Op 1 januari 1897 kwamen een paar Amsterdamse onderwijzers bij elkaar om een leesgezelschap op te richten dat ze de naam Nut en Genoegen gaven. Het was niet bedoeld om zoals in een moderne leesclub individueel een boek te lezen en vervolgens gezamenlijk te bespreken. Er werd een leesmap met tijdschriften samengesteld die circuleerde onder de leden. De portefeuille, van stevig karton bekleed met canvas, moest na een week leesgenot worden doorgegeven aan de volgende lezer. Mijn ouders waren sinds begin jaren zestig lid. In mijn middelbare schooljaren las ik met veel nut en genoegen The New Yorker, Punch, De Gids en Spiegel Historiael.

De oprichting paste bij de groeiende behoefte aan lectuur. De stad groeide, en er waren steeds meer Amsterdammers die konden lezen. Velen raakten verslingerd aan een nieuw genre, de roman. De behoefte aan een bibliotheek waar men boeken kon lenen en lezen werd het eerst gevoeld in de stedelijke elite. Voor bemiddelde heren werd in 1800 het Leesmuseum opgericht, waarna in 1877 het Dames-Leesmuseum volgde.

De jaarcontributie was gelijk aan het maandloon van een arbeider. Voor hen waren er winkelbibliotheken, waarin voor een paar centen boeken konden worden geleend. Er moest dan wel een borg worden gestort, en dat was de reden dat Multatuli’s alter ego Woutertje Pieterse zijn Nieuwe Testament met Gezangen voor 14 stuivers verkocht om de roversroman Glorioso te kunnen lenen.

Geloof en Wetenschap

Leesgezelschappen waren een middenweg tussen de elitaire leesmuseums en de winkels waar Woutertje zijn ‘vet en belezen’ boek leende. In de 19de eeuw werden er in Nederland honderden opgericht. De Amsterdamse onderwijzers kozen een weinig originele naam, want er was ook een Nut en Genoegen in Elst, in Wijdenes, in Dordrecht en in Spijkenisse. Vergelijkbare combinaties waren populair, zoals Nut en Vermaak, Tot Nut en Uitspanning en tot Lering en Vermaak. Creatiever waren de oprichters in Kommerzijl, met ‘Zooveele meesters, zooveele leerlingen’ en in de stad Groningen met ‘Na Afgewerkte Taak, is Lezen ons Vermaak’.

Voor boekwinkels vormden de gezelschappen een goede afzetmarkt. In het Algemeen Handelsblad van 19 december 1890 laten J.H. en G. van Heteren, boekverkopers in de Hartenstraat, weten dat er nieuwe leden worden aangenomen in een Leesgezelschap, ‘waar tweemaal ’s weeks de boeken worden gewisseld en alle oorspronkelijke Hollandse boeken (behalve Godgeleerde) worden opgenomen, de voornaamste maandwerken, Franse, Duitse en Engelse lectuur, zo ook illustraties’. De contributie bedroeg twaalf gulden per jaar, bij de entree moest vier gulden worden betaald.

Allert de Lange adverteerde voor het gezelschap Utile Dulci, boekhandelaar B. van der Land in de Kalverstraat had een eigen leesgezelschap, J. Boode in de Kinkerstraat richtte in 1896 het leesgezelschap Jacob van Lennep op. De contributie bedroeg daar 2,50 gulden per kwartaal, en ‘alles wordt gehaald en gebracht’.

Regelmatig adverteerde ook het leesgezelschap TAVENU, gevestigd in de Kalverstraat. De afkorting stond voor Tot Aangenamen Verpoozing en Nuttige Uitspanning en was een initiatief van de boekhandel en uitgeverij Abrahamson & Van Straaten, opgericht in 1891. In hun advertenties wordt de inhoud van de portefeuille vermeld: De Gids, het Tweemaandelijks Tijdschrift, Elsevier's Geïll. Maandschrift, Eigen Haard, De Hollandsche Illustratie, De Wereldkroniek, The Graphic, Revue des Deux Mondes, L'Illustration, Journal Amusant, Deutsche Rundschau, Die Gartenlaube, Ueber Land und Meer, Fliegende Blätter en het eigen tijdschrift TAVENU, met bovendien een ‘keur van Nederl. en Buitenl. Romans’. De jaarcontributie was elf gulden.

