Het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 veegde het oude stadshart van de kaart. Met 900 dodelijke slachtoffers kwam de stad er nog genadig vanaf. Dat was te danken aan de aangelegde schuilkelders en aan het feit dat veel bewoners naar hun werk waren of het centrum al waren ontvlucht. De bommen vielen in minder dan een kwartier tijd. De meeste schade ontstond door de branden erna, die met angstaanjagende snelheid door de getroffen wijken raasden en nog dagenlang aanhielden. Van blussen kwam weinig terecht omdat de hoofdwaterleiding een voltreffer had gekregen. Ongeveer 80.000 mensen verloren hun huis.
Vaak wordt gedacht dat Rotterdam geen andere keus had dan een geheel nieuw stadscentrum uit de grond te stampen. Maar er stond nog best wat overeind. De zogeheten Bouwpolitie stelde meteen na het bombardement een lijst op van 144 monumentale gebouwen die nog te restaureren waren, zoals de Delftsche Poort, de Groote Schouwburg en het Coolsingelziekenhuis. Maar de Haagse topambtenaren die na het vertrek van de regering het bestuur van het land overnamen, gaven opdracht alles te slopen. "Er moet een geheel nieuwe stad komen en men binde den nieuwen stedebouwer niet aan bestaande gebouwen", schreef secretaris-generaal Gerrit van Poelje op 21 mei 1940 aan het stadsbestuur.

Wederopbouwrit

In de oorlog kwam weinig van herstel, maar na de bevrijding werd Rotterdam de modelstad van de krachtdadige wederopbouw. "Als wij, mensen van het heden, een bewijs nodig hebben voor de onbedwingbaarheid van de menselijke geest, dan moeten wij gaan naar de stad Rotterdam", schreef een Amerikaanse journalist die in 1948 poolshoogte kwam nemen. In die periode maakten jaarlijks tienduizenden dagjesmensen in bussen een Wederopbouwrit door het nog braakliggende stadshart en voeren ze in rondvaartboten van Spido door de al herstelde haven om zich te laven aan het verhaal hoe Rotterdam zich er niet onder liet krijgen. 'Sterker door strijd' was het devies dat koningin Wilhelmina de stad verleende; zoals zij Amsterdam de leuze 'Heldhaftig, vastberaden, barmhartig' toekende. In al deze krijgshaftigheid was voor rouw weinig plaats. "Rotterdam ruimde het puin in een zo hoog tempo op dat velen niet de tijd kregen om afscheid van hun oude stad te nemen", oordeelde stadshistoricus Paul van de Laar.
De doordenderende wederopbouwtrein kwam rond 1970 tot stilstand, toen de generatie van de babyboomers in opstand kwam tegen de plannen voor sanering van de 19de-eeuwse wijken rondom het centrum. In hun ogen was de moderne city kil, zielloos en winderig. Hun strijd had gedeeltelijk succes, toch verdwenen opnieuw delen van het historische Rotterdam. Kunstenaar Gyz La Rivière schrijft in zijn boek 13 minuten (de titel slaat op de duur van het bombardement) dat Rotterdam "drie keer (is) gebombardeerd: door het fascisme, het modernisme en de stadsvernieuwing. De stad heeft bijna net zoveel hectare gesloopt als de Duitse bommen. Een stad die zoveel heeft geleden, zou zichzelf niet moeten slopen."

