Het lijkt een vreemde tegenstelling. De op individueel kunstenaarschap gestoelde art nouveau is in de elitewoningen in Amsterdam-Zuid juist door de opkomende industrialisatie ingeburgerd geraakt. Hoewel de ontwerpen van de vernieuwende kunststroming uitmunten in originaliteit en uniciteit, werden de objecten al vlug seriematig geproduceerd. De massaproductie maakte een snelle verspreiding mogelijk van Nederlandse art nouveau, die ook wel Nieuwe Kunst werd genoemd. Onderzoek van studenten architectuurgeschiedenis naar de woonhuizen in Zuid heeft enkele unieke ontwerpen aan het licht gebracht, maar ook veel fraai cataloguswerk in kaart gebracht.

De ontwerpen van vernieuwende architecten als H.P. Berlage en sierkunstenaars als Theo Nieuwenhuis worden gezien als de Nederlandse bijdrage aan de internationale art nouveau. Veel van de ontwerpers genoten hun opleiding aan de moderne kunstnijverheidsscholen waar het stileren van motieven uit de natuur en het ontwerpen van ornamenten in twee dimensies werden gepropageerd. Hoog in het vaandel stond naast het individueel kunstenaarschap ook de ambachtelijke uitvoering van de ontwerpen.

Verschillende firma’s legden zich toe op de vervaardiging van deze vernieuwende kunstnijverheidsproducten in meubelmakerijen, glasateliers en plateelbakkerijen.
De eigentijdse kunstnijverheid werd, vaak samen met moderne kunst, verkocht in speciale verkooplokalen, waaronder de Amsterdamse zaken ’t Binnenhuis, De Woning, en Van Wisselingh & Co. Aan het fraaie handwerk van de architecten en kunstenaars hing wel een prijskaartje. Dit betekende dat hun bijzondere ontwerpen alleen aangeschaft konden worden door de mensen die zich dat financieel konden veroorloven. Deze art nouveau was voorbehouden aan de allerrijksten.

Slimme leveranciers

In de woonhuizen in Amsterdam-Zuid die grotendeels werden gebouwd voor de markt, kreeg ook de hogere middenklasse toegang tot art nouveau. De huiseigenaren lieten hun huizen decoreren met ornamenten die door slimme leveranciers van bouwmaterialen seriematige werden geproduceerd en via verkoopcatalogi werden verkocht. Een van die leveranciers was de firma Silberling & Zoon, vanaf 1850 uitgegroeid tot Neerlands grootste ornamentalist en sinds 1905 gevestigd op de Haarlemmerweg B 232 te Sloterdijk. Daar woonde en werkte ingenieur J.C.L. Silberling samen met zijn familie in huis Vredelust. Hij hield kantoor aan huis en bestierde bovendien een atelier en werkplaats voor het modelleren van de ornamenten op Wittenstraat 116 in de Staatsliedenbuurt.

Ingenieur Silberling genoot vermoedelijk zijn opleiding in Delft, een stad waar de Nieuwe Kunst zich vooral manifesteerde in kringen van docenten en leerlingen van de Polytechnische School (afdeling Bouwkunde van de latere TU). De invloed van de sierende Franse en Belgische vormen van art nouveau op de Nederlandse makers is in Delft te zien in de curvilineaire ornamentiek op tegels en andere producten uit de aardewerkfabriek De Porceleyne Fles, in het bouwglas uit glasatelier ’t Prinsenhof en in het siersmeedwerk van de firma F.W. Braat, leverancier van ondermeer bouwornamenten.