De leesgezelschappen die werden opgericht door boekwinkels waren neutraal, maar initiatieven vanuit de bevolking konden een politieke of godsdienstige kleur hebben, zoals het in 1898 opgerichte Socialistische Leesgezelschap of het katholieke gezelschap Geloof en Wetenschap, dat ook lezingen organiseerde.

Dertig leden

Hoeveel particuliere leesgezelschappen in Amsterdam hebben bestaan is niet bekend, maar behalve van Nut en Genoegen zijn er van slechts twee enige archiefstukken te vinden in het Stadsarchief: Leesgezelschap Parkweg, dat bestond tussen 1872 en 1891 en Tot Nut en Stichting (1847-1864).

Van Nut en Genoegen is een vrij uitgebreid archief bewaard, dat inzicht geeft in het reilen en zeilen van het gezelschap. De boekhouding is vanaf het jaar 1907 keurig bijgehouden in een schrift. In dat jaar bracht de contributie 180 gulden op, er waren dertig leden die elk zes gulden bijdroegen. De tijdschriften en boeken werden besteld bij Allert de Lange en bij de Academische Boekhandel Delsman en Nolthenius. Abonnementen op buitenlandse tijdschriften werden afgesloten via importeurs.

De contributie werd besteed aan aankopen, afgezien van de bureaukosten van de voorzitter (fl. 1,50), de secretaris (fl. 0,50) en de penningmeester (fl. 2,00). We weten niet welke boeken en tijdschriften in die jaren werden gelezen, want die informatie is pas vanaf 1961 bewaard.

In 1946 was er een feestuitgave vanwege het vijftigjarig jubileum, maar die heeft geen sporen nagelaten. Een andere uitgave betrof de aanschaf van een graftak voor de heer Fok, die kennelijk een gewaardeerd lid was geweest. Abonnementen werden vanaf dat jaar steeds vaker rechtstreeks bij de uitgever genomen, zoals in 1947 Doe mee, in 1948 Toneelschild en in 1949 het nieuwe Ons Amsterdam. De overige abonnementen liepen via boekhandel Barendregt en Edelman.

Op de bladen Ivio, Goed wonen, Filmforum, Artis, Natuur en Techniek, Wereldkroniek en Geographical Magazine werden rechtstreeks abonnementen genomen. De contributieopbrengst ging gestaag omhoog, van 206 in 1962 naar 1155 gulden in 1972. In dat jaar werd het 75-jarig bestaan gevierd. Sober, want er is slechts 33,75 gulden voor uitgetrokken.

Bezwaren tegen Libelle

De oudst bewaarde notulen zijn van de vergadering in Krasnapolsky op 16 december 1961. Na de pauze ‘met consumpties’ worden de tijdschriften in de portefeuille ter discussie gesteld. De heer Douma vindt De Kern te duur, maar de meerderheid der leden wil het tijdschrift behouden. De voorzitter meldt dat enkele leden iets tegen Libelle en De Uitkijk hebben, maar men vindt dat ook deze moeten blijven. Het abonnement op Life wordt voor drie jaar verlengd, want dat is goedkoper.

Wat betreft de boeken was het de voorzitter opgevallen dat er veel werken van Simenon bij zaten. Dat vond de vergadering geen bezwaar: ‘men vond ze goed’. Ten slotte waren er enkele aanvragen voor een lidmaatschap, maar er was geen plaats en bovendien moesten nieuwe leden ‘in een geschikte wijk’ wonen, dat wil zeggen in Amsterdam-Zuid, omdat anders de afstand om de portefeuille te bezorgen te groot zou worden.