Brandgrens

De zorgvuldigere omgang met het historische karakter van Rotterdam ging gelijk op met toegenomen aandacht voor het bombardement en de oorlogsslachtoffers. Al snel na de oorlog was de 14 mei-herdenking van het bombardement vervangen door de viering van Opbouwdag op 18 mei. In de wederopbouwretoriek leek de Rotterdamse geschiedenis in 1940 opnieuw te zijn begonnen. De behoefte was sterk om het oorlogsleed te transformeren in iets positiefs.
Pas vanaf 1980 kwam de focus van het jaarlijkse herdenken te liggen bij het bombardement en bij de rouw om de slachtoffers. Toen op 14 mei 1980 – voor het eerst sinds 1947 – het bombardement werd herdacht in De Doelen, waren enkele honderden overlevenden en ooggetuigen van het bombardement uitgenodigd. Deze oud-bewoners van het centrum waren zoveel mogelijk per straat in de zaal geplaatst. Tot verrassing van de organisatoren werd het 40 jaar na dato een zeer emotionele bijeenkomst.
De 'brandgrens' – de omtrek van het verwoeste stadsgedeelte – werd voor het eerst in 2007 aangelicht met schijnwerpers. Drie jaar later kwam er een permanente ring van lampjes in het wegdek. Eigenlijk toen pas werd de brandgrens een begrip voor de stadsbewoners, als een zichtbaar litteken. Recent is het OorlogsVerzetsMuseum omgevormd tot Museum Rotterdam '40-'45 NU, met aandacht voor persoonlijke verhalen over de slachtoffers. "Het bombardement op Rotterdam is nog nooit zo intensief herdacht als in de laatste jaren", concluderen Susan Hogervorst en Patricia van Ulzen in hun boek Rotterdam en het bombardement. 75 jaar herinneren en vergeten (2015).

Dankteken

De eerste keer dat in Rotterdam het perspectief van de slachtoffers de overhand had, was bij de onthulling van Zadkines beeld 'De verwoeste stad' in 1953: een wanhopig in de lucht klauwende figuur met op de plek van het hart een leeg gat – een verwijzing naar het weggebombardeerde stadshart. Meteen na de onthulling werd het beeld door alle Rotterdammers in de armen gesloten.
Heeft Rotterdam hiermee het aangrijpendste oorlogsmonument, Amsterdam is in het ongemakkelijke bezit van het merkwaardigste gedenkteken: het Monument van Joodse Erkentelijkheid. Het werd – nota bene als eerste oorlogsmonument van Amsterdam – in 1950 onthuld aan het Weesperplein, maar vanwege de metroaanleg in 1968 verplaatst naar een afgelegen plek naast de voortrazende auto's van de Weesperstraat. Vooral zwervers en alcoholici zitten nu op de trappen van het kalkstenen monument met de tekst 'Aan de beschermers der Nederlandse Joden in de bezettingsjaren'.
Het door Jobs Wertheim ontworpen en aan de stad Amsterdam aangeboden gedenkteken was een initiatief van een groep Joden die hun redders in de oorlog wilden bedanken. Van het begin af aan leidde het idee tot hevige verdeeldheid in Joodse kring. Bij de onthulling waren de Joodse kerkgenootschappen niet aanwezig. Burgemeester Arnold d'Ailly nam het geschenk in ontvangst "met een zekere trots voor wat de burgers van Amsterdam voor hun medemens hebben gedaan en geriskeerd, maar ook met bescheidenheid omdat zoveel anderen tekort zijn geschoten".
Een week later meldde het Nieuw Israëlietisch Weekblad dat enkele Nederlandse Joden dit voorbeeld hadden gevolgd en een bewaarschool hadden aangeboden "om de Nederlandse bevolking te danken voor het bewaren van gelden en goederen gedurende de bezettingsjaren. In de bewaarschool zullen de aan de joodse Nederlanders teruggegeven voorwerpen blijvend worden tentoongesteld." De bewaarschool werd in ontvangst genomen door de heer Puls die er zijn tevredenheid over uitsprak dat dit geheel uit vrije wil gebeurde (Puls was het verhuisbedrijf dat in de oorlog de huizen van gedeporteerde joden leeghaalde). "De joodse bevolking heeft wel veel verloren, maar mag nooit vergeten hetgeen men heeft teruggekregen," aldus dit cynische stukje.

