Paradiso werd vorig jaar nog altijd verkozen tot het beste poppodium van Nederland. En ook wereldwijd heeft de organisatie een naam hoog te houden. Bijna dagelijks komen er buitenlandse toeristen die nog even willen zien waar ze ooit die onvergetelijke avond hebben beleefd. Willem de Ridder, 40 jaar geleden een van de initiatiefnemers: “Ik ben trots dat ik betrokken ben geweest bij de oprichting en dat Paradiso nog steeds loopt als een trein. Het is een historische club.”
De beroemdste rij van de stad kronkelt meerdere keren per week over de Weteringschans. Er is opgetreden door talloze popsterren, onder wie Prince en U2, en jazz-grootheden als Ben Webster en Dexter Gordon. Zelfs de Rolling Stones, die met gemak voetbalstadions kunnen vullen, gaven er in 1995 twee concerten. Maar ook de Zangeres zonder Naam en Lee Towers stonden er beiden voor een uitverkochte zaal. De eerste gaf er in 1987 haar afscheidsconcert en de tweede zong er in 2004 met de originele begeleidingsband van Elvis Presley. Lee vond het zo geweldig om in Paradiso te spelen dat hij zich aan iedereen - van schoonmaker tot receptionist - voorstelde: “Hallo, ik ben Leen.”
Paradiso is groots en intiem tegelijkertijd. Het publiek staat in het historische pand met de neus op het podium. De musici voelen zich via de balkons omringd door het publiek. Een uitverkocht Paradiso is een feest voor iedere muzikant. De service voor de bands en het technisch personeel zijn bovendien van wereldklasse. En ja, al die grote namen: die dragen natuurlijk bij aan de mythevorming, zodat elke artiest er graag wil optreden, ook al is het vaak met gierende zenuwen. Want dat kritische Amsterdamse Paradiso-publiek: dat kan je maken of breken.
Het is vooral de sfeer die ervoor zorgt dat muzikanten er graag willen spelen én er willen terugkomen, zegt Jan Willem Sligting, die ruim 25 jaar programmeur is bij Paradiso en er als bezoeker en muzikant al vanaf de begintijd komt. “Je kunt zeggen dat er in de loop der tijd veel veranderd is. Dat is ook zo, want de muziek is erg veranderd. Maar in feite is alles ook hetzelfde gebleven: er komt een band spelen en wij proberen de verbinding tussen muzikanten en publiek zo mooi mogelijk te maken.”

Meer dan poppodium

Paradiso is altijd méér geweest dan alleen een poppodium. Er vonden en vinden theater- en filmvoorstellingen plaats, politieke en culturele manifestaties, kinderactiviteiten en feesten. En er is ook altijd ruimte geweest voor klassieke muziek en jazz. Tegenwoordig is het bijna een 24-uurs onderneming met drie podia in de grote zaal, de kleine zaal en de kelder, 350 werknemers en meerdere programma’s per dag. Er wordt voortdurend ‘omgebouwd’: waar bijvoorbeeld ’s middags een lezing is gehouden, wordt ’s avonds een popconcert gegeven dat weer overloopt in een dansnacht. De activiteiten zijn in de afgelopen 40 jaar gigantisch toegenomen. Vorig jaar waren er ruim 500.000 bezoekers (een recordaantal voor Paradiso), ruim 900 programma’s en een omzet van zo’n 13 miljoen euro.
Maar terug in de tijd. De hippies willen in 1967 een eigen ‘klup’ en hebben hun oog laten vallen op het leegstaande gebouw van de Vrije Gemeente, dat inmiddels eigendom is van de gemeente Amsterdam. Flower-power-voormannen als Willem de Ridder, Koos Zwart, Matthijs van Heijningen en Peter Bronkhorst zijn met de gemeente in overleg over de vestiging van een jongerencentrum in het gebouw. Ze hebben zelfs al een naam bedacht: Paradiso. Maar het overleg met de gemeente schiet niet echt op en in oktober 1967 besluit men over te gaan tot kraak van het gebouw. Zo’n vijftig mensen zetten een in het Vondelpark begonnen ‘love-in’ voort in het gekraakte Paradiso, waar meteen de politie binnenvalt en een einde maakt aan de festiviteiten.
Willem de Ridder en Koos Zwart zijn in dezelfde oktobermaand in 1967 in Felix Meritis begonnen met de organisatie van wekelijkse Provadya-avonden: muziek- en theater-happenings voor een hippie-publiek, genoemd naar een Tibetaans klooster. De zaal in Felix Meritis is klein en het wordt er met de week voller. De druk op de gemeente voor een eigen onderkomen wordt flink opgevoerd, onder andere via het muziekblad Hitweek van De Ridder, waarin bijvoorbeeld een ‘Open brief aan ’n wethouder!!’ wordt gepubliceerd.
Begin 1968 komt er schot in de zaak en wordt de gemeentelijke Stichting Vrijetijdscentra Amsterdam opgericht, die voorlopig het gebouw van de Vrije Gemeente gaat runnen. In Hitweek van 9 februari verschijnt op de voorpagina een artikel dat de opening van Paradiso aankondigt, op 23 februari. Het wordt een maandje later.