Op de vergadering van 15 december 1962 vindt een lid het familieblad Revue ‘niet best’, en mej. Kroon zegt dat Wereldkroniek ‘verkeerde tendensen gaat vertonen’. Iemand anders wil er een Duits tijdschrift bij hebben. Hij is tevreden, want er is net een abonnement op Der Stern genomen. Weer een ander stelt voor de contributie te verhogen en somt een aantal goede tijdschriften op om het niveau op te krikken.

Het jaar daarop staat de vergadering in het teken van een nieuw probleem: zeven leden zijn opgestapt, ‘en dat is een beangstigend verschijnsel, want zó kunnen we niet verder gaan’. De voorzitter legt de vraag voor of het niet beter is te stoppen. De vergadering protesteert, maar de voorzitter houdt aan: ‘Ja, maar mensen, alle goede bedoelingen ten spijt, de circulatie gaat slecht, men betaalt slecht, men neemt heel gewoon geen maatregelen [voor de bezorging van de portefeuille] als men op reis gaat, er was nog fl. 100,- te vorderen vóór deze vergadering.’

Nieuw elan

Het volgend jaar treedt de door zorgen gekwelde voorzitter af. Hij wordt in de Wintertuin van Krasnapolsky in een allerhartelijkste toespraak en met een cheque bedankt voor vele jaren tijdrovende arbeid, waarvan hij ‘zichtbaar onder de indruk is’.

Het jaar daarna, 1968, wordt met nieuw elan begonnen. Er komen nieuwe bladen in de portefeuille, zoals de Avenue, terwijl andere bladen als Goed Wonen, worden opgezegd. De leden wonen dan meerendeels op de Pieter Lastmankade (vijf) en de Willemsparkweg (vier. Verder weg wonen leden in de Pieter Calandlaan en de Rooseveltlaan. Het transport naar deze adressen werd verzorgd door een boekhandel, maar die stopt daarmee wegens personeelsgebrek. Een vrijwilliger stelt zich gelukkig beschikbaar.

De jaarvergaderingen worden daarna niet meer in Krasnapolsky gehouden, maar in een zaaltje bij café Van Tuyll op de Amstelveense weg. Leden blijven komen met voorstellen, zoals in 1969 (‘meer Franse boeken’), en elk jaar wordt de kwaliteit van de tijdschriften besproken. Sommige tijdschriften houden op te bestaan, zoals De Kern. Andere blijven vaste waarden, zoals De Gids en Ons Amsterdam. Ook bewaard zijn de verkooplijsten van boeken die hebben gecirculeerd. De meerderheid is Nederlands, maar er zijn ook altijd Duitse, Franse en Engelse boeken bij. Af en toe gaan er detectives mee van Simenon en Agatha Christie.

Vergrijzing

Maar de ingekomen brieven wijzen echter steeds vaker op problemen die de vergrijzing van het ledenbestand met zich meebrengt. In 1967: ‘Ik woon alleen en ben heel vaak niet thuis, zodat ik steeds m’n buren moet inschakelen voor de ontvangst en het versturen van de map’. In 1973: ‘De transportperikelen naar de Zocherstraat maken het te bezwaarlijk om de portefeuille op tijd bij onze opvolgers te brengen die daar hun ongenoegen over te kennen hebben gegeven.’ In 1975: ‘De verplichtingen van het halen en brengen zijn ons te zwaar geworden.’

In november 1982 wordt de knoop doorgehakt. De leden ontvangen een brief van secretaris T.A. Dekker en penningmeester J.F. van Ruth. Zij schrijven: ‘Wij zijn tot de conclusie gekomen dat het instituut leesportefeuille (…) zijn tijd heeft gehad.’ De beide dames zullen de lopende zaken afhandelen en stellen voor een eventueel batig saldo over te maken aan het Rode Kruis.