Zand erover

Precies op de huidige plek van het Monument van Joodse Erkentelijkheid heeft de bakkerij van zijn gedeporteerde grootouders gestaan, schreef Herman Vuijsje vorig jaar november in Ons Amsterdam. Hij noemt het een gedenkteken dat met zichzelf verlegen is. "Het is een monument, niet van wat er in de oorlog gebeurde, maar van de onwaarachtigheid waarmee die gebeurtenissen aanvankelijk werden omkleed en van de bevrijding die de jaren zestig ook in dit opzicht hebben betekend." Voor een dergelijk monument vindt hij de huidige Weesperstraat, die in niets meer lijkt op de gezellige Joodse winkelstraat van destijds, wel een goede plek.
Het komt niet alleen door de oorlog dat die hoofdstraat van de oude Jodenhoek zo verminkt is. Ook de gemeente Amsterdam heeft er de hand in gehad met het Wederopbouwplan van 1953, waarin een vierbaansweg dwars door de resten van de oude Jodenbuurt werd aangekondigd. Omzien in sentimentaliteit was zinloos, was de grondtoon van de gemeentelijke plannen en van de meeste commentaren. De architect Herman Knijtijzer schreef in 1972 dat het redden van afzonderlijke panden, zoals Huis de Pinto in de Antoniesbreestraat, de ontzielde buurt toch niet meer tot leven kon brengen. Een logische consequentie van 'het grote verdriet' (zoals de schrijver Meyer Sluyser de Jodenvervolging aanduidde) was in zijn ogen het slopen van alle restanten.
Net zoals Rotterdam korte metten maakte met de overblijfselen van de vooroorlogse stad, om niet stil te hoeven staan bij de verliesgevoelens van bewoners, zo lijkt ook in Amsterdam de saneringsdrang van de wederopbouwperiode een vorm van verdringing van het oorlogsleed. "Met iedere wagonlading zand die er werd gestort, werd ook een plaats delict verder aan het oog onttrokken", schrijft Vuijsje. Natuurlijk, die vierbaansweg is er slechts gedeeltelijk gekomen. Ook in Amsterdam – een interessante parallel met Rotterdam – was het de naoorlogse generatie die de plannen een halt toeriep en voorkwam dat de Nieuwmarktbuurt volledig werd gesaneerd voor de aanleg van de metro. 'Amsterdam huilt' viel op een van de spandoeken van de opstandelingen te lezen. Een verwijzing naar het aangrijpende lied van volkszangeres Zwarte Riek uit 1964, waarin zij het verdwijnen van de oude Weesperstraat en Jodenhoek melancholiek bezong.

Schaduwkade

Het schuldige zwijgen van de oorlogsgeneratie is inmiddels vervangen door een groeiend aantal initiatieven om de rouw vanwege de moord op 102.000 Joodse medeburgers juist zichtbaar te maken in het straatbeeld. In Rotterdam is de lege vlakte waar de deportatieplaats Loods 24 stond in z'n geheel een gedenkteken geworden; recent is daar ook een monument voor de omgekomen Joodse kinderen opgericht. In Amsterdam werd het Monument van Joodse Erkentelijkheid eerst nog gevolgd door De Dokwerker (1952), een gedenkteken voor de Februaristaking 1941 ter verdediging van de Joodse medeburgers. Pas met de omvorming van de Hollandsche Schouwburg tot monument (1962) verschoof de aandacht van wat Amsterdammers voor de Joden hebben gedaan, naar het verpletterende aantal Joodse slachtoffers.
Vandaag de dag ligt het accent steeds meer op de namen en de gezichten van de slachtoffers. Naar Duits voorbeeld verschijnen in steeds meer stoepen bij huizen (in Amsterdam, Rotterdam en elders) Stolpersteine met de namen en sterfdata van Joden die daar hebben gewoond. Aan de Nieuwe Keizersgracht in Amsterdam is het namenproject nog grootser aangepakt. Liefst een derde van de vroegere bewoners van de straat bleek de oorlog niet te hebben overleefd. Hun namen zijn nu aangebracht in de kade ter hoogte van hun vroegere huis. Diepe indruk maakte ook het kinderproject van Guus Luijters, die zoveel mogelijk omgekomen Joodse kinderen, met hulp van het publiek, voorzag van een naam en een foto.
Al het herdenken van de Jodenvervolging gaat gepaard met morele vragen over de positie van de omstanders: wat wisten zij over het lot van de Joden, wat voelden ze, wat konden ze doen? En: wat zou jij gedaan hebben? Een dergelijke morele lading heeft terugkijken op het Rotterdamse bombardement niet. Toch blijkt de geschiedenis van het herdenken in Amsterdam en Rotterdam opvallend parallel te lopen: van het wegpoetsen van de overblijfselen tot het accentueren van de fysieke sporen. Zo is 75 jaar na het meibombardement de oorlog aanweziger dan ooit in beide steden.