Fantastiese lichtshow

Op de openingsavond treden onder andere de popgroep CCC Inc., een Surinaamse steelband en een damesdansclubje op. Willem de Ridder fungeert als dj en Koos Zwart presenteert psychedelische vloeistofdia’s. De avond is drukbezocht en volgens een verslag in Hitweek een succes: “Paradiso is op de 30ste maart geopend en 1300 bezoekers hebben een fantastiese lichtshow, een uniek, geestverruimend en adembenemend programma meegemaakt, uitstekende muziek gehoord en voor een fantastiese sfeer gezorgd.”
Ook de avonden erna - begonnen werd met twee keer per week, maar het werd al gauw meer - waren succesvol. “Paradiso sloeg in als een bom”, aldus Willem de Ridder. “Niet alleen bij het Nederlandse publiek; er kwamen bijvoorbeeld ook veel Amerikanen en Duitsers.” En al in de eerste maanden treden er internationaal bekende bands op als Pink Floyd, The Pretty Things en Captain Beefheart, zodat Paradiso al snel het stempel van ‘poptempel’ krijgt.
Maar De Ridder en de organisatoren rondom hem willen van Paradiso - die ze de ondertitel ‘cosmisch ontspanningscentrum’ meegeven - bewust meer maken dan alleen een muziekpodium. Voor hen zijn de happening-achtige avonden het belangrijkst, met acts als het Erooties Dansduo en het Slechtste Orkest Ter Wereld. Veel wierook- en hasjwalmen en voor die tijd nog ongebruikelijk lichtshows. De Ridder vond het allemaal geweldig, en als hij er nu op terugkijkt, vindt hij dat nog steeds. “Het was heel gezellig, gemoedelijk. Mensen zaten vaak op de vloer, iedereen was open en alles ging heel spontaan. Er was een soort huiskamersfeer.”