Ook in de stucornamenten van ingenieur Silberling is deze buitenlandse invloed herkenbaar. De ornamentfabriek vervaardigde plafond- en wanddecoraties in gips, droogstuc en hardstuc volgens eigen ontwerp, maar ook volgens ingezonden ontwerpen. De auteurswet regelde pas in 1912 het intellectueel eigendom van de ontwerpers, zodat Silberling ongestraft hun ontwerpen in zijn catalogus kon opnemen. Hij was zakenman genoeg om zijn architectenklanten te vriend te houden en vermelde daarom in zijn catalogus hier en daar ‘volgens ingezonden ontwerp’, hetgeen betekende dat een architect of tekenaar het ontwerp had ingezonden ten behoeve van de eenmalige productie voor een specifieke opdrachtgever. De firma toonde overigens ook belangstelling voor historische ornamentiek want zij kocht in 1912 de modellen aan die door het Stedelijk Museum waren gebruikt voor het aanbrengen van de plafond- en wandversiering van de Hollandse Empirekamer die op de tentoonstelling De Vrouw 1813-1913 was ingericht. Silberling & Zoon bestaat allang niet meer, maar een deel van de collectie oude mallen is bewaard gebleven en de gipsafdrukken worden nog steeds gebruikt.

Status van het huis

Het werk van Silberling en consorten vond in Amsterdam-Zuid gretig aftrek. De maatschappelijke elite settelde zich tijdens de economische bloei aan het eind van de 19de en begin van de 20ste in de ruime huizen gelegen aan de nieuwe straten. De meeste mensen kochten een huis dat door kleinschalige projectontwikkeling tot stand was gekomen. Zo’n huis werd compleet opgeleverd, inclusief tegelvloeren, stucplafonds en paneeldeuren die dan meestal uit catalogus werden geleverd. Anderen lieten zelf een huis bouwen. Ook zij konden putten uit de verkoopcatalogi van Silberling en andere firma’s. In tijden dat ornamentiek in de architectuur in hoge mate de status van het huis bepaalde, kon iedereen laten zien ‘dat hij erbij hoorde’.

De stucplafonds konden in de catalogus van de fabriek worden uitgezocht, waarbij hoekstukken, middenstukken, tussenstukken, buiten- en binnenlijsten, guirlandes, rozetten en consoles naar believen konden worden geassembleerd. Vervolgens werden ze in mallen afgegoten en in het werk geplaatst, hetgeen soms aan de naad tussen het ornament en het vlakke stucwerk is te herkennen. De ornamenten werden geschroefd of gespijkerd en konden direct beschilderd worden, want helder wit waren de stucplafonds destijds nooit. Ze kregen altijd een subtiele, meestal ton-sur-ton, beschildering zodat de profielen en decoraties beter tot zijn recht zouden komen.

De architect of aannemer bepaalde hoe rijk het eindresultaat zou worden, afhankelijk van de smaak en de financiële mogelijkheden van de opdrachtgever. De elementen konden ook naar wens worden ingekort of verlengd zodat het gewenste plafond aan de afmetingen van het vertrek kon worden aangepast. De meeste firma’s in bouwmaterialen werkten pragmatisch en speelden in op de vraag van de markt, ook wat betreft de stijl. Daarom bevatten veel catalogi zowel producten in klassieke Lodewijkstijlen als in eigentijdse vormgeving. Zo blijkt ook uit de hier afgebeelde producten uit de catalogus van Silberling & Zoon uit 1912.

In de praktijk van het bouwen kon het gebeuren dat de bouwstijl van gevel en interieur niet dezelfde was, zoals bij vele panden in de Van Eeghenstraat is te zien. Ook binnen zijn sommige kamers modern en andere klassiek gedecoreerd. In een van de panden aan de Van Eeghenstraat valt op dat het plafond in de representatieve salon historiserend is, terwijl het plafond in de slaapkamer moderne decoraties heeft in de stijl van de versierende Nieuwe Kunst, zoals aan de vloeiende lijnen is te zien. Voor de salon was het kennelijk te gewaagd, maar in de slaapkamer kon blijkbaar wel iets nieuws worden geprobeerd.

Tekst: Barbara Laan en Mireille Nossent
Juli-Augustus 2008