crommelin haalde Weissmann zijn moeder naar Amsterdam. Voor haar werd een huis geregeld in de Milletstraat.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak bevond de dirigent zich in Amerika. Het was zijn bedoeling zijn moeder naar de VS te laten reizen, maar dat kostte tijd. Die was er niet, want zijn verblijfsvergunning voor ons land was verlopen en werd niet meer verlengd. Voor zijn moeder kwam een uitreismogelijkheid te laat. Auguste Weissmann-Loeb werd in 1942 afgevoerd naar kamp Westerbork. Vandaar stuurde ze acht briefkaarten met korte berichten naar haar zoon, die hem pas lang na de oorlog bereikten. Haar laatste woorden waren ‘Keine Hoffnung auf wiedersehen’. Op 15 december 1942 werd zij in Auschwitz vermoord.

Jaren later ontmoette Frieder na afloop van een concert een dame die hem de wandelstok van zijn vader overhandigde. Die had zij in Auschwitz van een vrouw gekregen met het verzoek deze aan haar zoon, de beroemde dirigent Weissmann, te overhandigen.

Vader-dochter relatie

Na de oorlog keerde Frieder Weissmann regelmatig terug naar Nederland. Elk seizoen dirigeerde hij voor de AVRO. Hij was er een graag geziene en gehoorde gastdirigent. In 1958 leerde de toen veertienjarige Sylvia Quiel hem kennen in de RCA-manege aan de Amstelveenseweg. Zij raakten met elkaar in gesprek en er ontwikkelde zich een soort vader-dochter relatie, later een wat intiemere band. Wanneer Frieder in Nederland was zocht hij haar op en tijdens zijn concerttournees reisde Sylvia hem achterna, naar de meest uiteenlopende plaatsen.

In 1977 trouwde Sylvia met Carel Willink. Met Frieder ging het in die tijd niet zo goed: zijn vrouw Rosita overleed en zelf moest hij een operatie ondergaan. Van dirigeren kwam niets meer; tot overmaat van ramp kreeg hij een hersenbloeding. Sylvia zocht hem op in zijn buitenhuis in Ridgefield, Connecticut en bedacht ‘dat hij maar mee moest naar Amsterdam’.

In de museumbuurt vond zij voor Frieder een hotelkamer. Zij pendelde heen en weer tussen de beide tachtigers, Weissman en Willink. Na een hartaanval ging Frieders gezondheid verder achteruit; Sylvia wandelde elke dag met hem, gezeten in een rolstoel, door het museumkwartier.

Carel Willink werd op 22 oktober 1983 begraven op Zorgvlied. Drie maanden later, op 3 januari, stierf Frieder Wiessman in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, vredig in Sylvia’s armen. Van zijn gezicht en zijn rechterhand nam ze een dodenmasker af. Hij werd begraven in zijn dirigentenkostuum, met lakschoenen, en bovendien legde Sylvia in de kist de stok die zijn moeder in Auschwitz aan een medegevangene had overhandigd. De grafsteen werd door Sylvia ontworpen.

De Telegraaf meldde de begrafenis op 7 januari op de voorpagina: ‘Sylvia begraaft haar vriend’ (…) ‘Droeg zij in oktober vorig jaar haar 83-jarige echtgenoot, de bekende schilder Carel Willink ten grave, gisteren heeft zij haar tweede vriend, de hoogbejaarde West-Duitse dirigent dr. Frieder Weissmann ter aarde besteld.’