Paradiso in ‘t slop

De Ridder en de zijnen kunnen echter niet door één deur met de door de gemeente aangestelde bedrijfsleiding en bestuur en houden het na een half jaar voor gezien. Het is het eerste conflict in een lange rij tussen bestuur, directie, medewerkers en gemeente. Wellicht geheel volgens de tijdsgeest en in sommige gevallen breed uitgemeten in de pers, zoals het mislukte directeurschap van muzikant Hans Dulfer begin jaren negentig. Sinds het aantreden in 1992 van de huidige directeur Pierre Ballings lijkt Paradiso een goed geoliede machine. In ieder geval komt er weinig negatiefs meer naar buiten.
In de begintijd zijn er niet alleen interne problemen. Vanaf de opening in 1968 wordt er regelmatig gevochten: er zijn dan nog geen portiers om dronken en/of ruziezoekende jongeren te weren. En begin jaren zeventig, als harddrugs hun intrede doen in Amsterdam, is het in Paradiso vaak bepaald niet pluis. Maar de programmering gaat vrolijk door. Gert-Jan Dröge organiseert bijvoorbeeld feesten met rolschaatsacts, de verkiezing van Mr. & Miss Decadentie en een optreden van Olga Lowina.
Toch raakt Paradiso langzamerhand in ‘t slop: er wordt eindeloos gediscussieerd over welke kant het op moet, er zijn financiële problemen, het is moeilijk heroïnedealers buiten de deur te houden en het publiek is - wellicht door de drugs - enigszins apathisch geworden. De programmering is ook niet echt vernieuwend meer.
Dat verandert als in 1977 de punkmuziek en ook new wave hun intrede doen. Huib Schreurs (muzikant bij CCC Inc., jarenlang vaste bespeler van Paradiso) is in dat jaar directeur geworden en hij vindt het belangrijk dat Paradiso de nieuwe bands uit Engeland en de Verenigde Staten naar Nederland haalt. Voor de oudere jongeren onder ons: in 1977 treden er de Sex Pistols, Blondie, The Police, The Ramones en de Talking Heads op. Andere zalen de nieuwe muziektrends nog enige tijd liggen, maar Paradiso is er als de kippen bij. En met resultaat: de zaal zit geregeld barstensvol en er gebéúrt weer iets. Sindsdien is het bergopwaarts gegaan.
Onder leiding van Schreurs - dertien jaar directeur - is Paradiso niet alleen een muzikale ‘hotspot’, maar manifesteert het bedrijf zich ook meer en meer als cultureel centrum dat verbindingen legt tussen allerhande maatschappelijke ontwikkelingen. Schreurs organiseert er zelfs bijbellezingen en requiem-missen. Van 1982 tot 1986 siert een zachtjes heen en weer bewegend kruis het dak van Paradiso: een verwijzing naar het religieuze verleden van het gebouw.

Niet zomaar een tentje

Huub van der Lubbe is de muzikant die waarschijnlijk het meest in Paradiso heeft opgetreden: over de 100 keer, schat hij. De helft daarvan als zanger van popgroep De Dijk, de andere keren tijdens gastoptredens en op thema-avonden. Hij vindt het nog steeds bijzonder om er te spelen: “Voor bands en publiek is het een geweldige plek. Dat komt door de geschiedenis. Het is echt een poptempel, er wordt daar al zo lang muziek gemaakt. Die hele historie hangt er in de lucht. Dat dwingt respect af. Als je daar voor het eerst optreedt, dan denk je toch: ik speel niet in zomaar een tentje; ik treed in de voetsporen van de hele groten.”
Voordat hij er zelf ging optreden, kwam hij er regelmatig als bezoeker. Hij ging veel naar Herman Brood en naar soul-avonden. En hij dacht: “Daar wil ik ook eens komen te staan.”
Dat gebeurde voor de eerste keer met De Dijk in 1981, als voorprogramma van de Vlaamse zanger Raymond van ’t Groenewoud. De laatste jaren geeft De Dijk rond de Kerst steevast een aantal concerten in Paradiso. Dat is traditie geworden. Altijd uitverkocht en altijd een feest.
Er is volgens Van der Lubbe veel veranderd in Paradiso tussen 1981 en nu: “Het is veel zakelijker en efficiënter geworden. Dat vind ik alleen maar goed. Dat schimmige gedoe, daar koop je niks voor.” Een andere belangrijke verandering is volgens Van der Lubbe dat “het zelfingenomene” inmiddels weg is. Personeel en technici wisten dondersgoed voor welke belangrijke zaal zij werkten. “Het is een tijd zo geweest alsof het allemaal om hen draaide en dat sommige mensen uitstraalden: ‘Jullie mogen verdomd blij zijn dat jullie hier mogen spelen.’ Maar dat is inmiddels erg veranderd en het is dik in orde nu met Paradiso.”
In de tussentijd is er in Amsterdam wel concurrentie gekomen: de Melkweg blaast een aardig partijtje mee en grote acts gaan de laatste jaren vaak naar de Heineken Music Hall in Zuidoost. Daar kunnen zo’n 5000 mensen in. En toch: vóórdat de namen groot worden en daar terecht kunnen, doen ze vaak nog steeds de Weteringschans aan. De concurrentie is voor programmeur Jan Willem Sligting een onomkeerbaar feit: “De popmuziek is een steeds centralere plek in het culturele landschap gaan innemen.”
En hoewel Paradiso commerciëler is geworden, telt niet alleen het geld. Men wil nog altijd vernieuwend zijn. Er wordt gewerkt met een systeem dat Paradiso ‘interne subsidiëring’ noemt. Aan uitverkochte programma’s wordt goed verdiend en daarvan kunnen dan concerten met vooralsnog onbekend talent worden bekostigd. Paradiso wil nog steeds niet louter een poppodium zijn, maar een cultureel centrum dat zich voornamelijk richt op ‘jonge cultuur’. Toch komen de oudjes ook regelmatig aan hun trekken. Willem de Ridder was bijvoorbeeld onlangs bij het programma waarin de nummers van Bob Dylan in het Nederlands werden gezongen.
Volgens Huub van der Lubbe is Paradiso “nog steeds dé tent in Nederland”, in ieder geval voor Nederlandse bands. Maar ook als hij met buitenlandse muzikanten praat, gaat er altijd een belletje rinkelen als hij het over Paradiso heeft. “Ahoy of het Gelredome, dat zegt ze niet zoveel. Maar als je de naam Paradiso laat vallen, is het altijd: ‘Ja, Paradiso!’. Paradiso is toch specialer. Als je als band afscheid neemt van Paradiso, als je voor grotere zalen gaat spelen, laat je wel iets achter je. Ahoy is geen rock-‘n-roll meer. Paradiso is meer het echte werk. Als je Paradiso verlaat, is het bijna alsof je afscheid neemt van je jeugd.”

Het gebouw

Vaak wordt gezegd dat Paradiso gehuisvest is in een voormalige kerk. Dit is niet helemaal waar. Het pand aan de Weteringschans is het voormalige ‘verenigingsgebouw’ van de Vrije Gemeente, een progressieve geloofsgemeenschap die werd opgericht in 1877 en een afsplitsing is van de Hervormde Kerk. Wijsheid, vond de Vrije Gemeente, was te vinden in alle religies en levensbeschouwingen, niet alleen in het christendom. En iedereen was mans of vrouws genoeg om zelf de zoektocht naar die wijsheid te ondernemen. Met die gedachte richtte men een vereniging op. De vereniging gaf aan G.B. Salm - ook bekend van het ontwerp voor de Wintertuin van Krasnapolsky en jarenlang vaste architect van Artis - opdracht om een onderkomen te ontwerpen. Het gebouw mocht niet te kerkachtig worden, al kwamen er wel een katheder en een orgel. Het werd in 1880 in gebruik genomen.
Toen men 80 jaar later voor de keus kwam te staan om het gebouw grondig te restaureren of elders nieuwbouw te plegen, werd voor het laatste gekozen. De Vrije Gemeente verhuisde naar Buitenveldert en later nog een keer naar de Johannes Vermeerstraat. In 1965 vond de laatste zondagsdienst van de Vrije Gemeente aan de Weteringschans plaats. Het gebouw werd een speculatieobject, waar onder andere een semi-illegale tapijtopslag en leegstand tot een snelle aftakeling leidden. Maar toen kwam Paradiso.